Na 20 jaar terug bij de gemeenten;

De Algemene Bijstandswet werd in 1965 ingevoerd en betekende het afscheid van de Armenwet die uit 1854 dateerde. Uitgangspunt van de Armenwet was dat de overheid slechts bijstand verleende aan armen als kerkelijke of andere bijzondere instellingen dit nalieten. Met de introductie van de bijstandswet nam de overheid de principiële plicht op zich iedere ingezetene een bestaansminimum te garanderen.

De kern van de Algemene Bijstandswet is vastgelegd in wat vroeger artikel 1 en nu artikel 8 is. “Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege”.

Dat principe is in de afgelopen dertig jaar overeind gebleven, al is de formulering van tijd tot tijd veranderd. Zo is er later aan toegevoegd dat ook de vreemdeling die in Nederland woont recht heeft op bijstand. Bijstand is dus een recht. Tegenover dat recht voor de burger staat automatisch de plicht voor de overheid, ook vastgelegd in de grondwet, om onder voorwaarden bijstand te verlenen. De bijstandswet is daarmee het sluitstuk van de sociale zekerheid. Wie geen inkomen, vermogen, verdienende partner of een andere uitkering heeft, valt terug op de bijstand. Bijstand is de laagste uitkering - met de strengste voorwaarden. Anders dan bijvoorbeeld bij een WAO- of WW-uitkering zijn partner-, inkomens- en vermogenstoetsen beslissend voor de vraag of iemand bijstand kan krijgen.

Aanvankelijk kregen de gemeenten een grote vrijheid bij de uitvoering van de wet. Dat leidde tot grote onderlinge verschillen. Sommige gemeenten keerden zelfs uitkeringen uit die hoger waren dan het minimumloon. Daarom werd de wet in 1972 drastisch gewijzigd. Veel bevoegdheden gingen van de gemeenten naar het rijk, dat bepaalde uitkeringen kon verbieden. Het rijk werd een toezichthouder die controleerde of de gemeenten zich aan de (bijstands)wet hielden. Een consequentie was dat het rijk ook 90 procent van de uitkeringsbedragen ging betalen; voordien namen de gemeenten deze kosten voor eigen rekening.

In 1974 werd de Bijstandswet opnieuw gewijzigd. Er werden landelijke normen ingevoerd voor de hoogten van de uitkeringen; in 1980 gevolgd door centrale richtlijnen voor de hoogte van bijzondere bijstand. Dit is een vergoeding of lening voor bijzondere kosten waarop ook mensen die niet in de bijstand zitten, bejaarden bijvoorbeeld, een beroep kunnen doen. Het gaat dan om zaken als woonkosten, kinderopvang, studiekosten en medische kosten.

In de loop van de jaren bleek het klassieke kostwinnersmodel steeds minder te passen op de bijstandswet. Samenwonen, al dan niet in amoureus verband, deed zijn intrede. En daarmee het fenomeen 'voordeurdelers', die een aparte categorie voor de bijstand werden. Het maakte de controle niet eenvoudiger.

Na de jaren van centralisatie is er nu een beweging terug naar decentralisatie. Gemeenten krijgen weer meer zelf te zeggen over de bijstand. Dit is in 1991 al begonnen met de bijzondere bijstand. Volgend jaar worden de lokale bevoegdheden verder vergroot. Gemeenten bepalen dan of alleenwonenden of alleenstaande ouders een toeslag krijgen op de uitkering, zij het dat de gemeenten ook bij de toeslagen wel aan wettelijke normen zijn gebonden. De bijstandswet wordt weer meer maatwerk. Maar anders dan in de jaren zestig worden de gemeenten niet volledig de baas over de bijstand; het ministerie van sociale zaken en werkgelegenheid blijft de toezichthouder die controleert of de gemeenten de wet naar behoren uitvoeren.