Een deftige oude ijdeltuit

Vrij kort na de dood van Thomas Mann, 12 augustus 1955, publiceerde zijn dochter Erika Das letzte Jahr. Bericht über meinen Vater. Het is vertaald onder de titel Het laatste jaar van Thomas Mann. Toen, in 1956, was het een mooi, ontroerend verslag. Dat laatste jaar, zo schreef Erika, 'was overstraald en verwarmd door de genade', en ook de dood was haar vader genadig geweest.

Hij reisde van triomf naar triomf, las bejubeld zijn grote rede over Schiller voor, eerst in Stuttgart, daarna in Weimar waar hij eredoctor werd, ging naar zijn geboortestad Lübeck om er ereburger te worden, vierde in juni enige dagen lang zijn tachtigste verjaardag (nog een eredoctoraat), reisde met zijn rede naar Amsterdam en Den Haag, werd er Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau, praatte gezellig met koningin Juliana over kinderen en kleinkinderen, rustte uit in Noordwijk aan Zee. Daar kreeg hij trombose in zijn linkerbeen, werd naar Zürich overgebracht, en stierf na pijnloos ziek te zijn geweest aan aderverkalking.

Het is nog steeds een mooi, ontroerend verslag, maar de Thomas Mann die erin wordt geportretteerd bestaat niet meer. Tien delen dagboeken (1918 tot 1921 en 1933 tot 1955) hebben het beeld veranderd.

Erika Mann noemt de belangrijkste eigenschappen van haar oude vader: 'bescheidenheid, goedheid en humor'. Over de humor is moeilijk te twisten. Zo humorloos als de dagboeken zijn, zo geestig zijn de romans. Was hij bescheiden?

In hogere zin; hij meende de grootheid van Tolstoj en Wagner nooit te hebben geëvenaard. In dagelijkse zin? Hij had op z'n vijftigste, nog in München, een theorie ontwikkeld over huldigingen: men moet bij alle gelegenheden zijn mannetje staan, ook bij zulke. Het kwam ervan dat hij heldhaftig bijna twintig eredoctoraten in ontvangst nam, dapper de studies in vele talen las die aan zijn werk waren gewijd, in waardige uitputting ovaties aanhoorde na een lezing en in zeer zware depressies zakte wanneer hij zich gegriefd voelde.

De goedheid die hem kenmerkte is ook in hogere zin te duiden. De dagboeken geven er in dagelijkse zin geen blijk van. Hij noteerde met antipathie over zijn kinderen Klaus, Monika, Michael, schreef mooie, deftige brieven aan zijn Amerikaanse weldoenster Agnes Meyer, en uit zijn dagboeken blijkt niets dan weerzin. Een snel geïrriteerde, onaangename, kleinzerige, egocentrische man, een ijdeltuit, een snob.

Zijn discipline was wereldberoemd: 's ochtends werk aan het grote project, roman, novelle, essay, 's middags brieven, 's avonds lectuur en muziek op de grammofoon, vaak Wagner. Ook bij het masturberen was hij gedisciplineerd. Hij wekte zijn lust niet op, hij veroorloofde zich zijn genot enkel bij spontane, volledige erectie. Met het beeld voor ogen van een jongeman, die dag gezien of gefantaseerd. Hij was trots op zijn potentie. Op z'n vijfenzestigste werd hij, in een hotel, verliefd op de jonge kelner Franz. Wanhopig verliefd, als een adolescent. Een deftige oude man, die zijn verliefdheid kon uiten door veel te grote fooien te geven en een geëxalteerd essay te schrijven over Michelangelo.

Een aangrijpende episode.

In het laatste deel van de dagboeken, 1953 tot 1955, zojuist verschenen, ging het hem slecht. Hij had moeizaam een novelle voltooid en werkte om het geld aan een project van vroeger: Felix Krull. Met tegenzin. Hij vond de oplichtersroman beneden zijn waardigheid. Het boek werd een bestseller. En daarna? Wanhoop. Zijn geestkracht nam af. Hij had geen stof. Hij kon geen conceptie vinden voor een dramatische schets over Luther. Hij verdwaalde in zijn studie toen hij een feestrede over Schiller voorbereidde. Zijn geschrift, honderdtwintig bladzijden, werd door Erika tot twintig teruggebracht. De man van tachtig, al meer dan een halve eeuw beroemd, kon niet verder zonder aan een meesterwerk te schrijven.

Altijd moe, altijd klagend sloot hij zijn leven af als de meest gefêteerde schrijver aller tijden. Er is nogal wat absurditeit en tragiek in die huldigingen. Hij liet zich politiek misbruiken, vooral in de DDR, waar kleine schoolkinderen langs de weg stonden om hem toe te juichen en de 'laudatio' bij zijn eredoctoraat werd uitgesproken door een valse professor, die hem in de Hitlertijd smerig had belasterd.

Maar in Noordwijk had hij het goed, korte tijd, tot hij ziek werd. Hij schreef in een strandstoel een overbodige inleiding voor een overbodige bloemlezing, en voelde eindelijk enig behagen. Ik ben een chauvinist. Ik was trots toen ik het las. Of ik uit bewondering eigenhandig de Noordzee voor hem had neergelegd.

Voor de fanatici, tot wie ik behoor, is er de tiendelige uitgave van uitgeverij S. Fischer, met een overvloed van annotaties en documenten. Inge Fens heeft aan de laatste delen met bewonderenswaardige speurzin gewerkt. Voor de minder bezeten bewonderaars in Nederland verschijnt in de reeks Privé-domein van De Arbeiderspers een compilatie in drie delen. Het zojuist verschenen tweede deel heet Duitsland heeft me nooit met rust gelaten. Amerikaans dagboek 1940-1948. Paul Beers heeft het samengesteld en vertaald. Voorbeeldig.

    • Alfred Kossmann