A. Alberts (84) wilde geen woord te veel

De schrijver/indoloog A. Alberts is zaterdag op 84-jarige leeftijd overleden. Vanmorgen is hij in stilte begraven. Zijn ervaringen in Nederlands-Indië, waar hij van 1939 tot '47 ambtenaar was en de Japanse bezetter hem interneerde, verwerkte hij in vele boeken. In 1975 kreeg hij de Constantijn Huygens-prijs, in mei van dit jaar de P.C. Hooft-prijs.

De laatste roman van de schrijver A. Alberts verscheen in 1991, in zijn tachtigste jaar: De vrouw met de parasol. Alberts was toen bijna veertig jaar schrijver, en is er al die tijd in geslaagd om vrijwel niets te zeggen over dat wat 'de mens achter het werk' is gaan heten. Op een of andere manier is hij in interviews, en ook in zijn autobiografische essays en memoire-achtige stukken de vraag naar de man zelf blijven ontwijken. Alberts hulde zich in stiltes en anekdotes.

“Schrapt u veel?”, vroegen zijn eerste interviewers, H. Bernlef en K. Schippers, in 1964. “Soms een zin”, antwoordde Alberts. Exemplarisch is ook het slot van dat gesprek. De bewonderende interviewers willen weten of Alberts nog iets zou willen zeggen. “Ik zou het niet weten”, zegt Alberts. “Als het niet nodig is, nee.”

En zo is het gebleven. Alberts behoorde tot het steeds zeldzamer slag schrijvers waarvan de reputatie geen centimeter groter is dan het werk zelf. Men wist dat hij ambtenaar was geweest, na een studie indologie in Utrecht; dat hij in '39 promoveerde op een gesprek tussen Thorbecke en Baud; dat hij adjunct-controleur is geweest op Madoera en vervolgens op Java in een Japans interneringskamp heeft gezeten; dat hij na de oorlog directie-secretaris was van het Kina-bureau, een kartel van kinineproducenten en -fabrikanten, en vanaf '53 redacteur van de Groene Amsterdammer; en dat hij uiteindelijk een teruggetrokken leven leidde, met zijn echtgenote, in een soort pannekoekenhuisje in Blaricum.

Ook in zijn laatste publieke optreden, tijdens het uitspreken van het dankwoord voor de P.C. Hooft-prijs, wist Alberts de vraag naar de man achter het oeuvre te omzeilen. Hij bekende met enige tegenzin dat hij had lopen nadenken over 'hoe en waar ik dat vertellen had geleerd', en kwam uiteraard uit op het vooroorlogse Indië, het toneel van zijn eerste verhalen. Daar had het leven bestaan uit 'voornamelijk overgeplaatst worden'. Dus ontmoette hij mensen. 'De mensen die je tegenkwam, kwam je inderdaad tegen.' Vandaar, suggereerde hij enigszins hulpeloos, dus dat gevertel van hem. Het ging immers om mensen die je nog nooit eerder had gezien en met wie je moest praten en naar wie je moest luisteren.

Pag.6: A. ALBERTS 1911-1995

Vervolgens vertelde hij schijnbaar plompverloren een anekdote over de broer van Prins Hendrik die in Indië door de plaatselijke autoriteiten naar een fameuze waterval werd gebracht. Die waterval lag op dat moment droog. De plaatselijke autoriteiten vertelden in geuren en kleuren hoe mooi deze was als er water was. En de broer van de Prins zei: 'Ich kann es mich vorstellen. Das es überhaupt schön gewesen wäre.'

Wat Alberts heeft geschreven en verteld is niet na te vertellen en speciaal heel moeilijk weer te geven is de oogopslag waarmee hij vertelde. Ook tijdens het prinsenverhaaltje keek hij met zijn wonderlijke, clowneske, melancholische gezicht alsof hij boven alles opgelucht was dat hij de plechtigheid, en zijn schrijverschap, en zijn oeuvre, kon laten oplossen in iets onbeduidends. Iets waar we ons net niet ontredderd over hoefden te voelen. Toch was het niet alleen vluchtgedrag, want hij wist dat het verhaaltje, voor de goede verstaander, precies vertelde waar het op neer kwam. De Waterval bestaat alleen als er water is. Is het water er niet (en dat is altijd het geval in verhalen: de werkelijkheid is elders), dan blijft de voorstelling over, dat onzichtbare net waarmee onzichtbare vissen gevangen moeten worden.

'Alle diepte aan Alberts zit aan de oppervlakte', schreef Robert Anker. Die raadselachtige oppervlakte was er meteen al, in 1952, toen de verhalenbundel De eilanden verscheen. 'Alberts was er meteen, hij had geen aanloop nodig', merkte Anker op. Van meet af aan zou het in dit werk zijn alsof de wereld gezien wordt door de ogen van een ontheemde nieuweling. Of, zoals een jaar later in de eerste roman, De bomen, door de ogen van een zojuist verhuisd kind, dat de dingen afzonderlijk meemaakt terwijl het vermoedt dat er een volwassen samenhang is - een samenhang die de lezer, al vermoedend, zijn eigen kinderogen teruggeeft. Nog weer later, in De vergaderzaal ('74), waar Alberts twintig jaar aan heeft gewerkt, was het de blik van een man die uit het verband van zijn firma en zijn kantoor valt omdat hij is gaan malen. Het werken aan dit boek duurde daarom zo lang, vertelde Alberts aan Rob Nieuwenhuys en K. Schippers in Hollands Diep, omdat hij 'die vent maar niet thuis kon brengen - in de letterlijke betekenis van het woord.'

In alle romans en verhalen is het de uiteenvallende, en toch samenhang vermoedende waarneming die de werkelijkheid vluchtig maakt - alsof Adam zijn eerste bevreemde schreden in zijn ballingschap zet. In en uit het paradijs getild heet een van de verhalenbundels, uit '62. Het is bij Alberts altijd alsof zijn personages zich ergens vandaan bewegen. De kracht die ze weg doet drijven blijft onbegrepen. Zij heeft iets te maken met wat sommige kinderen aanzet tot te goed verstoppertje spelen. Zo goed dat ze, zoals de zesjarige Aart in De bomen, vergeten worden. Niemand zoekt hem meer.

In tal van Alberts boeken lijken de figuren te willen verdwijnen, en steeds vraag je je af wat dit nu voor willen is. Eenmaal verdwenen vergeten ze waar ze vandaan kwamen, en toch komen ze ergens aan, zoals dom Mateus Vicente in Het zand voor de kust van Aveiro ('82). Die eindigt in een gekte die hem helder het begin van zijn tocht doet herbeleven. Of zoals Wietze, in het onvergetelijkste boek De honden blaffen niet meer ('79), die na jaren van omzwervingen en bijna vergeten worden en vergeten, thuis komt om de kortste en lakoniekste dood van onze literatuur te sterven. Kees Fens heeft dit boek 'het meest emotionerende' genoemd.

Alberts heeft nooit een groot publiek gevonden en dat moet ermee te maken hebben dat zijn proza, hoe eenvoudig van stijl ook, toch eisen stelt. De jury van de P.C. Hooftprijs schreef: 'Alberts brengt een wereld van onwillekeurige, ternauwernood bewuste gemoedsbewegingen aan het licht. Terwijl je hem leest is het alsof je het bewustzijn dichter op de hielen zit. Het lezen maakt je op een contemplatieve wijze helder en klaar, want het gaat steeds om iets belangrijks, dat tegelijkertijd alledaags en van alle tijden is.'

Alberts debuteerde op zijn eenenveertigste; nooit is hij een jonge schrijver geweest. Dat heeft hij gemeen met zijn misschien wel even wonderlijke Utrechtse studiegenoot Anton Koolhaas. Zeker vanaf De vergaderzaal, toen de regelmatige, maar bescheiden stroom verhalen goed op gang kwam, heeft Alberts alleen maar boeken geschreven die elk afzonderlijk zijn laatste hadden kunnen zijn. Het afscheid dat zijn personages van hun leven nemen door verloren te (willen) raken; en de wijze waarop ze gemist worden door de achterblijvers en de lezer, gaven je steeds het gevoel dat het einde niet nóg naderbij gebracht zou kunnen worden. En toen De vrouw met de parasol verscheen, vier jaar geleden, kon je na het lezen van de bladzijden 76 en 77, waarop de miraculeuze monologue intérieure van de verdrinkende Aafje, eigenlijk niet meer geloven dat Alberts ooit nog eens zou moeten ophouden met zulke boeken schrijven. Hij was met zijn oeuvre ergens aangekomen waar de dingen, de laatste, altijd maar voorgesteld zouden blijven worden.

Maar Alberts is nu dood. We zullen het nu zelf moeten doen - ons A. Alberts voorstellen, de verdwijner in eigen werk, de ambtenaarlijke sfinx die, uiteindelijk, buiten zijn eigen kleine kring en zijn boeken liever niet bestond.

WILLEM JAN OTTEN