Vang vis als ze er is

Met steeds meer inspanning wordt steeds minder vis aan wal gebracht. Waarom niet omgekeerd? Geef de zee een paar jaar rust.

Helaas is zijn slechts enkele landen zover.

Overbevissing leidt tot harde confrontaties en massa-ontslagen. Het vlootincident tussen Spanje en Canada ligt nog vers in het geheugen. En de ruzie tussen de Europese Unie en Marokko over de visserijrechten laat zien dat er directe gevolgen kunnen zijn voor andere bedrijvigheid. Honderden Spaanse vissers lagen aan de ketting en de Nederlandse tomaten- en snijbloemenindustrie schreeuwde moord en brand wegens nadelige gevolgen voor hun export.

In de Noordzee kunnen de vissen ook niet opboksen tegen de intensieve jacht. Het wetenschappelijk advies is dit jaar om de quota voor haring, makreel en schol min of meer te halveren. Deze week onderhandelt de Europese Raad van visserijministers over de vangstlimieten voor 1996.

De moderne vissersschepen kunnen de zeeën letterlijk leegvissen. Neem de Amerikaanse 'Alaska Ocean'. Het schip is 120 meter lang en heeft zeven dekken. Het net van bijna een kilometer lengte heeft een opening van ruim 120 meter en kan zeven Boeings 747 opslokken. De bemanning van 125 koppen kan in een enkele dag 600.000 kilo pollak verwerken tot surimi, een pasta die voor visprodukten wordt gebruikt. Tussendoor wordt verpozing gezocht in de fitness-room of in de Japanse baden. Het is een van de giganten onder de vissersschepen, die vooral uit zijn op veel, heel veel vis, het doet er niet toe wat.

De FAO, de organisatie die voor de Verenigde Naties de visserij en de landbouw behartigt, maakte dit voorjaar al duidelijk dat het visserijbeleid wereldwijd rigoureuze veranderingen nodig heeft om voort te bestaan. De totale visvangst is sinds 1950 verviervoudigd tot rond de 85 miljoen ton. Zeventig procent van de commercieel interessante vissoorten is overbevist. Een voorbeeld is de Atlantische kabeljauw, waarvan de opbrengst maar een kwart is van het gehaalde maximum.

China is de nieuwe grootmacht op de oceaan. Het koopt afgedankte schepen uit andere landen op, lapt ze op en stuurt ze de zee op. In 1993 werd tien miljoen ton door Chinese vissers gevangen. De andere grote visserijlanden zijn Peru en Japan. De Europese Unie vormt met Chili en de Verenigde Staten de subtop. De vangst door de Russische Federatie is sinds de omwenteling van 11 miljoen ton naar zo'n 4 miljoen ton gekelderd.

Overcapaciteit

In de EU is het aantal schepen weliswaar aan het afnemen sinds de jaren tachtig, maar de vangsten blijven schommelen rond de 6,5 miljoen ton. In 1993 besloot de EU om de structurele overcapaciteit in de visserij met 15-20% te beperken in 1996. Dit wordt in Nederland en vrijwel alle lidstaten bij lange na niet gehaald.

Wetenschappelijk adviezen wordt gegeven door de International Council for the Exploration of the Sea (ICES). Wetenschappelijk gezien is er bar weinig bekend over vispopulaties. Essentiële parameters als sterfte en reproduktie zijn meestal niet goed te bepalen. Een enkele vis krijgt weliswaar meestal miljoenen eieren, maar van die miljoenen worden slechts weinig volwassen. Bovendien kan de vis goede en slechte voortplantingsjaren hebben, daar valt geen peil op te trekken.

Lang voordat een populatie helemaal uitsterft geeft de visserij het op, de kosten om de laatste vissen op te sporen wegen dan niet meer op tegen de baten.

Bij welk niveau moet een vispopulatie dan beschermd worden? Er zijn veel visserijbiologen die er van uitgaan dat het voor het aantal nakomelingen niet uitmaakt hoeveel volwassen vissen er over zijn. Een populatie die tot de helft is gereduceerd kan volgens hen nog steeds dezelfde aanwas hebben. Pas bij een zeer laag populatieniveau kan de voortplanting het niet meer bijbenen tegen de sterfte veroorzaakt door de visserij. De populatie zou dan snel verder instorten. Het kritische niveau waarbij dit nog net niet gebeurt wordt het (veilig) biologisch minimum genoemd.

In het Nederlandse visserijbeleid is sinds enkele jaren dit biologisch minimum als kritisch niveau van groot belang. Nederland is daarin uniek in de Europese Unie. De Nederlandse visserij moet het in feite zelf maar uitzoeken zolang het biologisch minimum niet is bereikt, het beleid is dan flexibel. Pas wanneer dit kritische niveau is onderschreden zegt Nederland een stringent beleid van beperking van vangsten te volgen.

In werkelijkheid loopt het meestal niet zo'n vaart met strikt beleid. Het biologisch minimum voldoet als beleidsinstrument namelijk niet. Allereerst is het theoretisch concept niet consistent: zodra een populatie onder het kritisch niveau van het biologisch minimum komt wordt in feite wèl de relatie 'hoe minder vis, hoe minder aanwas' verondersteld. Ten tweede is de hoogte van het minimum een volkomen willekeurige beoordeling, gebaseerd op 'de natte vinger van de expert'. In de derde plaats kan niemand ontkennen dat een periode van vier of vijf opeenvolgende jaren met weinig jonge vis niet per se komt door het onderschrijden van het biologisch minimum maar door een toevalligheid van slechte omstandigheden kan zijn, de natuurlijke variatie. Met als gevolg te hoge quota voor populaties die strikt beschermd moeten worden.

Vaak worden adviezen van de visserijbiologen in de EU niet opgevolgd. Eind vorig jaar werd gewaarschuwd dat alle visserij op kabeljauw in de Noordzee gestaakt zou moeten worden. Desondanks steeg de vangstlimiet met 20 procent. De half miljoen ton haring in de Noordzee in 1981-83 liet meer volwassen nakomelingen na dan de 1-1,5 miljoen ton sinds 1990. De veronderstelling voor de Noordzeeharing is dat het biologisch minimum rond de 800.000 ton ligt. Er is tussen 1978 en 1985 niet gevist en de haringstand herstelde tot boven dat kritische niveau. In 1989 werd de populatie geschat op 1-1,5 miljoen ton. Maar de lage aanwas sinds 1991 zou ook kunnen betekenen dat de haring nog steeds onder het gevreesde minimum zit. Het quotum, de Total Allowable Catch (TAC), voor haring was vorig jaar 430.000 ton. Eind oktober verklaarde de ICES-raad dat er nog maar ongeveer 700.000 ton haring is, dat het biologisch minimum is overschreden en dat de TACgehalveerd moet worden. De malaise van de jaren zeventig lijkt zich te herhalen.

Ook met andere soorten in de Noordzee gaat het zeer slecht, het advies voor de schol-TAC is 40% minder, dat voor de westelijke makreel zelfs 60% minder dan vorig jaar. In de Commissievoorstellen deze week zijn de reducties van de Noordzee-TAC's al enigszins afgezwakt tot zo'n 20%. Gewoonlijk wordt daar nog meer van afgeknabbeld.

Het voorbeeld van de haring illustreert de gevaarlijke paradox van het biologisch minimum. We willen het minimum niet onderschrijden, maar we merken pas dat het toch gebeurt als het al te laat is. En een aantal jaren met veel nakomelingen maakt het uiterst verleidelijk om de TAC's toch niet te verlagen. De visser die 'de schol over de duinen ziet komen' maar er af moet blijven, beschouwt zich een dief van zijn eigen portemonnee.

De paradox van het biologisch minimum wordt ook erkend door visserijbiologen en beleidmakers in de Europese Unie en in Nederland. In zijn boek 'The Common Fisheries Policy' beschrijft Mike Holden, voormalig visserijambtenaar van de Europese Commissie, zijn fundamentele bezwaar tegen het biologisch minimum als uitgangspunt voor beleid. Naast het gevaar voor overexploitatie geeft hij als argument dat sterk fluctuerende quota voor de visserij economisch onaanvaardbaar zijn.

Amerikaanse visserijbiologen schatten dat herstel van de sterk uitgedunde populaties wereldwijd 25% meer vangst zou kunnen opleveren. In Science beschrijven ze 128 sterk gedecimeerde vispopulaties. Ze verklaren de waargenomen afnames met een klassiek verband tussen populatiegrootte en aanwas en concluderen dat minder visserij onvermijdelijk is. Het zou beter zijn voor het ecosysteem, en daarmee voor de vis en de visser, wanneer er verder vooruit wordt gedacht. Nu lopen we, in de woorden van de Franse dichter Paul Valéry, 'achterwaarts onze toekomst in'.

Voorzorgsprincipe

Zonder vis geen vissersvloot. De manager die zijn verantwoordelijkheden erkent voor een gezonde visstand in de toekomst zou daarom voor de spreiding van het risico over de lange termijn kiezen. Hij hanteert het voorzorgsprincipe, dat langzaam maar zeker geaccepteerd begint te worden als noodzakelijk uitgangspunt in onze wereld, ook in de visserij. Voor de visserij bestaat de mogelijkheid om een beheerssysteem te ontwikkelen, dat wèl rekening houdt met zorg over vispopulaties. Zo'n systeem wordt dan getest op mogelijke missers in onze 'guestimates'. De sleutel voor deze oplossing is een model zonder allerlei aannames die niet verifieerbaar zijn.

Ook minister Van Aartsen van LNV heeft dit najaar in zijn Programma Internationaal Natuurbeheer verklaard te streven naar beheerssystemen, die een gezonde visstand garanderen om ook op de lange termijn visserij mogelijk te houden. Hij dringt er tegelijkertijd op aan dat bij het vaststellen van quota rekening wordt gehouden met de verscheidenheid van soorten.

Hoe deze goede voornemens moeten rijmen met de waan van de dag in Brussel is echter een raadsel. De EU heeft geen lange-termijndoelstellingen, dus doet de Europese Raad niets anders dan elk jaar voor kerstman spelen en de nieuwe quota uit zijn zak halen.

Vandaag en morgen zal de Europese ministerraad voor visserij in Brussel zoals gewoonlijk grote moeite hebben met quotaverlagingen. Die gaan veelal gepaard met banenverlies. Minister Van Aartsen meldde vorige maand al in de Tweede Kamer: 'Het is duidelijk dat als wij de biologische adviezen strikt overnemen (...), dan de gevolgen voor de Nederlandse vloot voor 1996 zeer ingrijpend zullen zijn (...). Hoewel een zekere daling in de quota onvermijdelijk lijkt vanwege de achteruitgang van de visbestanden, ben ik er nog niet van overtuigd dat die dalingen zo drastisch moeten zijn.'

Interessant is dat de minister het een probleem vindt dat Noorwegen meestal de adviezen van de biologen wel op de voet volgt. Maar de Noorse visserij ziet zijn populaties herstellen en de vangsten groeien. Daar zou de Europese Visserijraad een voorbeeld aan kunnen nemen.

Behalve de visserij in eigen wateren heeft de Europese Unie rond de vijfentwintig visserij-overeenkomsten met derde landen, vooral met de Westafrikaanse landen. Dit najaar wilde de EU zijn visserij-akkoord met Marokko verlengen. Driekwart van de oceanische Europese trawlers vissen in de Marokkaanse wateren. De meeste daarvan voeren de Spaanse of de Portugese vlag. Marokko gebruikte het argument van overbevissing om de verlenging te frustreren en meer geld voor minder Europese schepen te eisen. De EU wist de Marokkaanse regering te paaien met betere exportvoorwaarden voor tomaten en snijbloemen. Onmiddellijk klommen de tuinders in het Westland in de boom. Uiteindelijk is er eind november toch een vergunning uitgerold. De EU mag weer bij Marokko vissen met evenveel schepen als eerdere jaren, pas over twee jaar moet er een beperkte reductie volgen. Ook in Senegal, India en andere landen groeien de protesten van de lokale bevolking tegen de vissers uit het noorden. In Chili leeft veertig procent van de bevolking van de oceaan. De kleine visser ziet zijn opbrengst dalen, terwijl de drijvende fabrieken uit de rijke landen aan de horizon in vol bedrijf zijn. Vaak is ook in verre oorden de visstand al behoorlijk aangetast. Het is onbegrijpelijk dat regeringen aanvaarden dat de vangsten steeds kleiner worden. Het kan ook anders. In West-Afrika heeft Namibië paal en perk gesteld aan het leegvissen van zijn visgronden. Na een klassieke zeeslag met piraten uit Europa sluit dit land alleen nog contracten af met individuele bedrijven, met voorwaarden voor lokale werkgelegenheid.