Dennenbossen verdringen schapenteelt in Nieuw Zeeland

In Nieuw Zeeland neemt de bosbouw snel in omvang toe. Met de aanplant van een snel groeiende soort denneboom kan worden voorzien in de groeiende vraag aan hout op de wereldmarkt.

Nieuw Zeeland is in de ban van een derde bosbouw boom deze eeuw. De 15.000 vierkante kilometer bosplantages van het land worden jaarlijks met 900 vierkante kilometer uitgebreid. De grasvelden van honderden economisch marginale schapenboerderijen worden met sparrebomen volgeplant, waardoor het landschap dramatisch verandert. Die effecten zijn zodanig dat de gemeente Hastings in het bestemmingsplan voor het buitengebied nieuwe bosbouwplantages aan regels wil binden. “Bosbouw leidt tot het verlies van de in ons landschap essentiële groengele en roombruine kleuren met onkarakteristiek donker en koude groen”, zo staat in het plan te lezen.

“Betreurenswaardige nonsens”, meent Ken Shirley, directeur van de New Zealand Forest Owners Association, een samenwerkingsverband van grote en kleine bosbouwbedrijven. “De kale heuvels waarover de landschapsarchitecten zo opgewonden raken, zijn grotendeels het resultaat van ernstige erosie en niet-duurzaam agrarisch gebruik. De regio was oorspronkelijk volledig bebost. De bomen komen nu weer terug, hoewel het nu niet om oerbossen maar om plantages gaat.” Shirley juicht de nieuwe bebossingsgolf in zijn land toe. “Het dunbevolkte Nieuw Zeeland met maar 3,5 miljoen inwoners ligt aan de rand van een vol en economisch zeer snel groeiend Azië. Met de toenemende druk om oerbossen in Azië vanwege milieuredenen te sparen, zijn de potenties voor de Nieuw-Zeelandse bosbouw zeer goed. De pinus radiata, waarop onze bosbouw is gebaseerd, groeit hier zeer snel en de plantages hebben een rotatie van slechts 25-30 jaar. De jaarlijkse groei van het houtvolume per hectare is meer dan twee keer zo groot als in de Verenigde Staten en acht keer zo groot als in Scandinavië”, zegt Shirley.

De jaarlijkse uitvoer van Nieuw-Zeelandse bosbouwprodukten heeft een waarde van ruim 2,5 miljard Nieuw-Zeelandse dollar (2,7 miljard gulden). Daarmee heeft de bosbouw bijna de leidinggevende positie van Nieuw- Zeelands belangrijke traditionele exportprodukten vlees (2,7 miljard Nieuw-Zeelandse dollar) en zuivel (2,8 miljard Nieuw-Zeelandse dollar) bijna geëvenaard. De uitvoer van houtprodukten vertegenwoordigt nu reeds een waarde die twee keer zo hoog is als de wolexport (1,3 miljard Nieuw-Zeelandse dollar). Bosbouw en verwante activiteiten zijn thans verantwoordelijk voor zeven procent van het bruto nationaal produkt en de verwachting is dat dit aandeel aanzienlijk zal stijgen.

De belangrijkste markten zijn Australië en Japan, die beide dertig procent van de waarde voor hun rekening nemen, gevolgd door Zuid-Korea (vijftien procent). Ook Taiwan, Indonesië en Hongkong zijn belangrijke markten voor Nieuw-Zeelandse houtprodukten. Een kwart van de waarde van de uitvoer komt voor rekening van boomstammen en palen, de rest is in de vorm van gezaagd hout, bouw- en verpakkingsmaterialen en krantenpapier.

De Nieuw-Zeelandse houtproduktie bedraagt overigens slechts een procent van de wereldwijde oogst en slechts vier procent van die van de grootste producent, de Verenigde Staten. In de toekomst zal de Nieuw-Zeelandse rol naar verwachting echter veel belangrijker worden. Wereldwijd bestaat slechts vier procent van de bosvoorraad uit plantagebossen, die - zoals in Nieuw Zeeland - voor houtproduktie zijn aangelegd. Vanwege korte rotaties en recente uitbreidingen van die plantages kan een verwachte snelle toename van de wereldhoutvraag deels door Nieuw Zeeland worden vervuld.

Buitenlandse investeringen in de bosbouw en houtverwerkende activiteiten nemen snel toe. Het Amerikaanse bedrijf International Paper heeft een meerderheidsbelang in Carter Holt Harvey, een bedrijf dat zich toelegt op bosbouw en papierproduktie. Het staatsbedrijf Forestry Corporation heeft een strategisch samenwerkingsverband met de Amerikaanse bosbouwgigant Weyerhaueser. Investeerders uit Japan, Maleisië en Indonesië hebben recentelijk ook belangen verworven in Nieuw-Zeelandse bossen en houtverwerkende bedrijven, een teken van toenemende verwevenheid van de Nieuw-Zeelandse en Aziatische economieën.

De Nieuw-Zeelandse bosbouwactiviteiten begonnen aan het eind van de vorige eeuw, toen grootschalige emigratie uit het moederland Groot-Brittannië leidde naar vraag naar landbouwgrond voor schapenteelt. De houtzagerijen gebruikten uitsluitend bomen uit de oerbossen, waaronder de harde kauriboom. Huizen, die vaak meer dan honderd jaar geleden met dat hout werden gebouwd, staan nog steeds overeind in de binnenstad van Auckland, waar ze met overgave worden gerestaureerd door yuppies die dicht bij hun werk in een karakteristiek optrekje willen wonen.

De vraag naar schapenboerderijen was zo groot, dat de zeer dichte Nieuw-Zeelandse oerbossen vaak niet eens werden gekapt, maar simpelweg werden afgebrand. Taming the bush, stond lange tijd centraal in de sterke verhalen van mannen in geïsoleerde streken. Daarvoor hadden de Maoribewoners, die 700 tot 1000 jaar voor de blanken naar Nieuw Zeeland waren gekomen ook al bossen afgebrand, maar dat gebeurde op veel kleinere schaal.

De oerbossen spelen in de huidige houtproduktie in Nieuw Zeeland, waar milieubesef wijdverbreid is, nauwelijks meer een rol. Ken Shirley: “Onze bosbouw is thans volledig gebaseerd op plantages. Minder dan een half procent van de Nieuw-Zeelandse houtproduktie is afkomstig van oerbossen. Na de felle protestacties in de jaren zeventig en tachtig hebben de regering en bosbouwbedrijven een akkoord gesloten met de milieugroepen, waarbij is afgesproken dat geen oerbossen meer gekapt zouden worden om door plantages te worden vervangen. De meeste oerbossen zijn nu beschermd in nationale parken of natuurreservaten. Hout van oerbossen die in particulier bezit zijn, wordt nu alleen nog gekapt, wanneer dat op een duurzame wijze mogelijk is. Bijna een kwart van het Nieuw-Zeelandse grondgebied bestaat nog uit oerbossen, terwijl slechts vijf procent wordt gebruikt voor bosplantages.”

De eerste bebossingsgolf vond plaats in de depressie van de jaren dertig toen legers werklozen door de staat werden ingezet om bossen te planten op de arme vulkanische grond midden op het Noordereiland. Van alle plantagebossen in het land bevindt zich een derde deel in de centrale Noordereilandregio. Het Kaingaroabos daar is het grootste plantagebos ter wereld. In de jaren zestig, toen werd gevreesd dat met de snelle economische ontwikkeling van Nieuw Zeeland de bestaande bossen de binnenlandse vraag niet aan zouden kunnen, vond een tweede bebossing-boom plaats.

De Nieuw-Zeelandse bosbouw werd lange tijd door de staat overheerst. In 1984 was de helft van de bosplantages nog in overheidshanden. De overheid was ook eigenaar van de grootste houtzagerij van het land. De economische revolutie die de Labourregering van premier David Lange en financiën-minister Roger Douglas in dat jaar begon, liet ook de bosbouw niet ongemoeid. Nu is de staat nog eigenaar van een vijfde deel van de bosplantages. Het lijkt erop dat ook dit deel spoedig zal worden geprivatiseerd. De conservatieve Nationale Partij van premier Jim Bolger, die thans de regeringsmacht in handen heeft, heeft geen bezwaren tegen de verkoop, terwijl ook de Labouroppositie zich pragmatisch opstelt.

Enkele kleinere partijen verzetten zich echter krachtig tegen de verkoop. Hun politieke rol wordt belangrijker vanwege een aanstaande wijziging in het kiessysteem. Nieuwzeelanders zullen vanaf volgend jaar hun parlement kiezen op basis van evenredige vertegenwoordiging in plaats van het huidige, op Britse leest geschoeide districtenstelsel. Opiniepeilingen geven aan dat meer dan 70 procent van de Nieuw-Zeelanders niet wil dat de resterende staatsbossen worden verkocht.

“Mijn eigen vader heeft in spartaanse omstandigheden geholpen de bossen te planten. Die werkloze mannen deden hun zware werk in zeer geïsoleerde gebieden van Nieuw Zeeland. We moeten die bossen behouden en er voor zorgen dat de winsten ervan niet naar het buitenland afvloeien”, aldus Keith Ridings, een parlementskandidaat voor de linkse Alliantie.

Er is ook een belangrijke complicatie bij de verkoop van de staatsbossen. Veel grond waarop deze bossen staan wordt geclaimd door Maoristammen, die menen dat de staat die grond in het verleden onrechtmatig heeft verworven. Die claims zullen worden gehoord door het zogenaamde Waitangi Tribunaal. De Maori's claimen hun recht op de bossen vanwege bepalingen in het Verdrag van Waitangi, een uit 1840 daterende overeenkomst waarin Maori-stamhoofden de soevereiniteit overdroegen aan de Britse Kroon in ruil voor garanties op grondbezit, bezit van natuurlijke hulpbronnen en gebruik van visgronden. De claims van de autochtone bewoners op grond van dat verdrag worden nu door de regering serieus genomen. Onlangs tekende koningin Elizabeth, als staatshoofd van Nieuw Zeeland, zelfs een wet waardoor een Maoristam grond terugkreeg en waarin de Kroon excuses aanbood voor het schenden van de verdragsbepalingen.

Vanwege de mogelijke claims worden de staatsbossen niet volledig verkocht, maar uitsluitend de kaprechten voor een periode van 55 jaar. Indien de Maori's de grond inderdaad terugkrijgen, kunnen ze na deze periode een nieuwe kapovereenkomst sluiten. “Ik heb de indruk dat de Maori's zeer tevreden zijn met de plannen van de regering, hoewel niemand van hen officieel iets zegt. Hun leiders willen meer zeggenschap over wat er met de bossen gebeurt en het lijkt erop dat de regering bereid is ze daarin tegemoet te komen. Wat buitenlandse investeerders betreft, is de situatie van het eigendom van de bossen wellicht ongebruikelijk, maar ik geloof niet dat het echt een struikelblok zal zijn”, zegt Patrick Aldwell, een econoom van het New Zealand Forest Research Institute.

“Er is geen enkele reden voor de overheid om zelf bossen te exploiteren”, meent Ken Shirley. “Er is dan altijd een risico van politieke bemoeienis, die het commercieel functioneren van de bosbouw in de weg staat. In het verleden zijn de resultaten van de overheid als bosexploitant ook niet erg imponerend geweest. Je moet bosbouw gewoon zien als een boerenbedrijf, met als enig verschil een langere rotatie voor het produkt. Je vindt niemand in Nieuw Zeeland die zegt dat de overheid de schapenteelt in handen zou moeten hebben. Hoewel de bosbouw overigens door een relatief gering aantal bedrijven wordt beheerst, is er een recente toename van kleine bosbezitters, vooral boeren. Dat is een goede zaak, het resulteert in een groter aantal Nieuw-Zeelanders dat een belang in de bosbouw heeft”, aldus Shirley die ook enige tijd Labourparlementslid was.

Volgens Aldwell is het volstrekt onjuist te beweren dat de kansen op meer investeringen in de downstream verwerking van Nieuw-Zeelands hout in het land zelf groter zouden zijn, wanneer de bossen in Nieuw-Zeelands eigendom zouden blijven. “De laatste jaren is hier bijvoorbeeld door Japanse en Amerikaanse bedrijven op grote schaal geïnvesteerd in houtzagerijen en fabrieken waar houtcomponenten voor de bouwmarkt worden gemaakt. Internationalisering geeft ook voordelen bij kennisoverdracht en het aanboren van nieuwe markten. Verder zijn de investeringen die nodig zijn om de potenties van de Nieuw-Zeelandse bosbouw te verwezenlijken zo groot, dat het twijfelachtig is of die met binnenlands kapitaal kunnen worden gefinancierd.”

Een derde deel van de bosproduktie wordt thans als onverwerkte boomstammen afgevoerd. Dat gebrek aan toegevoerde waarde leidde tot uitspraken dat elk schip dat uit Nieuw Zeeland met boomstammen vertrekt, het verlies van tientallen banen betekent. Kin Shirley: “Dat is erg simpel geredeneerd. Bij het opzetten van verwerkingscapaciteit worden ook grote risico's genomen. Het is volgens mij een goede zaak een product mix te hebben, waarbij een deel van de produkten onverwerkt vertrekt. Het aandeel daarvan blijft overigens gelijk, ondanks het feit dat de totale houtproduktie snel stijgt.”

Er worden overigens wel enige kanttekeningen gezet bij het grote enthousiasme voor nieuwe plantages. De groeicyclus mag dan zeer snel zijn, maar of met de bomen het land de economische hemel zal raken, is nog maar de vraag. “Overal ter wereld plant men tegenwoordig bomen op grond die nergens anders voor nodig is. Het is het gemakkelijkste wat er is. Ik waarschuw potentiële investeerders die denken dat vanwege een voorspeld wereldwijd tekort aan hout de investeringen in de bosbouw zeer grote dividenden zullen opbrengen”, aldus directeur Wayne Coffey van de New Zealand Timber Industry Federation.

Ken Shirley beaamt de roep om voorzichtigheid. “Hoewel er toenemende druk zal zijn om de tropische oerbossen te beschermen, komt nog driekwart van de houtproduktie uit gematigde streken. Overal, van Australië, Noord-Amerika, West-Europa tot en met landen als de Oekraine en Hongarije worden in de gematigde klimaatzones grote gebieden met bossen beplant. Wij hebben echter een voordeel vergeleken met deze landen, omdat onze bossen veel produktiever zijn.” Patrick Aldwell meent dat er een aantal voorwaarden is waaraan Nieuw Zeeland moet voldoen om de beloften van de bosbouw om te zetten in economisch succes. “We moeten onze kosten beheersen en blijven doorgaan met kwalitatieve verbeteringen. Onze grote afstand tot afnemers zal altijd een nadeel blijven. De binnenlandse markt, die thans goed is voor een derde van de houtproduktie, zal in de komende jaren nauwelijks groeien. Dat betekent dat in de komende tien jaar onze uitvoer drie keer zo groot zou kunnen zijn. Er is hier nog zo veel land beschikbaar voor bosbouw, dat we onze plantages nog wel zouden kunnen verdubbelen. Het aandeel van Nieuw-Zeelands hout op de wereldmarkt is zo klein, dat dat daarop nauwelijks een effect zou hebben.” Volgens Aldwell is het ook dringend noodzakelijk dat Nieuw Zeeland het imago van pinus radiata, dat zo'n 90 procent van de plantages uitmaakt, in Azië gaat verbeteren: “Pinus radiata wordt daar gezien als een tweederangs houtsoort, die vooral geschikt is voor verpakkingsmateriaal. In Japan noemen ze pinus radiata 'ijzerhout', omdat het zo hard is. Vaak wordt het daar op een verkeerde wijze gedroogd, waardoor het hars het hout zo hard maakt dat je er inderdaad geen spijker meer in krijgt.” Pinus radiata is oorspronkelijk afkomstig uit Californië. Vanaf de jaren dertig zijn de Nieuw-Zeelandse plantages gebaseerd op deze houtsoort, die in Nieuw Zeeland sneller groeit dan waar ook. Patrick Aldwell: “Via genetische manipulatie is deze boom ook zeer veel verbeterd. Hij is resistenter tegen ziektes en groeit nu rechter en sneller dan vroeger. Op de juiste manier gebruikt is pinus radiata een zeer geschikt bouwmateriaal. Hier op het Forest Research Institute wordt zeer veel onderzoek gedaan naar nieuwe toepassingen van pinus radiata. Wij weten hier heel veel van dat hout. Het gaat erom met die kennis nieuwe afzetmogelijkheden te scheppen.”De kostenbeheersing is ook belangrijk, omdat hout ook door niet-organische materialen kan worden vervangen. Aldwell: “Dat zagen we in 1993, toen de wereldhoutprijzen door het plafond schoten. In Nieuw Zeeland werd toen bijvoorbeeld in de bouw veel meer staal gebruikt dan normaal. Ook elders in de wereld is hout vervangbaar door concurrerende bouwmaterialen.”

Ken Shirley erkent de noodzaak van kostenbeheersing. “Door de economische herstructurering in ons land kunnen we echter veel concurrerender werken dan vroeger. Door onze arbeidscontractenwetgeving, met de mogelijkheid van individuele in plaats van collectieve arbeidsovereenkomsten, is er meer flexibiliteit op de arbeidsmarkt. De hervormingen in de havens hebben ervoor gezorgd dat we ook daar veel beter kunnen concurreren.” Een ander knelpunt is duidelijk nog niet opgeheven. Het doorgaande wegenstelsel van het land is niet berekend op de enorme toename in het vrachtverkeer dat de bosbouwactiviteiten met zich meebrengen. Geschat wordt dat de haven van Tauranga, dat met het achterland van het centrale Noordereiland het belangrijkste houtuitvoerpunt van het land is, jaarlijks 36.000 vrachtwagens met houtprodukten aantrekt. In de toekomst zal dat aantal nog belangrijk toenemen. Het bochtige tweebaanswegennet in Tauranga's achterland is daarop niet berekend. Het rijden tussen de enorme vrachtwagenmonsters in een passagiersauto is nu al een beangstigende ervaring.

“Er moet drastisch in het wegennet worden geïnvesteerd en we zijn samen met de overheid aan het bekijken hoe we dat het beste kunnen doen”, zegt Ken Shirley. Vervoer per spoor is een mogelijkheid, maar sinds New Zealand Rail is verkocht aan het Amerikaanse bedrijf Wisconsin Rail, is het gedaan met elke vorm van subsidies voor railvervoer. Omdat wegvervoer goedkoper was, werd onlangs besloten tot de sluiting van de spoorlijn tussen Murupara, aan de rand van het Kaingaroabos en de papierfabriek in Kawerau, 60 kilometer verderop. Sindsdien denderen grote vrachtauto's met enorme boomstammen over bochtige wegen en door kleine nederzettingen.