De lofzang klimt uit Sions zalen; De traditie van psalmen zingen op hele noten

De psalmmelodieën staan officieel ritmisch genoteerd, maar al eeuwen vormt ritmisch zingen in de kerk een probleem. Vandaar dat men in de Oude Kerk in Putten nog altijd zingt 'op hele noten', of zoals het tegenwoordig heet: iso-ritmisch. Dominee Kasper Jansen: “In Putten zeggen ze: het begint met ritmisch zingen en het eindigt met hupsakee en tralala.”

Herman S.J. Zandt: Organisten, orgelspel en kerkzang binnen het Nederlandse Calvinisme. Uitg. Profiel, Bedum, 1995. 623 pagina's. ƒ 195,-

De HEER is groot; elk zing' Zijn lof In Salems stad en tempelhof, Waar onze God, bij zuiv're tonen Op Zijnen heil'gen berg wil wonen

Om kwart voor zeven 's avonds is er een massale opkomst voor de derde dienst op deze zondag in de Oude Kerk in Putten. De gaanderijen boven zijn nu wel leeg, maar beneden zijn alle kerkbanken vrijwel tot op de laatste plaats gevuld met zeker duizend gelovigen. Wie hier vlak voor de dienst binnentreedt is eigenlijk veel te laat. In de kerk hangt merkbaar al langdurig een beladen stilte. In een hoek is toch nog een plaats vrij. Dat lijkt bijna vanzelfsprekend: mijn vader en mijn grootvader kerkten hier immers ook.

Putten is binnen de Hervormde Kerk een 'zware' Gereformeerde-Bondsgemeente. Het geloof leeft hier al lang - het oudste deel van de Oude Kerk stamt uit de 14de eeuw - en is nog steeds sterk. Het kerkvolk bestaat lang niet alleen uit ouderen, er zijn ook tal van veertigers en veel jongelui. De kleding is donker. De vrouwen dragen een hoed, veel meisjes ook. Hier worden nog ouderwetse sterke pepermunten doorgegeven, al zie ik ook een rol Mentos rondgaan. Net als vroeger staan de ouderlingen terzijde van de preekstoel ootmoedig op, als dominee Van de Bas op de 17de-eeuwse kansel voorbidt.

We zingen Psalm 48 in de berijming uit 1773. In het psalmboekje waaruit de gemeente zingt staan de noten boven de tekst - halve noten en kwartnoten. Toch trekt niemand in de kerk zich daar iets van aan. De noten worden niet-ritmisch gezongen - ze klinken alle even lang, zodat de psalm zich gedragen voortsleept.

De frase 'De HEER is groot', waarin twee halve en twee kwart noten staan genoteerd, wordt zo al flink uitgerekt. Aan het eind van het eerste vers hebben naast de 34 halve noten ook de 46 kwartnoten geklonken als halve. Opmerkelijk is de ijzeren regelmaat waarmee hier wordt gezongen: alle noten klinken inderdaad precies even lang. De organist houdt de laatste noot van elke regel wat langer aan, maar de Putters volharden met grote gestrengheid in hun verbazend rigide zangstijl.

Waarom zingt men hier niet de ritmisch genoteerde muziek? Die is toch zeker geen nieuwlichterij, want de psalmbundel waaruit men zingt, werd al 222 jaar geleden als 'authentiek' aanbevolen door een commissie van negen predikanten, onder leiding van dominee A. van den Berg uit Barneveld.

Op het orgel van de Puttense kerk speelt Kasper Jansen, een neef van mij. Bij hem thuis spreken we later over de discrepantie tussen de notenbalken in het psalmboekje en het zingen van de gemeente. “Officieel staan de psalmmelodieën natuurlijk ritmisch genoteerd. Maar hier zijn we van kindsbeen af erin grootgebracht om ze niet-ritmisch te zingen.”

Mijn neef heeft wel de indruk dat het zingen in de Oude Kerk nu iets sneller gaat dan vroeger. “Ooit sprak men over het 'zingen op hele noten', nu hebben we het het over iso-ritmiek: het zingen van noten met gelijke waarde. Ik speel soms uit de psalmbundel uit 1938, waarin de melodieën ritmisch staan genoteerd, maar ook uit het koraalboek van Johannes Worp uit 1863. Dan heb ik niet het probleem dat ik wat anders moet spelen dan ik voor mij zie.”

Het melodieus en ritmisch zingen is vroeger voor velen een groot probleem geweest. Bij de invoering van de psalmberijming van Datheen in 1566 beval men aan om borden op te hangen met uitleg over het zingen op noten. In 1640 klaagde Huygens dat er in de kerk vaak meer 'gehuil en geschreeuw' klonk dan menselijk gezang.

Traditie

Om van de problemen af te komen - ook het gevolg van slechte akoestiek en veel te lange nagalm - werden ten slotte alle noten even lang gezongen. Bij de invoering van de psalmberijming van 1773 probeerde men weer de muzikalere ritmiek met korte en lange noten officieel in te voeren. Nog steeds is dat dus niet overal gelukt, ook niet met de nieuwe bundel Psalmen en Gezangen (1938) en het nieuwe Liedboek voor de kerken (1973).

Ondanks de kracht van de niet-ritmische traditie is het ritmisch zingen in Putten niet onbekend. Op de scholen en op samenzangavonden worden gezangen, en ook wel een enkele psalm, ritmisch gezongen. Kasper: “Die ritmiek geeft geen enkel probleem. Ik zeg wel eens: 'het wordt ze op school geleerd en in de kerk weer afgeleerd'. We hebben als organisten hier wel eens voorgesteld: 'moet het zingen niet ook op zondag ritmisch?' Maar dat zou ten koste zou gaan van de traditie. De kerkgangers zijn het niet-ritmisch zingen hier al zó lang gewend, dat ze wellicht in staat zouden zijn om die reden de kerk uit te lopen. Is dat het waard? Misschien moet er nog wel een generatie overheen gaan, voordat dat het er door komt.”

Gerda, de vrouw van Kasper, twijfelt zelfs daar aan. “In andere kerken doen ze steeds nieuwe dingen om de mensen te houden. Hier is alles hetzelfde gebleven en de mensen blijven komen. Een van onze dochters draagt weer een hoedje. Er komt een generatie aan die juist behoudender is dan de vorige.”

Duitsers

Mijn neef Kasper is 60 en al drieëndertig jaar organist in de Oude Kerk in Putten. Hij is sinds zijn kinderjaren vergroeid met de traditie in de Oude Kerk. Toen hij als organist begon was zijn vader, mijn oom Aalt, daar de koster, later opgevolgd door zijn broer Willem. Oom Aalt, een plechtig uitziende, lange en wat zwijgzame man, werd als koster aangesteld in mei 1944, kort voordat de Duitsers in oktober 1944 in Putten een razzia hielden als vergelding voor een aanslag op een legerauto. In de Oude Kerk werden 660 mannen tussen de 18 en 50 jaar bijeengedreven en daarvandaan naar Duitse werkkampen afgevoerd. Honderd huizen en boerderijen werden platgebrand.

Oom Aalt was het bos ingevlucht en ontkwam. Twee andere ooms van ons werden op transport gesteld. Zij behoorden tot de 49 die na de bevrijding, anders dan bijna 600 anderen, toch nog terugkwamen. Oom Jan overleed enkele weken later aan tuberculose. Oom Sam was bij terugkomst een wrak en werd door tante Net niet eens herkend. Toch was hij sterk, pas deze zomer, vijftig jaar later, overleed hij, bijna negentig jaar oud, doof en blind.

Dat de mannen juist in de kerk waren samengedreven, heeft de Oude Kerk een uitzonderlijke plaats gegeven in het Puttense leven. Wie ondanks alle ontberingen toch nog terugkeerde, moest God daarvoor danken op de plaats waar de tocht naar de hel was begonnen. Hier hadden de opgesloten mannen onder leiding van dominee Holland de verzen 3 en 4 van Psalm 84 gezongen: Welzalig hij, die al zijn kracht En hulp alleen van U verwacht Hoe langzaam, hoe nadrukkelijk en met welke uitdrukking van innerlijke geloofskracht zouden die psalmregels toen hebben geklonken?

Hoewel de razzia jaarlijks in de Oude Kerk wordt herdacht, lijkt elke kerkdienst - onuitgesproken - een herdenkingsdienst. Toen ik als kind tijdens familiebezoek hier naar de kerk ging, werd mij met nadruk gewezen op de gedenksteen aan de buitengevel: 'Van hier werden zij weggevoerd'. De steen lijkt een grafzerk en als ik dan binnenin de kerk zat, voelde ik mij op een plaats des onheils.

Hier was het gebeurd, pas tien jaar geleden! Terwijl daar tijdens een lange dienst en in een eindeloos lijkende preek het heil werd verkondigd, probeerde ik me voor te stellen hoe die opgesloten mannen daar hadden rondgelopen en gezeten, vanaf de gaanderijen door Duitse soldaten bedreigd met mitrailleurs.

Zeker bij het oudere deel van de Puttense bevolking heerst nog steeds een weerzin tegen Duitsers. Kasper: “Ik zing hier in twee koren, de Oratoriumvereniging en het mannenkoor Fontanus. Een lied als Stille nacht, heilige nacht vind ik in het Duits veel mooier klinken dan in het Nederlands. Maar een aantal koorleden weigert pertinent Duits te zingen.”

Lofspalm of gebed

Mijn neef de organist verwondert zich over de ongerijmdheden in het muzikale leven in Putten. Er zijn twaalf koren voor volwassenen en nog zes koren voor de kinderen en de jeugd. “De mensen zingen hier graag een psalm of een gezang, maar ze houden niet echt van muziek.

“Ook naar het orgel luistert men slecht: de gemeente gaat vooral zijn eigen gang. Bij de bijbellezing op woensdagavond zingt men langzamer dan op zondag en dat kan ik vanaf het orgel niet beïnvloeden. Na het voorspel houd ik de eerste noot extra lang aan om aan te geven dat de gemeente moet invallen. Soms hoor je dan niets en dan denk ik: 'komen ze nog of komen ze niet?' Maar uiteindelijk komen ze altijd. Dat is misschien heel Veluws, die vrees dat je buurman zou merken dat je iets sneller wilt zingen.

“Ik probeer op het orgel aan te geven of het een lofpsalm is of een gebed. Psalm 6, Vergeef mij al mijn zonden, zet ik heel zacht in, maar daar beneden beginnen ze dan te brullen. Het valt niet mee om een gemeente op te voeden. Je kunt er geen koor van maken. Die neiging heb ik wel, ook al vind ik dat je van een kerkdienst geen concert moet maken. Het moet sober blijven.”

Bij orgelconcerten en oratoriumuitvoeringen met religieuze muziek van Haydn en Mendelssohn komt vooral de 'import'. De autochtone Puttenaars hebben daarvoor weinig belangstelling, ook Bach vinden zij te moeilijk. Al houdt hij zelf van gregoriaans en van Bach, mijn neef blijkt toch een echte Puttenaar. Hij luistert wel elk jaar via de radio naar de Matthäus Passion, maar zelf heeft hij nooit een uitvoering bijgewoond.

Import

Putten is altijd geïsoleerd gebleven, zo vertelt een van mijn andere drie neven die óók Kasper Jansen heten - een nicht heet Kasperien. Net als mijn vader zijn we genoemd naar onze grootvader. Deze Kasper (63) is een Gereformeerde-Bondsdominee, maar van een wat 'lichte' signatuur. Hij stond enkele jaren in de buurgemeente Ermelo. Door de aanwezigheid van de kazerne, het blindeninstituut en de psychiatrische inrichting was daar vanouds veel 'import', wat leidde tot een opener klimaat. “Een Ermelose dominee zal nooit naar Putten worden beroepen, omgekeerd ook niet. Binnenkort preek ik wel een keer in Putten, maar dan in de Andreaskerk, die zich deels heeft losgemaakt van de Puttense Hervormde Kerk. Daar wordt ritmisch gezongen.”

Kasper legt uit dat in Ermelo de verschillende kerken elk een eigen accent hebben. “In de Oude Kerk wordt het nieuwe Liedboek gebruikt, maar in de Nieuwe Kerk wordt oude psalmberijming gebruikt. Zelf stond ik in het kerkelijk centrum, daartussenin en daar werden beide gebruikt. Ik was letterlijk een compromisfiguur. In Putten vindt men zo'n differentiatie verkeerd, de predikanten zijn daar inwisselbaar.”

De dominee, nu met emeritaat, vertelt dat de 'normale' Gereformeerde-Bondsgemeente tegenwoordig ritmisch zingt, zeker in de steden, maar vaak ook daarbuiten. Zelfs het dorp Schelluinen bij Gorkum, waar hij in 1959 als predikant begon, zingt nu ritmisch. “Ik preek daar nog wel eens, maar toen ik daar mijn intree deed, zong men nog de oude psalmen op gelijke noten. Als dominee kun je twee standpunten hebben: 'ik maak het uit' of 'ze zingen zoals ze zelf willen.' Ik laat het aan de gemeente over, maar waar men niet-ritmisch zingt, word ik niet gevraagd.”

Volgens deze Kasper gaat de discussie tegenwoordig eerder om oude of nieuwe berijming dan om al of niet ritmisch zingen. “Dat zet zich uiteindelijk door, ook in Putten zullen ze ooit overgaan tot ritmisch zingen. Maar dat zal pas na het jaar 2000 zijn. Ze zullen wel beginnen met een paar liederen, de Psalmen 68 en 100, want die liggen goed in het gehoor.”

Zelf is Kasper een hartstochtelijk voorstander van het nieuwe Liedboek, al vindt hij sommige melodieën voor de gemeente wel erg moeilijk te zingen. De strijd gaat ook over de vraag of tijdens kerkdiensten, zoals in Putten, alleen de bijbelse Psalmen en de twaalf 'Enige gezangen' (gebaseerd op bijbelteksten) mogen worden gezongen, of, zoals in de 'lichtere' kerken, ook de gezangen.

“De gezangen zijn teksten met vrome oprispingen van mensen, maar niet geïnspireerd door Heilige Geest. Er staan ketterijen in gezangen, niet bijbels te verantwoorden gedachten. Ik zal nooit Gezang 170 laten zingen: Meester, men zoekt u wijd en zijd, komend langs velerlei wegen. Oudren gaan rustig welbereid, jongeren aarzlend U tegen.

“Daar staat dus: iedereen zoekt God. Als er één ding niet bijbels is, is het dat. Mensen zoeken God niet, God zoekt de mens. Dit gezang draait alles om. Jongeren zijn trouwens spontaan en ouderen zijn vaak gereserveerder, maar ook milder. In de stad zingen de 'bonders' met Kerst misschien wel een gezang. In Putten zegt men dan: 'zie je wel, het begint met ritmisch zingen en het eindigt met hupsakee en tralala.'

“Een groter probleem is het opwekkingslied. Vroeger zong men op verenigingen en bij het huisorgel thuis de liederen van Johan de Heer: Ga niet alleen door 't leven of Tel uw zegeningen, tel ze één voor één. Nu is er een lied als Abba Vader. Ik ga daarbij over mijn nek. Of Leer mij uw werk, o Heer. Voor het Liedboek wil ik warm lopen, maar niet voor dit. Het is vroom, niet onbijbels, maar fondant. Men wil het graag zingen en de jeugd krijg je er niet van los.”

Tijdens de dienst in de Puttense kerk zocht ik in het psalmboekje naar teksten die betrekking hebben op het zingen. Er zijn er vele, zoals: De lofzang klimt uit Sions zalen tot U, met stil ontzag; (Psalm 65) en Zingt des Konings lof, met een zuiv'ren galm, met een blijden Psalm; Hij, de Vorst der aard', is die hulde waard. (Psalm 47)

Kasper de organist: “Het heeft wat, dit zingen. Ik zing zelf graag ritmisch, maar iso-ritmisch let je meer op de tekst. Het gevaar van ritmisch zingen is dat het gauw te snel gaat en niet tot zijn recht komt. Dan liever zoals nu.”

Kasper de dominee: “Als men gewend is aan het zingen van psalmen op gelijke noten en men zingt niet te langzaam, dan is dat het collectief op toon reciteren van bijbelteksten. Je kunt niet zeggen: dat is a-muzikaal. Maar het wordt wèl erg als men uit vromigheid het tempo gaat vertragen, met de gedachte: je moet er bij kunnen denken wat je zegt. Want als vroom langzaam is, dan ga je alsmaar vromer en langzamer zingen. 'tHijgendhertderjachtontkomen. Je praat toch ook gewoon, terwijl je weet wat je zegt?”