Nederlands buiten de dijken

Van Münster tot Tasjkent is het mogelijk Nederlands als vreemde taal te studeren. De Nederlander kan er niet warm voor lopen. 'Welke buitenlander wil er nu Nederlands leren?'

'Voor het Nederlands dat buiten Nederland en Vlaanderen geleerd en gedoceerd wordt, gebruikt men gewoonlijk de term Nederlands als vreemde taal. Vindt de taalverwerving plaats in oneindig laagland of bij het ruischen van het ranke riet dan spreekt men over tweede taal - behalve als je eerste docent je moeder is'.

Aldus begint een artikel over 'Nederlandse grammatica's voor anderstaligen in de periode 1970-1995' door P. de Kleijn, in oktober verschenen in het tijdschrift Neerlandica extra muros. In twee mooi en efficiënt geformuleerde zinnen tracht de schrijver, om een paar bekende versregels van Lucebert te variëren, 'op poetische wijze (...) de ruimte van de volledige neerlandistiek tot uitdrukking te brengen'.

Immers, hij heeft het van achteren naar voren over: Nederlands als moedertaal, als tweede taal en als vreemde taal. Het eerste behoeft voor de Nederlandse krantelezer geen nadere uitleg. Het tweede nauwelijks: de meesten weten wel dat er bij ons tegenwoordig door heel wat buitenlanders, al dan niet allochtonen genaamd, Nederlands geleerd wordt in schakelklassen, buurthuizen en asielzoekerscentra. Maar 'Nederlands als vréémde taal'? De eerste vraag hierover luidt waarschijnlijk: is dat dan iets anders dan als 'tweede taal'?

Dat is het inderdaad, zoals moge blijken uit bovenstaand citaat van De Kleijn. Wie een andere taal leert in een land waar die taal de moedertaal is, wordt er voortdurend op allerlei manieren mee geconfronteerd en maakt dus een heel ander leerproces door dan wie dezelfde taal in zijn eigen land alleen uit boeken en dergelijke leermiddelen leert. Dat kan consequenties hebben voor het onderwijs van die taal, al zijn die consequenties lang niet altijd duidelijk. Het onderscheid tussen 'tweede taal' en 'vreemde taal' wordt nog niet zo lang gemaakt en hoeft ook niet altijd gemaakt te worden. Als overkoepelende term kan '(Nederlands) voor anderstaligen' worden gebruikt.

Maar op zichzelf beschouwd bestaat er dus zoiets als 'Nederlands als vreemde taal'. Zelfs langer dan het Nederlands als tweede taal (althans als verschijnsel van enige betekenis) bestaat. Het tijdschrift Neerlandica extra muros is aan zijn 33ste jaargang toe, en de neerlandistiek buiten Nederland en Vlaanderen is in de meeste landen al veel ouder. Volgens de meest recente gegevens wordt er momenteel in 18 Europese en 13 niet-Europese landen door 571 docenten aan 268 instellingen voor hoger onderwijs Nederlands als vreemde taal gedoceerd (een van de laatste aanwinsten is de Universiteit voor Wereldtalen in Tasjkent, Oezbekistan).

Verwondering

Hoger onderwijs dus, daar gaat het vooral om. Niet uitsluitend overigens. Ook in het middelbaar onderwijs wordt in sommige landen Nederlands als vreemde taal geleerd. Het meest voor de hand liggende voorbeeld is natuurlijk Franstalig België. Daar wordt in het voortgezet onderwijs heel wat tijd en aandacht aan het Nederlands besteed en wordt ook veel gedaan aan de didactiek van het Nederlands als vreemde taal. Gezien de linguïstische constellatie van België (en de economische positie van Vlaanderen) hoeft dat geen verwondering te wekken. Ook in Noord-Frankrijk - waar in het bij West-Vlaanderen aansluitende deel, Frans-Vlaanderen, Nederlandse dialecten gesproken werden en ten dele nog worden - bestaat Nederlands als schoolvak.

Minder bekend is waarschijnlijk dat dit ook in Duitsland het geval is. Momenteel wordt Nederlands als taal aangeboden op de gymnasia in Nordrhein- Westfalen; binnen afzienbare tijd zal dit ook gelden voor Berlijn en Nedersaksen. Er is veel belangstelling voor onze taal in Duitsland - meer dan omgekeerd, moeten we tot onze schande vaststellen. Niet alleen op de middelbare school, ook op de universiteit, waar de studie Nederlands natuurlijk mede positief beïnvloed wordt door de toekomstmogelijkheden in het leraarschap. Verder is de bekendheid met de moderne Nederlandse literatuur vooral de laatste jaren sterk toegenomen en volgen opvallend veel Duitsers - vooral in het noorden, maar ook wel in het zuiden - cursussen Nederlands aan een volksuniversiteit.

Onderwijs in het Nederlands aan volksuniversiteiten bestaat ook in waarschijnlijk heel wat andere landen, maar daar zijn weinig gevens over bekend.

Leerstoel

Zoals gezegd: als we het hebben over het 'Nederlands buiten de muren' gaat het vooral om hoger onderwijs. Op de hierboven genoemde aantallen landen, docenten en onderwijsinstellingen moeten we ons dan niet verkijken. Om nog even bij Duitsland te blijven: in de 'Lijst van docenten in de neerlandistiek aan extramurale universiteiten in ledenlijst IVN', evenals Neerlandica extra muros uitgegeven door de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN) en laatstelijk verschenen in september 1994, beslaat het Duitse taalgebied (Duitsland, Oostenrijk, Duitstalig Zwitserland) het grootste aantal bladzijden. Maar aan niet meer dan vier universiteiten (Berlijn, Keulen, Münster en Oldenburg) is er een 'volledige' Nederlandse afdeling (leerstoel), in die zin dat er voldoende gekwalificeerd wetenschappelijk personeel aanwezig is voor een universitaire studie in de neerlandistiek die die naam verdient. Voor een zo omvangrijk taalgebied als het Duitse is dat toch niet zoveel. Aan de 33 andere in de lijst vermelde instellingen is het aanbod zeer gevarieerd, maar het komt voor dat het niet meer dan een paar uur moderne-taalverwerving omvat.

De vier leerstoelen zijn er ook nog niet zo heel lang. De oudste twee, Keulen en Münster, dateren van 1965. Dat hangt samen met bepaalde traditionele opvattingen in de Duitse germanistiek. Het is de moeite waard daar even op in te gaan, omdat die opvattingen in de hele westerse wereld doorgewerkt hebben en ten dele nog doorwerken.

Het Nederlands heeft als Germaanse taal twee nadelen: het lijkt erg op het Duits en het is nog niet zo oud, althans: van de oudste taalstadia van het Nederlands is weinig of niets overgebleven, in tegenstelling tot de situatie in het Duits, Engels en de Scandinavische talen. Dit had tot gevolg dat het Nederlands van oudsher binnen de germanistiek wel bestudeerd werd, maar als 'dialect van het Duits' en door het ontbreken van oudere literatuur in een achterstandspositie ten opzichte van andere Germaanse talen, want vooral in de vorige eeuw was de taalwetenschap - waarin Duitse geleerden de toon aangaven - sterk historisch gericht. Zo komt het, dat er aan veel universiteiten wel zelfstandige Scandinavische afdelingen en zelfs leerstoelen waren, maar geen Nederlandse. Nederlands was er wel, maar het bevond zich achter de deur waar 'Duits' op stond. Deze symbiose is door een Amerikaans docent in de neerlandistiek wel eens 'a kiss of death' genoemd.

Intussen is deze situatie geschiedenis geworden, of ten minste aan het worden. Er zijn nu tenslotte vier leerstoelen voor neerlandistiek in het moederland van de germanistiek, en er bestaan plannen voor andere professoraten.

Netherlandic

Ook in de Verenigde Staten is de kus niet echt dodelijk geweest. Aan de 34 in docentenlijst van 1994 vermelde instellingen aldaar heeft het Nederlands zelden een hogere status dan die van keuzevak, en in slechts zes van die instellingen is meer dan één docent in de neerlandistiek werkzaam, maar daar staat het een en ander tegenover. Er bestaat namelijk een American Association for Netherlandic Studies (AANS), opgericht in 1975, die interdisciplinair van karakter is en meer dan 200 leden telt: niet alleen neerlandici dus, maar ook historici, kunsthistorici, geografen, theologen, musicologen, enzovoorts, die 'iets met Nederland en/of Vlaanderen hebben'. De AANS congresseert om de twee jaar en publiceert haar handelingen in een speciale reeks, waarin wetenschappelijk werk van hoog gehalte te vinden is. De situatie in Canada lijkt sterk op die in de VS.

De interdisciplinaire aanpak, die voor de neerlandistiek vruchtbaar blijkt, is niet beperkt tot de Nieuwe Wereld. In University College London, waar de neerlandistiek overigens ook een hoofdvakstudie is, werd in de jaren tachtig een Centre for Low Countries Studies opgericht. Eveneens in Engeland, in Hull, bestaat sinds 1976 een heel nieuw studieprogramma, waarin Nederlands gecombineerd wordt met sociale wetenschappen en bedrijfskunde. Een Britse universitaire vereniging voor neerlandistiek, interdisciplinair opgezet (zoals de AANS), is in oprichting.

Ook 'binnen de muren' wordt de interdisciplinariteit niet verwaarloosd: de bovengenoemde Internationale Vereniging voor Neerlandistiek organiseerde in 1994 een intensieve cursus 17e-eeuwse cultuur van de Lage Landen voor buitenlandse kunsthistorici en zal dat in 1996 opnieuw doen. Overigens zijn ook colloquia van de buitenlandse neerlandici, zoals die in 1961 elk drie jaar gehouden worden, altijd 'interdisciplinair' van karakter geweest. Behalve aan Nederlandse taal- en letterkunde wordt daar ook aandacht besteed aan didactiek en 'cultuurgeschiedenis', 'Nederlandkunde', 'kennis van land en volk', of hoe men het noemen wil. De Nederlandse afdeling aan een buitenlandse universiteit is immers vaak een 'eenmanszaak' en de docent moet van vele markten thuis zijn.

Javanologen

Buiten de westerse wereld heeft de neerlandistiek soms weer een heel ander aanzien. Zo in Indonesië. Daar wordt naar verhouding erg veel Nederlands onderwezen en geleerd. Niet omdat die taal nog een rol zou spelen in het dagelijks leven, maar vooral omdat het Nederlands onontbeerlijk is als bronnentaal voor beoefenaars van allerlei disciplines. Er is eeuwenlang in het Nederlands over en in verband met Indonesië geschreven, en de Indonesische juristen, historici, islamologen, javanologen, archeologen, enzovoorts van nu moeten dit natuurlijk kunnen lezen. Tot voor kort werd in deze behoefte voorzien door oudere Indonesiërs, die in de koloniale tijd meestal uitstekend Nederlands geleerd hadden (naar verluidt wisten ze het verschil tussen hun en hen beter dan de moderne Nederlander). Tegenwoordig worden jongeren hier voor opgeleid, in Indonesië en in Nederland. Het hoogste niveau van de Nederlandsstudenten wordt gevormd door studenten aan de Universitas Indonesia in Jakarta; daar bestaat een vijfjarige studierichting Nederlandse taal- en letterkunde, waaraan een twintigtal docenten verbonden is. Enkele honderden studenten hebben deze opleiding inmiddels voltooid; een aantal van hen kon de studie voortzetten bij de vakgroep Nederlandkunde in Leiden. Verder bestaan er overal in de Indonesische archipel Nederlandse cusrsussen, die door duizenden gevolgd worden.

Weer heel anders is de situatie in Zuid-Afrika. Een generatie geleden was het nog vanzelfsprekend, dat wie aan een Zuidafrikaanse universiteit Afrikaans studeerde, ook een flinke portie Nederlands aangeboden kreeg. Het Afrikaans was nu eenmaal een dochtertaal van het Nederlands; taal- en letterkunde van het moederland mochten niet verwaarloosd worden. De desbetreffende universitaire afdelingen heetten (en heten vaak nog) 'Department Afrikaans en Nederlands' (heel vroeger zelfs 'Nederlands en Afrikaans'). De studie van het Nederlands was voor de Zuid-Afrikaanse student ook niet zo moeilijk: de talen zijn zeer verwant en er waren veel contacten tussen Nederland en Zuid-Afrika.

Anti-Europese stemming

In de tijd van apartheid en de in verband daarmee ingestelde culturele boycot werd dat anders. Zuid-Afrika (en daarmee het Afrikaans) werd op zichzelf teruggeworpen. Studiebeurzen werden niet meer toegekend, bezoek aan Nederlandse congressen werd bemoeilijkt, evenals de import van Nederlandse boeken. Als reactie daarop ontstond bij sommige Zuidafrikanen een anti-Nederlandse (en anti-Europese) stemming, maar daar staat tegenover dat zeker op academisch niveau de belangstelling voor de neerlandistiek onverflauwd bleef, getuige de geregeld gehouden Zuidafrikaanse congressen 'vir Neerlandistiek' en de wetenschappelijke produktie.

Hoe de positie van het Nederlands in het post-apartheidstijdperk zal worden, is moeilijk te zeggen. Er gaan momenteel veel Nederlanders en Vlamingen, ook neerlandici, naar Zuid-Afrika. De Nederlandse Taalunie verleent hulp. Maar of het nieuwe Zuid-Afrika, dat met enorme problemen te kampen heeft, zich met enige intensiteit kan bemoeien met een 'luxe-probleem' als de positie van het Nederlands binnen de studierichting Afrikaans, is de vraag. Het Afrikaans zelf heeft het waarschijnlijk in de nieuwe constellatie al moeiljk genoeg.

Willen we dit soort dingen weten? De gemiddelde Nederlander (voor Vlamingen ligt dat anders) stelt niet zoveel belang in zijn taal, laat staan dat hij er een emotionele band mee heeft. Met een buitenlander spreekt hij liever slecht Engels dan zijn moedertaal, ook als blijkt dat die buitenlander Nederlands kan en wil spreken. De Nederlander die Nederlands doceert aan een buitenlandse universiteit, ontmoet bij landgenoten aan wie hij dat meedeelt, meestal meer ongelovige of lichtelijk geamuseerde verbazing dan enigszins enthousiaste belangstelling. 'Welke buitenlander wil er nou Nederlands leren?' is de eerste reactie. Alsof er geen Nederlanders zijn die bij voorbeeld Zweeds leren.

    • J. de Rooij