De discussie gaat nu over het tempo van de versobering; Ook Amerikaanse verzorgingsstaat moet steven wenden

De Amerikaanse overheidsuitgaven zijn sinds 1966 als kool gegroeid en de explosie is nog niet ten einde. In dat jaar, waarin president Johnson zijn Great Society lanceerde, het equivalent van de Europese verzorgingsstaat, bedroegen de federale uitgaven 492,4 miljard (in dollars van 1987), dit jaar was er een bedrag van 1.520 miljard mee gemoeid, in 2002 zal dat volgens het Republikeinse guillotine-scenario oplopen tot 1.860 miljard in, voor de te verwachten inflatie gecorrigeerde, dollars. Clintons plan zou naar schatting 1.900 miljard omvatten.

Opmerkelijk is de ingrijpende verandering in de verdeling van de uitgaven. Namen in 1966 de overdrachtsuitgaven 20 procent voor hun rekening (defensie: 43 procent), in 1995 waren die percentages respectievelijk 48,4 en 17,7. In de Republikeinse voorstellen voor 2002 gaat bijna zestig procent naar de sociale sector, de president heeft over hoogte en verdeling van de uitgaven voor dat jaar nog geen gegevens laten publiceren. De boven vermelde omvang van de plannen van het Witte Huis is gebaseerd op een schatting door het weekblad U.S. News and World Report - waaraan al deze getallen zijn ontleend.

Het mag duidelijk zijn dat zelfs met een politiek van evenwichtige begrotingen, zoals vanaf 2002 voorzien, het geldverslindende monster dat de verzorgingsstaat geleidelijk aan ook in Amerika is geworden, niet een-twee-drie wordt verslagen. Vergrijzing, ontgroening, individualisering, medische consumptie, uitsluiting, tweedeling in de samenleving, het zijn de moderne verschijnselen die de Verenigde Staten net zo min ongemoeid laten als Europa en die een niet meer te dichten bres slaan in de sociale kassen. Het begrotingsgevecht dat de afgelopen weken tussen president en Congres is gevoerd, gaat niet over de noodzaak van het versoberingsbeleid maar over het tempo waarin dit wordt uitgevoerd. Dat veranderingen in de maatschappelijke verhoudingen ertoe dwingen is geen punt van discussie meer. De cijfers spreken voor zichzelf.

In 1984 was de Democratische presidentskandidaat, Walter Mondale, de eerste die de gevaren van het snel oplopende financieringstekort onder de aandacht van de kiezers probeerde te brengen. Het was de tijd van Reagans 'voodoo-economics' (Bush in 1980), van de doctrine dat belastingverlagingen via vergrote economische prestaties automatisch tot federale inkomsten zouden leiden waarmee de aanzienlijk verhoogde defensie-uitgaven konden worden gefinancierd. Mondale voorzag iets van het nakende debâcle, maar kreeg geen handen op elkaar. Reagan werd herkozen. De financiële perikelen van de Unie zijn vervolgens tot eind vorig jaar in de taboe-sfeer gebleven. Zij vormden een onderwerp waaraan geen politicus zich werkelijk waagde.

Begin jaren negentig scheen er even licht aan het eind van de tunnel. De Koude Oorlog kwam ten einde, de militaire uitgaven konden aanzienlijk worden teruggeschroefd. Er was zelfs sprake van een 'vredesdividend', een vrijgekomen inkomen waarmee tanks tot ploegscharen zouden worden omgebouwd. Maar de leviathan van de verzorgingsstaat slokte het dividend in één teug naar binnen. De ruimere armslag waarop was gehoopt, ging verloren nog voor hij kon worden benut. Wel zorgde de teloorgang van een groot deel van de defensie-industrie voor een extra deuk in de toch al kwijnende Amerikaanse economie en voor versukkeling van de tot dan toe economisch sterkste regio's.

Het was tegen die achtergrond dat in 1992 Bill Clinton aantrad als kandidaat voor het presidentschap. Hij trachtte de Amerikaanse middenklasse aan te spreken die verkommerd was geraakt tussen almaar rijker wordende rijken en armer wordende armen. Het offer van de solidariteit wordt in de verzorgingsstaten nu eenmaal gevraagd van de middengroepen. Daar is rekenkundig alles en sociaal veel voor te zeggen, maar er blijkt een einde te zijn aan het maatschappelijk draagvlak voor de offervaardigheid. Speciaal als de vooruitzichten van de middenklasse zelf onder druk zijn komen te staan. Zoals in de jaren negentig in de gehele geïndustrialiseerde wereld het geval is.

Clinton probeerde het met een geheel vernieuwd programma voor de gezondheidszorg, een van de grootste slokops binnen het scala van verworven rechten. Ruwweg ging het hem erom de zorg te privatiseren, langs die weg de consument meer prijsbewust te maken en het beroep op de zorg te verlichten en in het algemeen de zorg nauwkeuriger te richten op hen die het nodig hadden. Maar deze voorwaarden vielen niet als vanzelf samen met het behoud van bestaande privileges voor de middenklasse. En ook aan de onderkant van de samenleving moest er worden ingeleverd. Daarmee ontviel de presidentiële plannenmakerij het politieke fundament. En Clinton schrok er voor terug het beestje echt bij zijn naam te noemen.

De eer daarvoor gaat naar Newt Gingrich, lid van het Huis van Afgevaardigden, die met zijn 'Contract met Amerika' bij de Congresverkiezingen van vorig jaar een omslag in het electorale fortuin van de Republikeinen bewerkstelligde. Gekozen tot speaker, voorzitter van het Huis, wist Gingrich zich als een soort tegenpresident te profileren die de Amerikanen nu eindelijk eens dorst te vertellen wat er op het spel stond. Een begroting waarin inkomsten en uitgaven met elkaar in evenwicht zouden worden gebracht, was het geëigende instrument waarmee het contract zou worden nagekomen. De leer van het in beginsel nuttige en noodzakelijke want de economie stimulerende financieringstekort, sinds de Tweede Wereldoorlog de steen der wijzen, werd zonder plichtplegingen in de ban gedaan.

Velen van de Republikeinse kiezers moeten in de waan hebben verkeerd dat het contract voor hen gunstig zou uitpakken. Tenslotte is het altijd de ander die door de staat wordt bevoordeeld. De eigen privileges worden ervaren als verworven rechten. Maar Gingrich bleek niet een gemakkelijke electorale truc te hebben willen uithalen. Hij meende het, toen hij verklaarde de federale huishouding op orde te willen brengen. Het resultaat is dat een jaar later zijn populariteit tot een dieptepunt is gedaald, Clinton een groot deel van het contract kan overnemen en toch in staat blijft zich op te werpen als sociaal bewogen verdediger van eenieder die zich het kind van de rekening acht.

Volgend jaar mag het Amerikaanse electoraat zich uitspreken over de gebeurtenissen van 1995. Dat is twaalf jaar nadat Mondale tevergeefs aandacht vroeg voor de noodzaak dat de overheid zich gedraagt als een bekwaam en eerlijk huisvader.

    • J.H. Sampiemon