Socialisme zonder pathos

AMSTERDAM. Premier Kok nam vorige week afscheid van het socialisme, en hij was niet de eerste. Vier dagen ervoor waren een kwart miljoen socialistische Nederlanders hem te vlug afgeweest.

Het ging tamelijk geruisloos. Op 7 december besloot de Bondsraad van de Industriebond FNV dat de droom uit was. In de statuten van dit bastion van strijdbaar Nederland stond tot op die dag geschreven: “De produktie dient te zijn gericht op de voorziening in de maatschappelijke behoeften. Daarvoor acht de bond een planmatige ordening van het gehele bedrijfsleven onmisbaar. De beschikkingsmacht over de produktiemiddelen en energiebronnen, waarvan wezenlijke macht is of wordt ontleend, dient in handen van de gemeenschap te komen.”

Toegegeven, daar hoorde je de Industriebond de laatste tijd niet veel meer over, maar er had natuurlijk tijdens een vergadering een oplettend lid kunnen opstaan, dat met de statuten in de hand gevraagd had of het al een beetje opschoot, die nationalisatie van de produktiemiddelen. Dat zou pijnlijk zijn geweest, en daarom was al in april van dit jaar op democratische wijze besloten dat er een andere tekst moest komen. Sinds ruim een week is die er, en nu staat de Industriebond voor “democratisering van het economisch leven op elk niveau, zodat alle machtsuitoefening aan verantwoordingsplicht tegenover de betrokkene(n) is gebonden” en voor “zodanige arbeidsomstandigheden, arbeidsinhoud en arbeidsorganisatie, dat daarin het individu volledig tot zijn recht komt”. Ook mooie doelen, maar er worden wel minder vergezichten mee geopend.

“Ach”, zegt Hugo Levie, tot voor kort adviseur strategie en beleid van de Industriebond, en tegenwoordig hoofd opleiding en organisatie, “eigenlijk hebben we er ook nooit echt aan gewerkt. Je moet dat soort dingen zien in de geest van de tijd. Het was meer een blip in history.”

Op de mestvaalt van de geschiedenis dus. Daar moeten we ongetwijfeld ook de brochure van de bond uit 1974 deponeren, dat vlot leesbare pamflet dat getooid was met de veelzeggende titel Fijn is anders. Fascinerende lectuur voor de politiek ontvoogde burger van het fin de siècle. De kapitalisten waren de natuurlijke vijanden van de werkende klasse, en daarom koerste de Industriebond aan op een “fundamentele verandering van de maatschappijstructuur”, en een “socialistische samenleving op basis van arbeidsdemocratie”. De brochure sluit af met de waarschuwende woorden: “We laten ons niet langer medeverantwoordelijkheid in de schoenen schuiven voor iets dat we helemaal niet willen: de kapitalistische maatschappij.” We, dat was dus een revolutionaire cel van, destijds, een kleine vierhonderdduizend Industriebond-leden.

“De bond heeft eigenlijk al sinds de jaren dertig het kapitalistische systeem aanvaard”, zegt Levie. Dus het waren dromers, Arie Groenevelt en zijn makkers? “Ze werden meegesleept door de geest van de tijd. En net zoals de provobeweging veel opzien baarde, maar uiteindelijk weinig invloed heeft gehad, zo is ook deze manier van denken weer voorbij gegaan.

“Niettemin, als het Bondsbestuur in '87 of '88 had voorgesteld die statuten te herzien, dan had dat geen enkele kans gemaakt.”

De val van de Muur heeft alles veranderd. Want wat er allemaal in '89 gebeurde, ook dit: het idee dat er toch nog ergens een concurrerend systeem bestond, een maatschappij waarin de produktiemiddelen waren genationaliseerd en die, althans in naam streefde naar een arbeidersparadijs, dat idee moest worden opgegeven. Wat is er voor in de plaats gekomen? Moet een beweging het niet hebben van het landschap waar men nog niet is? En is de brug die Kok naar het midden wil slaan wat dat betreft wel inspirerend genoeg?

“Kok had best wat meer mogen zeggen”, vindt Levie. “Hij had zich nog veel duidelijker tegen de liberalisering kunnen uitspreken. De vakbeweging heeft zich met het kapitalisme verzoend, ze heeft het klassieke socialisme afgezworen. Daarvoor in de plaats is bij ons een oriëntatie op de overheid gekomen. De overheid zou zich veel meer moeten inspannen om de mensen ervan te overtuigen dat collectieve voorzieningen zin hebben en heel efficiënt zijn. Neem het WAO-gat. Nu heeft iedereen zich particulier bijverzekerd. Dat had veel goedkoper gekund als we het collectief hadden gedaan, want die verzekeringsmaatschappijen willen wel hun winst incasseren. Of de koopsompolissen. Daar zijn miljarden in geïnvesteerd. Voor veel minder geld kun je de AOW toch optrekken?”

Al dat soort dingen zijn voor de vakbeweging van belang, vindt Levie, want als de overheid steeds liberaler wordt, als de inrichting van onze staat zich van het 'Rijnlandse' model zou afkeren, en steeds meer trekken van de Angelsaksische variant zou vertonen, dan zal de vakbeweging zich ook naar Amerikaanse snit hervormen. Dan wordt de vakbeweging onvermijdelijk een pressiegroep die niet maalt om WAO'ers en werklozen, maar die alleen de directe belangen van de leden behartigt. Dat zou pas een breuk met de traditie zijn.

“Moderne socialisten staan voor het feit dat, dat in het algemeen gesproken de politieke belangstelling en verantwoordelijkheid afnemen, ook het socialistische pathos. Het is misschien het moeilijkste probleem der heroriëntering, waarmee men voorshands nog niet klaar is.” Dat zijn de woorden van Willem Banning, de bedenker van het eerste beginselprogramma van de PvdA. Hij schreef ze in 1964.

De vakbeweging en de Partij van de Arbeid zijn druk bezig zich van het socialistische pathos te bevrijden. Ze moeten wel, want pathos is nu verdacht of belachelijk. Wat is er voor in de plaats gekomen? De hoop op een sturende overheid, en een brug naar het midden. Het zijn perspectieven, maar wenken doen ze niet.