De resultante van ons samenzijn; De dichtende Boudewijn Büch maakt zich los van Achterberg

Boudewijn Büch: Verzamelde gedichten. Samenst. Ernst Braches. Uitg. Atlas. 344 blz. Prijs ƒ 49,90.

Er moet hard gevloekt zijn, of hevig geweend, of beide, onlangs, in huize Büch. En nog meer in huize Braches. De verzamelde gedichten van Büch waren al gedrukt toen het oog van tekstbezorger Braches viel op een zetfout - en nog wel in de allereerste regel van het allereerste gedicht. Er zat niets anders op dan in alle exemplaren een klein erratumkaartje te steken waarop Braches berouwvol melding maakt van 'zijn ernstige zetfout'. Het blundertje is extra pikant omdat Büch zijn verzen sinds 1985 uitsluitend publiceert in kleine oplagen bij bibliofiele drukkers, waar ze alle aandacht en liefde krijgen. Die beslissing was ingegeven door het 'droeve en zwakzinnige niveau' van de vaderlandse poëziekritiek, waaraan hij zich niet langer vrijwillig wilde onderwerpen. Net nu hij blijkbaar heeft besloten dat het gewone publiek en de zwakzinnige kritiek weer mag meelezen (de uitgave vermeldt niet waarom), gaat het mis - en nog wel in de eerste regel van het eerste gedicht.

Alle poëzie van Büch is hier te vinden: van de eerste gedichten (uit 1964) in de schoolkrant van het St. Bonaventura Lyceum in Leiden tot en met enkele nog nooit eerder in druk verschenen verzen die dit jaar zijn ontstaan. De vijf reguliere bundels uit de jaren 1976-1985 zijn er in opgenomen, maar ook alle gedichten uit marginale uitgaafjes, en bovendien een bloemlezing uit zijn tot nu toe ongepubliceerde jeugdverzen. In totaal gaat het om ruim vierhonderd gedichten die door Braches van zeer uitgebreide aantekeningen (vooral de drukgeschiedenis betreffende) zijn voorzien.

Wie ze allemaal leest, kan zich beide reacties, die van de kritiek en die van Büch, goed voorstellen. Een erg bijzondere dichter is Büch niet, zeker niet tot aan 1985, maar tegelijk is ook wel duidelijk dat hij een hoogst gevoelige dichter is die uit alle macht probeert grote gevoelens te bezweren. Het gaat om dood, veel dood, afscheid, onbeantwoorde liefde, eenzaamheid, meestal vormgegeven in een zoektocht naar het verdwenen kind, de dode jongen, de onbereikbare androgyne geliefde - tevens een zoektocht naar zichzelf. Soms gaat dat in vaag-romantische termen: 'Ontroostbaar zong ik de wijn toe in betraande duisternis'. Maar vaker gaat hij volgens een methode te werk: 'Ik wil alles op de dood berijmen' is een treffend citaat. Hij is op zoek naar een 'formule die de Jongen terugroept uit het dode rijm'. Termen uit fotografie, handel, natuur-, schei- en wiskunde moeten daarbij helpen: 'Dit is de resultante van ons samenzijn'. Zo komen we vanzelf bij de naam van de dichter die in alle stukken over Büch niet ongenoemd kan blijven: Gerrit Achterberg. Door diens methode en syntaxis is hij wel heel erg beïnvloed, zonder dat hij ze zich eigen heeft kunnen maken, zodat vaak de indruk van namaak overblijft: melancholie en pathetiek, overgoten met Achterbergsaus. 'Het falen van de avond ligt in dood hersteld uiteen.'

Büch zal het wel weer zwakzinnige kritiek vinden, maar curieus genoeg is hij beter geworden sinds hij ondergronds is gegaan. Hij is minder, maar compacter gaan schrijven. Nog altijd zijn zijn verzen zwaar aangezet, maar daar staat nu toch een min of meer eigen toon tegenover: meer relativering, berusting en ironie, in een strakkere vormgeving; minder pathos, meer anekdote; minder ego, meer socio. Nog weer eens anders gezegd: meer invloed van Reve en Komrij - en minder van Achterberg. Vooral om de laatste vijftig gedichten, geschreven tussen 1985 en nu, en nog niet eerder 'in het openbaar' verschenen, is deze uitgave de moeite waard. Wie de eerste driehonderd gedichten overslaat en even voorbijgaat aan de wel erg omslachtige aantekeningen (170 bladzijden) houdt een mooie bundel over: Büchs zesde, zijn eerste in tien jaar, beter dan alle vorige bij elkaar.