Een blok marmer van de Goden; Beschouwingen door en over Harry Mulisch

Harry Mulisch: Bij gelegenheid. Uitg. De Bezige Bij. 129 blz. Prijs ƒ 29,50 en ƒ 39,50 (geb.)

Wim Haan e.a. (red.): Mulisch en de wetenschap. Naar aanleiding van De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch. Uitg. Kok, 190 blz. Prijs ƒ 34,90.

Peter Henk Steenhuis: Alles is altijd uit de bijbel. Schriftuurlijke verwijzingen in De ontdekking van de hemel. Uitg. De Bezige Bij. 91 blz. Prijs ƒ 22,50

In het juryrapport van de Prijs der Nederlandse Letteren die vorige maand aan Harry Mulisch werd uitgereikt, wordt aan het slot nog een heikel onderwerp aangeroerd: Mulisch en de wetenschap. De gelauwerde, zo schrijft de jury, hangt in zijn werk waarden aan die moeilijk te verenigen lijken met de opvattingen van hedendaagse filosofen en wetenschappers. Maar gelukkig weet de jury daar toch iets goeds over te melden. Mulisch' streven zou er op gericht zijn om de wetenschap in zijn als 'holistisch' aangeduide wereldopvatting te integreren. De schrijver zou de chaos in de wereld willen ordenen en daarbij optreden als de alchimist die het ene beginsel waaruit de wereld volgens hem zou zijn voortgekomen wil distilleren uit wetenschap, kunst, geschiedenis en menselijk gedrag.

Aan de omzichtige formulering van het rapport, dat als losse bijlage is toegevoegd aan Mulisch' onlangs verschenen essaybundel Bij gelegenheid, is te zien hoe de jury een aantal oude klippen heeft willen omzeilen. Voorkomen moest worden dat Mulisch officiëel zou worden geprezen voor zijn wetenschappelijk werk, omdat dit zo omstreden is. Er mocht geen instemming worden betuigd met zijn holistische wereldbeeld. Maar de jury kon er ook niet aan voorbij gaan. Mulisch moest dus maar geprezen worden voor zijn streven zijn inzicht uit zo veel mogelijk bronnen te putten: wetenschap, kunst, geschiedenis en het menselijk gedrag.

Het is een weinig principiële, pragmatische oplossing in het geval van Mulisch. Als de nu 68-jarige schrijver ergens voor bekroond moet worden, is het zijn veelzijdig, samenhangend en verbeeldend schrijverschap en zijn grenzeloze nieuwsgierigheid. Voor de rest kan hij, als ieder mens, een beroep doen op zijn recht er een hoogstpersoonlijke interpretatie van de werkelijkheid op na te houden.

In een SLAA-lezing uit 1994, ook opgenomen in Bij gelegenheid, is te zien waar die interpretatie op neer komt. De lezing gaat - niet toevallig - over de verhouding tussen literatuur en wetenschap en Mulisch klinkt, zoals vaak, uiterst zelfverzekerd. Een voorganger op dit terrein wordt genadeloos afgebrand, omdat hij niets van natuurkunde zou weten, maar voor het zover is poneert Mulisch al zijn eigen stelling. Hij heeft gezocht naar parallellen tussen alfa en bèta-prestaties en is daarbij gestuit op een aantal coïncidenties die wijzen op het bestaan van een tijdgeest. In bepaalde perioden, aldus Mulisch, zijn op verschillende terreinen ontdekkingen gedaan die iets met elkaar te maken hebben, en er is eigenlijk nog geen onderzoeker die daar op gelet heeft: 'Het is de omgekeerde stand van zaken als bij de religie. Ofschoon het niet zeker is dat God bestaat, beschikken wij over een kolossaal theologisch corpus; maar terwijl het onloochenbaar is dat de Zeitgeist bestaat, beschikken wij - afgezien van Hegels Weltgeist - eigenlijk allen over een aantal beschouwingen in het kielzog van Bohrs complimentariteitsbeginsel, over Jungs Synchronizität als ein Prinzip akausaler Zusammenhänge, en bij ons in Nederland dan nog over de enigszins verbleekte 'metabletica' van J.H. van den Berg.'

Het citaat is typerend voor Mulisch' manier van essayistiek bedrijven. Beginnen met een paradox die zo extreem is dat hij onder zijn eigen gewicht dreigt te bezwijken, en dan even enkele zeer uiteenlopende persoonlijkheden als Bohr, Jung en Van den Berg (waar blijft Bolland?) op een hoop vegen. Maar tegelijk heeft het citaat iets grappig - alsof Mulisch zelf als eerste het megalomane en misschien ook wel absurde van zijn beweringen wil aangeven.

Laten we het er maar op houden dat Mulisch op zijn best is wanneer hij zich niet met wetenschap bezig houdt. Dat blijkt wel uit de andere stukken die in Bij gelegenheid zijn opgenomen. Behalve zijn lezing over de eenheid der alfa- en bètawetenschappen staan er nog veertien andere recente toespraken in, alsmede een tweetal korte voorwoorden bij boekuitgaven. Binnen het totale oeuvre van Mulisch zal het geen hoogtepunt zijn, maar vooral waar het over de autobiografische achtergrond van de romans en verhalen gaat, staat er weer genoeg in dat het waard is om bewaard te worden. Al was het maar om te zien in hoeverre je de citaten die je je herinnert ook goed herinnert. Over Hein Donner bijvoorbeeld, naar wiens hoofd de goden volgens Mulisch op 24 augustus 1983 'een stuk marmer' hebben gegooid. Of het citaat over de absurditeit van de etnische zuiveringen waarin Mulisch zegt: 'Een etnisch 'onzuiverder' Nederlander dan ik is bijkans niet denkbaar.'

Dat Mulisch het best in zijn element is op andere terreinen dan de wetenschap bleek al uit zijn in 1992 verschenen roman De ontdekking van de hemel waarin hij een buitengewoon fraai beeld van deze eeuw schetste en daarmee ook van zichzelf. In dit boek komt, zoals bekend, weliswaar veel wetenschap voor, maar het heeft daar vooral de functie van een verschijnsel, een metafoor. Het wetenschappelijk bedrijf dat wordt beschreven staat onder meer symbool voor het menselijk streven om vat te krijgen op de dode en levende natuur, wat in Mulisch' visie weer grote gevolgen heeft voor de moraal.

Dat dit zo is wordt nog eens duidelijk uit Mulisch en de wetenschap, een verzameling lezingen die vorig jaar op de Vrije Universiteit aan het boek werden gewijd. Filosofen, theologen, sociologen, fysici, neerlandici en een kunsthistoricus hebben toen, ieder op hun manier, laten zien wat ze in de roman hebben ontdekt en het eerste wat daarbij opvalt is dat het vooral alfa-wetenschappers zijn die goed met het boek uit de voeten kunnen. In de bundel komen twee natuurkundigen aan het woord, van wie er één tegelijkertijd ook nog theoloog en filosoof is, maar zelfs die blijkt zeer kritisch over Mulisch' kennis van de natuur- en sterrenkunde. Veel kritischer in ieder geval dan de zuivere filosofen en theologen die aan het boek hebben meegewerkt.

Hoe studieus Mulisch is waar het gaat om het gebruik van de bijbel, is onlangs minutieus uitgezocht door Peter Henk Steenhuis, die verbonden is aan het dagblad Trouw. Hij heeft in een klein, lezenswaardig boekje de verwijzingen naar de joodse en christelijke geschriften op een rij gezet. Samen met de VU-bundel en de essays van Mulisch zelf vormt het interessante kost voor wie De ontdekking van de hemel kent. Wanneer je de roman voor de eerste keer leest, heb je door de overvloed aan feiten en verwijzingen geen andere keus dan je te beperken tot de grote lijnen en de grote thema's. Maar wie het boek daarna opnieuw wil lezen, zal onvermijdelijk de vragen voelen opkomen die nu door Steenhuis en de heren aan de VU beantwoord zijn.

In een geprek met de 'praktische humanist' H. Kunneman, dat ook in deVU-bundel is opgenomen, zegt de socioloog A.C. Zijderveld dat hij boek van Mulisch niet als wetenschappelijke publikatie heeft bekeken, maar meer als een droom. Maar het kenmerk van dromen is nu juist dat ze ons vaak meer bezig houden dan de werkelijkheid - vooral wanneer ze raakvlakken met die werkelijheid hebben die we niet meteen op hun juiste waarde kunnen schatten.

Er breekt nog een gouden tijd aan voor het werk van Harry Mulisch.

UIT: HARRY MULISCH, BIJ GELEGENHEID.

Nederlands is net zo min mijn 'moedertaal' als Nederland mijn 'vaderland' is. Maar misschien dat juist die omstandigheid mijn gehoor heeft gescherpt voor het Nederlands en mijn blik voor het Nederlandse. Ik hoorde het en ik keek er naar vanuit iets anders, en toen ik begon te schrijven schreef ik zonder het zelf te beseffen vanuit dat andere, dat ik van huis uit heb meegekregen en dat overigens ook in zichzelf weer verdeeld was, en dat in elk geval niet voorkwam uit enige Nederlandse traditie, maar uit die van Middeneuropa. Sinds mijn tweede levensjaar, toen mijn vader werd genaturaliseerd, ben ik Nederlands staatsburger; maar ben ik daarmee ook een Nederlander geworden? Dat ben ik niet, want dat is onmogelijk. Men is Nederlander, Duitser, Fransman of Engelsman of men is het niet - 'worden' kan men het evenmin als een terriër een windhond kan worden.

    • Reinjan Mulder