Een geschifte speurder

Eduardo Mendoza: Het labyrint van de olijven (El laberinto de las aceitunas). Vert. Francine Mendelaar en Harriët Peteri. Uitg. Arena, 260 blz., ƒ 44,90.

Toen de Catalaanse, maar Spaansschrijvende, auteur Eduardo Mendoza in 1982 zijn speurdersparodie Het labyrint van de olijven publiceerde, was hij nog niet de wereldberoemde schrijver van De stad der wonderen. Hij had twee boeken op zijn naam staan: de politieke thriller De zaak Savolta en de hilarische detective-roman Het geheim van de behekste crypte. In het laatste boek traden voor het eerst de hoofdpersonen op die ook in Het labyrint van de olijven centraal staan: een geschifte speurder en een bevriende commissaris die hem af en toe uit het gekkenhuis haalt om een klusje op te knappen waar de politie haar vingers niet aan wil branden.

Daarmee was Mendoza dezelfde weg ingeslagen als Manuel Vázquez Montalbán (ook afkomstig uit Barcelona, ook Spaansschrijvend) al eerder had gedaan met zijn reeks rond de sjofele speurder Carvalho. Van zijn serie Carvalho zijn inmiddels al een kleine twintig bandjes verschenen, in nog altijd toenemende oplagen. Mendoza hield het na een paar deeltjes wel voor gezien. Dat was een verstandige beslissing, want het maakte het pad vrij voor De stad der wonderen, waarin Mendoza beschreef hoe Barcelona zich rond eeuwwisseling koortsachtig ontwikkelde en ritselaars zich in ijltempo tot vermogende en gerespecteerde notabelen konden opwerken.

Die aandacht voor de schelmachtige keerzijde van de samenleving, die er niettemin een geheime steunpilaar van vormt, is het enige dat De stad der wonderen met de twee voorafgaande speurdersromans verbindt. Ook al kan men het nauwelijks een sober boek noemen, toch contrasteert de beheerste barok ervan scherp met het nietsontziend anarchisme waarmee Mendoza het plot van zijn twee detectives voortdurend liet ontsporen.

Dat zou vermakelijk kunnen zijn, als Mendoza de lezer dat niet voortdurend had ingepeperd. Terwijl Vázquez Montalbán in zijn de speurders-serie de Spaanse politiek en samenleving van begin af aan met subtiel sarcasme op de hak nam, mondden Mendoza's detectives al snel uit in ongein waaraan weinig literaire of satirische eer te behalen viel.

Weerspiegelde die stuurloze hilariteit de sfeer van de eerste jaren na Franco's dood? Wellicht, maar dan heeft ze de tand des tijds slecht doorstaan. Naast Mendoza's Barcelona-epos houden zijn detectives zich alleen nog staande voor onvoorwaardelijke fans of liefhebbers van radicale meligheid.