Openbaar ministerie

Officier van justitie Drenth deed in de zaak van de Groningse arts precies wat hij moest doen. Op verzoek van de minister van justitie heeft Drenth de zaak aan zijn rechtbank voorgelegd. Hij heeft vervolgens de rechtbank onder meer de rechtsvraag voorgelegd of de meldingsprocedure door de beugel van verdragsaanspraken kan. Het gaat nu niet over het eigen antwoord van Drenth op deze rechtsvraag. Waar het over gaat is of een officier van justitie zo'n kwestie, waarover onder juristen heel verschillend wordt gedacht, aan de rechter mag voorleggen. Als het antwoord op die vraag 'nee' zou zijn, kan het OM beter ophouden te bestaan. Drenth heeft zich terecht niet door het 'nee' van zijn procureur-generaal uit het veld laten slaan. Wat Steenhuis intussen (NRC Handelsblad, 16 december) zegt over de noodzaak van politieke besluitvorming en de taak van de rechter in afwachting of bij het ontbreken daarvan, zal weinig kritiek ontmoeten. Maar uitdrukkingen als “De 'heldenverering' van Drenth in de media begint mij een beetje de keel uit te hangen” en “Ik voel mij dan ook persoonlijk bedrogen”, zeggen, vrees ik, meer over Steenhuis' persoonlijke inzicht in wat mensen van een onpartijdig optredende officier van justitie mogen verwachten dan over de kwaliteit van het optreden van de Groningse officier van justitie.

    • L.C.M. Meijers