Deurmat

Toen ik op een zondagochtend naar buiten wilde gaan lag er een man op de trap te slapen. Zijn hoofd lag op de bovenste trede. Dat iemand in zo'n houding kon slapen was eigenlijk een wonder. Hij droeg laarzen en een zwarte das. Hij was geen zwerver, maar waarschijnlijk een overblijfsel van het feestje van de Noorse bovenbuurvrouw. Zij geeft elke zaterdag feestjes. Ik ben er ook voor uitgenodigd, maar ik ga nooit. Toen ik de Noorse een keer tegenkwam zei ze, 'jij bent hier nieuw hè? Dan moet je eigenlijk ook een feestje geven.'

De man met de laarzen versperde de weg, maar het was pas negen uur en ik stapte voorzichtig over hem heen. Toen ik terugkwam lag hij er nog steeds.

Ik ken bijna niemand in dit gebouw. Ik weet dat beneden mij een Italiaan woont, maar die is er nooit. Wel hoorde ik altijd gemiauw uit zijn appartement komen als ik langsliep. Sinds kort is dat gemiauw verstomd. Ik ben er zeker van dat beneden mij een kat aan de hongersnood gestorven is. Maar ik ben hier nieuw en wil mij niet onmogelijk maken.

Toen ik om elf uur weer ging kijken lag de man er nog steeds. Wel was hij iets van plaats veranderd. Hij lag nu niet meer op de trap, maar voor mijn deur. Om preciezer te zijn, op mijn deurmat die ik een paar dagen daarvoor had gekocht. Het was de eerste keer in mijn leven dat ik een deurmat kocht.

Om twaalf uur lag hij er nog steeds. Ik fluisterde in zijn oor, 'opstaan, het is midden op de dag, kruip lekker in uw eigen bed, dat ligt veel beter dan mijn deurmat.'

Toen hij om één uur nog niet weg was belde ik de Noorse. Ik wilde haar zeggen: 'Eén van de gasten van uw feestje van gisteravond is op weg naar huis voor mijn deur in slaap gevallen en hij wil maar niet wakker worden.' Maar de Noorse nam niet op.

De enige ander die ik kon bellen was een oude dame die helemaal beneden woonde. Ik ben een keer bij haar binnen geweest. Ze woont in een soort museum.

'U spreekt met de bewoner van 4A, zei ik. 'Sorry dat ik u lastig val, maar er ligt een man voor mijn deur te slapen.' 'Die gaat wel weer weg,' zei de dame.

Misschien was het ook heel kinderachtig van mij. Wat had ik er voor last van dat een man op mijn deurmat lag te slapen?

Ik probeerde te lezen, maar het was verslavend. Om de tien minuten liep ik naar de deur om te kijken of hij er nog lag. Om ongeveer half drie merkte ik dat het nat was voor mijn deur. Ik ging naar buiten en zag dat de man in zijn slaap in zijn broek had geplast. Ik kon het ook ruiken.

Ik belde de Noorse op, kreeg weer het antwoordapparaat, maar dit keer sprak ik in. 'Goedemiddag, dit is de bewoner van 4A. Eén van de gasten van uw feestje heeft op mijn deurmat geplast en hij ligt er ook op te slapen. Ik begrijp dat dit niet uw probleem is, maar misschien kunt u mij bellen zodra u wakker bent.'

Toen haalde ik een flesje aftershave uit mijn badkamer en sprenkelde dat over de slapende man uit. Ik zou om vier uur gasten krijgen en ik schaamde me voor de urinelucht. Ook van de aftershave werd hij niet wakker. Het leek wel een soort coma.

Om vier uur stond ik buiten om mijn gasten op te wachten. Het ging om een meneer en een mevrouw op leeftijd. Ik kende ze niet erg goed.

'Komen jullie binnen,' zei ik. 'Ik moet jullie alleen even vertellen dat er een man voor mijn deur ligt te slapen. Maar daar hoeven we ons niets van aan te trekken. Als we de deur dicht doen merken we niets van hem.'

Ik zag hoe de man zijn wenkbrauwen optrok. 'Laten we maar naar een café gaan,' zei hij. Dat deden we. Ik kon me niet op het gesprek concentreren.

Toen ik een uur later terugkwam lag de man er nog steeds. Ondanks mijn aftershave rook het sterk naar urine. Om half zes was de Noorse nog altijd niet wakker en ik besloot de politie te bellen. 'Er ligt een man voor mijn deur te slapen,' zei ik, 'en ik heb het gevoel dat er misschien even een dokter naar hem moet kijken.'

'Bent u familie van de man?'

'Nee,' zei ik.

'Kent u hem persoonlijk?'

'Nou ja, hij ligt nu al tien uur voor mijn deur, maar persoonlijker niet.'

'Geeft u hem wat water te drinken en als hij er morgen nog ligt belt u ons dan weer.'

Ik vulde een glas met water en sprenkelde wat over het gezicht van de man. Ik durfde geen emmer water over zijn gezicht uit te gieten.

Omdat ik het thuis niet uithield ging ik naar de bioscoop. Toen ik terugkwam was de man verdwenen. Het glas water dat ik naast hem had neergezet was ook verdwenen. Wel rook het nog altijd naar urine.

De volgende dag belde ik aan bij de Noorse. 'Eén van uw gasten, een man met een zwarte das en laarzen, heeft gisteren op mijn deurmat geplast en er ook op geslapen.'

Ze keek me aan. 'Oh,' zei ze, 'dat is merkwaardig. Op mijn feestje waren geen mannen. Ik had alleen wat vriendinnen uitgenodigd. En die man heeft op je deurmat geplast zeg je?'

'Ja,' zei ik, 'je kan het nog ruiken.'

Ze liep naar beneden. Ik tilde de deurmat op en hield hem voor haar neus. 'Ik ruik niets,' zei ze.

'Ik heb hem natuurlijk uitgeboend,' zei ik. Maar het klonk een beetje zwakjes.