Angst in Oostenrijk staat de hervormingen in de weg

De Oostenrijkse president, Klestil, heeft de winnaar van de verkiezingen van afgelopen zondag, bondskanselier Vranitzky, gevraagd een nieuwe regering te vormen. Vranitzky beloofde in zijn campagne stabiliteit en het ziet er naar uit dat hij de oude coalitie zal proberen te repareren.

WENEN, 22 DEC. Het roer moet om in Oostenrijk, riepen verschillende politieke partijen voor de parlementsverkiezingen van afgelopen zondag. Maar de kiezer beschikte anders. Alles blijft bij het oude. Want het ziet er naar uit dat de sociaal-democratische bondskanselier Vranitzky, wiens SPÖ 3,4 procent won (totaal nu 38,3), de oude coalitie (die dateert van 1986) met de christelijke Volkspartij ÖVP, die maar 0,63 procent vooruitging naar 28,3, zal weten te repareren. Niets nieuws onder de zon. Want in feite bekokstoven de twee grote partijen al sinds 1945 samen Oostenrijks staatszaken, gebrekkig verhuld door een democratisch masker waarop het parlement vaak slechts als wassen neus prijkt.

Deze ontwikkeling is vooral een grote teleurstelling voor vice-kanselier en minister van buitenlandse zaken Wolfgang Schüssel, de nieuwe leider van de Volkspartij, die in september een kabinetscrisis forceerde over de begroting en die zich ten doel had gesteld de conservatieven weer de grootste partij te maken zoals zij dat was voor 1970. Hij beloofde als bondskanselier flinke ombuigingen tot stand te brengen: een hard spaarprogramma om het financieringstekort en de tot 67 procent van het bruto nationale produkt uitgegroeide staatsschuld in bedwang te krijgen, vermindering van de sociale uitgaven, later ingaande pensioenen, een actief beleid tot privatisering van bedrijven die nog altijd in staatshanden zijn of via de door de overheid beheerste banken in feite onder controle van de staat staan. En ook: afschaffing van de privileges van partijbonzen, wier partijpolitieke verdiensten in Oostenrijk beloond worden met hoog gedoteerde rustige baantjes bij de overheid of in het door de staat beheerste bedrijfsleven en dubbele of driedubbele pensioenen krijgen.

Of Schüssel, als hij de verkiezingen had gewonnen, zijn hervormingsprogramma had kunnen uitvoeren, blijft natuurlijk de vraag. Zijn Volkspartij heeft zich de afgelopen decennia niet bepaald laten kennen als hervormingspartij. Eerder als remmende factor in de tijd dat de sociaal-democraten, vooral in het tijdperk-Kreisky (1970-1983), hervormingen nastreefde. Bovendien had Schüssel, ondanks alle speculaties over een 'burgerlijke coalitie' tussen ÖVP en de rechtse populisten van Jörg Haider, waarschijnlijk toch ook weer met de sociaal-democraten geregeerd en die houden onder Vranitzky al helemaal niet van een nieuwe wind. Omdat zij nu al 25 jaar aan de macht zijn, waarvan twaalf met een absolute meerderheid, zitten hun partijmakkers dieper in de zijden kussens dan bij welke partij ook. En beperking van de uit de pan gerezen kosten van sociale voorzieningen zou hen meteen ellende met de bevriende vakbeweging hebben opgeleverd.

Tenzij Vranitzky en zijn partijtop een metamorfose ondergaan waarbij Ovidius' vertellingen zouden verbleken, zal de nu in elkaar te timmeren coalitie de stagnatie van de afgelopen jaren prolongeren. Met als enig verschil dat Oostenrijks volledige deelname aan de Economische en Monetaire Unie (EMU) van de EU tot harde begrotingssanering zal moeten leiden. Het zal niet makkelijk zijn daarbij te vermijden die groepen pijn te doen die de SPÖ haar kleine winst hebben bezorgd: de ambtenaren, oudere gepensioneerden en middelbaar en hoger personeel. Want die zouden het voelen als men gaat doen wat nu in socialistische kring wordt besproken: belasting heffen op de dertiende en veertiende maand salaris en drastische hervorming van het systeem van gezinstoelagen, gratis schoolboeken, vrij universitair onderwijs en medische tegemoetkomingen die nu voor 58 procent ten goede komen aan de 33 procent hoogste verdieners en voor 29 procent aan de middenklasse daaronder. De armste 33 procent krijgt maar dertien procent van deze sociale uitgaven.

Gezien de bijna voorgeprogrammeerde stagnatie geeft de verkiezingsuitslag in Oostenrijk weinig reden de vlag uit te steken. In veel reacties in binnen- en buitenland is gejuicht over 'de koude douche' die de Oostenrijkse kiezer de rechtse populisten van Jörg Haider zouden hebben toegediend. Het is waar. Voor het eerst sinds 1983 wonnen de Freiheitliche van Haider geen stemmen, zij gingen er 0,42 procent op achteruit. Maar voor een partij die als een komeet in twaalf jaar van vijf naar 22 procent is gestegen is de consolidatie van zondag nog geen koude douche. Vooral arbeiders stapten massaal over naar Haider. Van de groep onder de 50 jaar maar liefst 60 procent. Verder scoorde Haider onder jongeren hoge percentages. Een derde van de kiezers onder de 30 stemde op hem. Als Haiders voorspelling uitkomt dat de 'afgematte SPÖ met de onbruikbare Vranitzky en zijn wanstaltige kabinet' niets tot stand zullen brengen, zou de opmars van de tegenover ultrarechtse en neonazistische groeperingen zo slecht afgegrendelde Haider-partij bij de volgende parlementsverkiezingen heel goed weer krachtig kunnen verdergaan.

Vranitzky en de socialistische partij hebben de laatste drie weken voor de verkiezingen de voor verandering sowieso huiverige Oostenrijker de stuipen op het lijf gejaagd met het perspectief van drastische hervormingen als het programma van de Volkspartij zou worden uitgevoerd. De verworvenheden van de verzorgingsstaat zouden dan gevaar lopen. Deze aanpak heeft gewerkt. Hij heeft de daarvóór door opiniepeilers voorspelde winst van Schüssel ongedaan gemaakt.

Daarnaast hebben zij met succes getamboureerd op het feit dat Schüssel als enige partijleider niet wilde uitsluiten eventueel met de Freiheitliche een coalitie aan te gaan. Voor een dergelijk coalitie-experiment voelt het huidige Oostenrijk duidelijk weinig en de Socialistische partij heeft dat beter aangevoeld dan de Volkspartij. Een op de vijf kiezers mag dan zijn stem geven aan Haider, als mogelijke kanselier ziet maar dertien procent iets in de man uit Karinthië, die zich steeds weer (dit keer zelfs vlak voor de verkiezingen) in ultra-rechtse, om niet te zeggen ex-nazistische kringen begeeft om 'onverbeterlijke' taal uit te slaan. Dit soort uitglijders maakt dat de meeste kiezers hem als een ongeleid projectiel zien dat Oostenrijk internationaal zou kunnen schaden.

Zonder meer jammer is dat de angst voor te ingrijpende hervormingen en een eventuele regeringsrol van Haider vooral de twee kleinste oppositiepartijen heeft geschaad. De socialisten boekten hun kleine vooruitgang (ondanks het triomfgeschal van zondagavond scoorde de partij het op één na slechtste resultaat in haar geschiedenis) ten koste van de Groenen en het Liberale Forum. Juist onder de kiezers van deze partijtjes, die dit keer respectievelijk 4,57 en 5,28 procent van de stemmen behaalden, sloeg het argument aan dat men het beste SPÖ kon stemmen als men een regeringsrol van Haider wilden tegengaan. Hierdoor zijn alleen de groene en de liberale stemmen in het parlement verzwakt, wat te betreuren is in een parlementaire democratie die een lange traditie achter de rug heeft van bekokstoving en gesjoemel achter de schermen door de twee grote partijen. Bovendien hebben SPÖ en ÖVP zondag samen de tweederde meerderheid herwonnen die zij in 1994 waren kwijtgeraakt. Omdat wetsvoorstellen die niet in overeenstemming zijn met de grondwet alleen met een tweederde meerderheid in de Nationale Raad (Tweede Kamer) kunnen worden aangenomen waren socialisten en de conservatieven de afgelopen veertien maanden gedwongen voor dergelijke voorstellen in het parlement met overtuigende argumenten stemmen te werven bij een der oppositiepartijen. Deze grote stap vooruit in de parlementaire democratische praktijk van Oostenrijk is zondag weer te niet gedaan.