De verschrikkelijke vrees van de apostel; Bezoek aan het Patmos van Johannes de evangelist

Dit jaar is het precies 1900 jaar geleden dat Johannes de evangelist op Patmos zijn apocalyptische visioenen te boek stelde. Al sinds de tiende eeuw staat er op die plaats een klooster, door de monnik Christódoulos gesticht naast de grot waar Johannes sliep en mediteerde. Een bezoek aan Patmos, de grot en het klooster. “ 'Daar', zegt de man, 'rustte Johannes zijn hoofd'.”

Een enorme lichtflits en vrijwel tegelijkertijd een donderslag alsof alles uit elkaar knalt. “En er werd iets als een grote berg, brandend van vuur, in zee geworpen”. Ik ben wakker. Dit is Patmos, het eiland waar Johannes verbleef, 'uw broeder en deelgenoot in de verdrukking', en waar hij de visioenen kreeg die in de Openbaring beschreven staan.

Patmos ligt er in december bij zoals de kerk het graag heeft. Verlaten, ingetogen, ruw. Heel geschikt voor een bedevaartsoord. Patmos is een heilig eiland. 'verwacht niet er de luxe en het comfort van een moderne stad te vinden,' schrijft de archimandriet Theodoritis aan de bezoekers die door hem met 'pelgrim' worden aangesproken. De archimandriet schreef zijn boodschap in 1968 toen het eiland wellicht nog iets meer vergeestelijkt was dan nu. 's Zomers is er al jaren niets heiligs meer aan: toeristen snorren er de hele dag op brommertjes in het rond, van strand tot strand, gillend en joelend en muziekmakend. Het discoverbod dat jarenlang vanwege het heilige karakter van het eiland van kracht was, heeft het uiteindelijk toch niet gehouden: nachtenlang wordt er in Skala, de havenplaats, goddeloos gedanst, geflirt en gedronken.

In het hoog gelegen echte stadje, Chora, is het veel stiller. Daar staat het burchtachtige Johannietenklooster dat van over het hele eiland te zien is, steeds weer de grijs met witte kantelen die onveroverbaar in de zon blinken. Vanzelfsprekend hebben zich ook daar souvenirwinkels, terrassen met zonsondergang-views en 'real old' taverna's gevestigd, maar een heksenketel wordt het er toch nooit. Het ligt te hoog, te ver, het ademt er te veel strengheid en wat valt er te dansen in een klooster?

In december keren de oude tijden echter terug. De taverna's zijn dicht, er is geen mens te zien. De regen ruist naar beneden op de rotsen, de bruinige velden, de kale vijgebomen. Een boer loopt met zijn eg achter twee ezels een stenige akker om te ploegen. “De apocalyps is tot elf uur open,” zegt de mevrouw van het enig geopende hotel nadat zij even naar boven getelefoneerd heeft.

Bedevaarten

Volgens de Grieks orthodoxe kerk (en trouwens ook volgens veel westerse schriftgeleerden en bijbelvorsers) is het dit jaar precies 1900 jaar geleden dat de apostel Johannes in een grot op Patmos zijn apocalyptische visioenen te boek stelde, of, dit is een verhaal dat de westerse kerk niet overgenomen heeft, dicteerde aan zijn leerling Prochoros. In Griekenland is dit herdenkingsjaar gevierd met een speciale postzegel, talloze bedevaarten en grote feesten op Patmos in september waar allerlei kerkelijke hoogwaardigheidsbekleders bij aanwezig waren.

De grot waar het gebeurde is er nog steeds. Men zegt, en waarom zou het niet waar zijn, dat de eerste door Johannes bekeerde christenen op het eiland na zijn vertrek die plek als gebedsplaats zijn blijven bezoeken en vereren. Toen in de tiende eeuw de monnik Christódoulos op Patmos kwam en er het klooster stichtte, trof hij in de grot al een klein altaar. Op zijn aanwijzingen werd er op die plek begonnen met de bouw van een kerk, de kerk van de Heilige Anna, die aan de grot vastgemaakt zou worden. Die kerk staat er nog, zij het dat er veel aan veranderd is. Om de kerk van de heilige Anna heen werden later kappelletjes gebouwd voor Sint Nikolaos en voor Sint Artemios, en ook zijn er kloostercellen en -verblijven toegevoegd.

Wie verwacht door het struikgewas heen in een spleet in een rotswand te kunnen verdwijnen om daar de Heilige Plek te zien, komt dus bedrogen uit. Het mooie oude en goed onderhouden voetpad dat van de Skala naar de Chora omhoogslingert (er is ook gewoon een geasfalteerde weg voor de meer gemotoriseerde pelgrim) voert langs het klooster van de Apocalyps, dat wil zeggen langs een groot hek met daarachter parkeerplaatsen en dwaze tuinaanleg, alles in modern, witgeschilderd beton. Met geheven paraplu op de ingang toedravend zie ik mij de doorgang versperd door een monnik met een ellenlange baard. Hij doet een stap opzij zodat ik het allerliefst met plantjes uitgedoste ontvangsthalletje in kan waar het adembenemend naar knoflook en uien ruikt.

“Regen, regen,” mompelt de oude man hoofdschuddend en maakt een vaag gebaar dat opgevat kan worden als een richtingaanduiding. De bezoeker moet door een andere deur weer naar buiten en talloze witgekalkte trappetjes af, langs de twee kapellen en de klokketoren, tot voor de ingang van de kerk van de Heilige Anna. Boven de deur is een mozaïek ingemetseld waarop Johannes en zijn ijverig schrijvende leerling Prochoros te zien zijn - Johannes staat voor een grot waarin Prochoros aan een bureautje met een inktpot zit. Boven de ingang staat geschreven: “Welk een angstaanjagende plaats is dit”.

Het verhaal wil dat Johannes, 'de discipel dien Jezus liefhad', na de dood van Christus Jeruzalem verliet om te gaan prediken. Na vele omzwervingen (volgens sommige legendes zou hij in Rome geweest zijn waar hij in een vat kokende olie gegooid werd en er ongedeerd weer uitklom) kwam hij terecht in Klein Azië, in Efeze. Een poos lang vierde de nieuwe leer ongehinderd triomfen, maar onder het bewind van de Romeinse keizer Domitianus (81-96 na Chr.) werden de christenen streng vervolgd en Johannes werd naar Patmos verbannen.

Boottocht

Over zijn verblijf op Patmos bestaat een apocrief boek uit de vijfde of zesde eeuw, dat geschreven heet te zijn door Prochoros, de discipel van Johannes. Hoe de datering van het manuscript (dat in de bibliotheek van het klooster op Patmos bewaard wordt) zich laat rijmen met de bewering van de schrijver zelf dat hij overal met zijn neus bovenop heeft gestaan is onduidelijk - wellicht neemt de kerk gemakshalve een ouder, maar verloren geraakt manuscript aan. Ach, er klopt zoveel niet en historische juistheid is niet bepaald de sterkste kant van de bijbel. De eeuwen die liggen tussen het ooggetuige verslag van Prochoros en de door hem waargenomen gebeurtenissen zijn nog een klein wonder vergeleken bij wát hij dan zoal heeft waargenomen. Alleen al het verhaal van de boottocht van Efeze naar Patmos is de moeite waard.

Johannes en zijn metgezellen lagen vastgebonden te mediteren in de buik van het schip toen er een vreselijke storm opstak. Plotseling sloeg de zoon van een van de andere opvarenden (allemaal heidenen in dienst van de Romeinen) overboord. Luid gejammer en geweeklaag, maar Johannes vertrok geen spier en bad kalm verder. “Kan het u helemaal niet schelen dat die jongen in zee is gevallen?” vroeg men hem verontwaardigd. “Kunt u hem niet helpen?” Johannes zag natuurlijk een mooie bekeringskans en antwoordde: “Kunnen de goden waarin jullie geloven hem dan niet helpen?”. Nee, die goden deden niks. Waarop Johannes zich tot God richtte en de jongen levend en wel uit zee tevoorschijn toverde. Meteen waren alle heidenen aan boord bekeerd, de storm ging liggen, biddend en psalmodiërend voer men de haven van Patmos binnen. Waar bovenop de heuvel waar nu het klooster staat, een Artemistempel lag te blikkeren in de zon.

Op Patmos ging Johannes geregeld bidden en mediteren in een grot, halverwege de haven en de akropolis. Althans, zo wil het de overlevering, in de Openbaring staat dat niet. In die grot overkwam hem het volgende: “Ik kwam in vervoering des geestes op den dag des Heren, en ik hoorde achter mij een luide stem als van een bazuin, zeggende: “Hetgeen gij ziet, schrijf dat in een boek (-) En ik keerde mij om teneinde de stem te zien die met mij sprak.” Temidden van zeven kandelaars ziet hij iemand 'als eens mensen zoon' prachtig gekleed, met haar 'wit als witte wol, als sneeuw', met ogen 'als een vuurvlam', uit de mond een tweesnijdend zwaard “en zijn stem was als een geluid van vele wateren”.

Heilige ikonen

Met zijn jack over zijn hoofd getrokken tegen de regen komt de jongeman met de sleutel van de Heilige Annakerk op sportschoenen de trappen afrennen. Binnen ontsteekt hij licht, kust de heilige ikonen en wacht af.

Dit is dus de plaats van de verschrikkelijke vrees die Johannes beving: “En toen ik Hem zag viel ik als dood voor zijn voeten.” Het valt niet tegen. Aan de rechterzijde van de kerk stuit het plafond op de rots en gaan de muren over in de wanden van de grot. De kerk is voor de oorspronkelijke ingang gebouwd, maar niets van de kerk is ín de grot gebouwd. De grot is nog volledig grot. Wel is er een voorhang voor een nog heiliger gedeelte gemaakt, er hangen ikonen en een klein hekje omsluit de plaats waar laag boven de grond een uitholling in de rots zit. Er is een koperen halfcirkeltje boven geschroefd, als een aureool. “Daar,” zegt de man, “rustte Johannes zijn hoofd.”

Ook waar de stem voor het eerst geklonken heeft weet hij precies: hier, wijst hij. “Hier zie je in de rots namelijk een groef, zie je, en die splitst zich in drieën - dat symboliseert de Heilige Drieëenheid.” Hij zegt het met een overtuiging alsof hij een microfoontje kan zien zitten waardoor het 'geluid van vele wateren' de grot in moet zijn gestroomd. Wat hij vertelt is boven elke twijfel verheven. Hij zou op precies dezelfde manier kunnen spreken over hoe hij zijn eigen huis verbouwde (“en dan zat hier vroeger de keuken, dat kun je nog zien aan dat afvoerkanaaltje”). De gleuf in de rots die Johannes tot steun voor zijn hand diende als hij zich oprichtte na het bidden, het Maltezer kruis op de muur dat door Johannes zelf is geschilderd, het gedeelte van de grot waar door God in een soort schrijftafel voorzien is - alles spreekt hier klare taal. “Johannes zag de visioenen en hij dicteerde ze dan hier aan Prochoros, laten we zeggen zoals wij televisie kijken en dan aan iemand vertellen wat we gezien hebben.”

Het is hoe dan ook een indrukwekkende plek, deze grot. Zoveel eeuwen steeds weer bezocht door allerlei mensen, pas bekeerde Romeinen en boeren van Patmos, uit het buitenland aangereisde middeleeuwse gelovigen, vroeg renaissancistische bezoekers van het nog jonge klooster, oude in het zwart geklede vrouwen van andere eilanden - allemaal hebben ze hier geknield, gebeden, iets overdacht of iets ervaren, omdat ze zich hier op een heilige plek voelden. Op de muur in het onbetreedbare heiligste der heiligen is in de elfde eeuw een muurschildering gemaakt, die nu niet alleen sterk is verbleekt, maar ook nogal beschadigd: ook in vroeger eeuwen vonden pelgrims het aardig om hun naam in een rotswand te krassen.

De gids stelt inmiddels zelf maar eens een vraag. “Wat schrijven jullie kranten nu over Papandreou? Vinden ze hem een goed politicus of vinden ze Mitsotakis beter?” Hij stort zich met overgave in klaagzangen over de belastingen die alleen 'arme mensen zoals jij en ik' moeten betalen terwijl de rijken met hun hotels met honderden bedden ongemoeid worden gelaten - slechts met de grootste moeite is hij ertoe te brengen om te vertellen wat er in het geheimzinnige gouden kistje zit dat zeer heilig staat te zijn op een tafeltje. De schedel van de Heilige Artemios.

Evangelie

Moderne bijbelgeleerden hebben heel wat minder zekerheden dan de Papandreou-hater uit de grot. Zij weten niet wie het evangelie van Johannes geschreven heeft, noch wie de auteur is van de drie zendbrieven van Johannes, noch wie de Johannes was die naar eigen zeggen de Openbaring schreef. Wel zijn ze het er vrijwel over eens - in deze wetenschap bestaat veel onenigheid omdat wat men graag zou willen geloven niet altijd in overeenstemming te brengen is met wat men met zekerheid vast kan stellen - dat de auteur van het evangelie niet dezelfde is als de auteur van de Openbaring. Het Grieks waarin de twee boeken geschreven zijn verschilt daarvoor te sterk. De meesten achten het aannemelijk dat de Johannes die de Openbaring schreef een of andere zwervende presbyter uit Efeze was en niet de evangelist. Maar omdat het zo verleidelijk is om de speciale geliefde discipel te vereenzelvigen met de Johannes van de Openbaring gebeurt dat toch vaak, ondanks de wetenschap.

Wat zou het ook niet mooi zijn als het werkelijk de oude Johannes was, 'de theoloog' zoals hij in de orthodoxe kerk genoemd wordt, die ruim 1900 jaar geleden voet aan wal zette op Patmos, waar behalve een aantal Romeinen mensen woonden die in allerhande goden geloofden.

Door de christelijke schilderkunst uit latere eeuwen neemt de voorstelling van de wereld van de eerste christenen al gauw de gedaante aan van iets op zijn allervroegst middeleeuws. Maar zo zag het er natuurlijk niet uit. De wereld om de verbannen Johannes heen had de kleur en het licht en het voorkomen van de antieke Griekse wereld, met zuilen, amforen, grote beelden. Het was wellicht voor de brede marmeren trappen van een tempel, aangestaard door een reusachtige Apollo, dat hij zijn verhaal over Christus en de liefde Gods vertelde, en pal voor zo'n tempel ook dat hij zijn afschuw van idolatrie uitsprak en het gebod herhaalde dat men geen andere goden zou liefhebben dan de god die hij nu bezig was te importeren. Geen wonder dat de zogenaamde heidenen, die toch deel uitmaakten van een behoorlijk ontwikkelde beschaving, niet altijd even gevoelig waren voor de christelijke boodschap en soms zelfs in woede ontstaken. Ook Johannes had het niet steeds even makkelijk, hij werd door woedende Patmioten afgetuigd. Uiteindelijk veranderde hij een valse Artemis-priester in een steenklomp 'die zelfs vandaag nog in de diepte van de zee gezien kan worden,' zo verzekert ons de handleiding voor de Patmos-pelgrim, en daarmee was het pleit beslecht. Toen hij vertrok werd hij door een huilende christelijke bevolking uitgeleide gedaan.

“Nu, lieve pelgrims, op onze weg naar buiten uit de angstaanjagende Heilige Grot, laat ons even stoppen in de kleine buitenhof en enig zelfonderzoek doen. Wat was werkelijk onze ervaring en hoeveel heilig ontzag en devotie hebben we gevoeld toen we in deze door God uitgehakte grot waren?” Dat zijn vragen die niet elke pelgrim zo makkelijk kan beantwoorden. Ontzag voor de geschiedenis van de plek ja, maar of dat heilig was?

Wandelend over het heuvelige, eigenlijk nogal goeiige Patmos vraagt men zich af hoe nu juist dit eiland Johannes tot zijn angstaanjagende visioenen en profetieën kon inspireren. Het is er zo rustig, met niets vervaarlijkers dan een blaffende hond, alsof de beloofde tijd van vrede hier al lang aangebroken is. Vanaf het klooster uitkijkend over de wijde zee en de eilanden in de verte denk ik met ongeloof aan de rampen en stormen die ons te wachten zouden staan: “en alle eilanden vluchten weg en bergen werden niet meer gevonden”. Op het strand ligt een bootje genaamd Theologia, in het café wordt de rekening geserveerd in een borrelgaasje waarop staat: 'Patmos - Apokalyps 95-1995'. Nergens een gruwelijke sprinkhaan, of een grote hagelsteen. Maar de volgende dag is het anders. Een orkaanachtige storm blaast over zee. Het schip terug naar Pireaus bonkt en stuitert angstaanjagend over de golven. Was Johannes er maar om kalm te bidden. En om eventueel, als de nood aan de man zou komen, een klein wondertje te doen.