In Liefde Bloeyende

Verenigd

Lampe, de haas, en Lenne, de fazant

hebben elkaar toch gevonden

maar niet op de welige gronden

tussen beek en heuvelkant.

Zo te zweven op zilveren pennen

hoog boven jager en val!

Zó huppend door 't veld te rennen

duikend in tijd van geknal!

Zo droomden ze in stom benijden

verlangend zonder doel

tot één morgen, rozig en zoel

een hagelschot bracht voor beiden.

Lenne werd dra gehangen

den kop in morsig papier

naast Lampe, aan de ijzeren stangen

der vitrine van een poelier.

Ze hadden elkaar toch gevonden!

Boven lijken, druiven en bloed

beroerden ze elkander, geschonden

in gruwzaam-tederen groet.

Mathias Kemp (1890-1964)

Om alvast in de kerstsfeer te raken. In de sfeer van slachting en poelier. In de sfeer van druipende kaarsen en druipend bloed. Een gedicht om voor te lezen terwijl het wildbraad op tafel dampt. Een gedicht ter nagedachtenis aan haas en fazant, konijn en patrijs, hinde en kalkoen.

Over de vereniging van geliefden in de dood gaat dit gedicht. Lampe en Lenne waren al tijdens hun leven een paar, maar ze konden niet bij elkander komen. Hun gepaardheid wordt aangeduid door de alliteratie van hun naam en doordat ze naar elkaar kijken, Lampe omhoog naar hoe Lenne vliegt en Lenne omlaag naar hoe Lampe loopt: Zo te zweven op zilveren pennen hoog boven jager en val! Zó huppend door 't veld te rennen, duikend in tijd van geknal! Maar het blijft voor het tweetal bij dromen op afstand, bij benijden en verlangen. Er klinkt een schot en nog één keer worden ze door de dichter bij hun naam genoemd, Lenne die wordt gehangen naast waar Lampe al hangt of aanstonds zal worden gehangen, en ditmaal de naam van Lenne eerst om het evenwicht te bewaren, om de gelijkwaardigheid van de beide geliefden te benadrukken. Nu pas zijn ze echt een paar geworden. In een ambiance van 'lijken, druiven en bloed' raken ze elkaar aan

in gruwzaam-tederen groet zo eindigt het gedicht in een betekeniszwanger stilleven. Niet in een sentimenteel tableau, daarvoor ziet het uitroepteken achter

Ze hadden elkaar toch gevonden!

er te krachtig en hoopvol uit. De dichter heeft ons willen laten meeleven met deze twee koningskinderen uit het dierenrijk. Geraffineerd heeft hij dat gedaan door ze meteen in de eerste regel namen te geven. Het eerste woord van het gedicht was al een naam. Zo werd meteen elke belemmering opgeheven om ons met het tweetal te identificeren.

Maar we worden niet geacht aan het slot in tranen uit te barsten. We worden geacht, aan het slot, de schoonheid van het gruwzame onder ogen te zien. De extase van de wreedheid. De vervulling van de liefde in geschondenheid.

Het gedicht heeft geen boodschap voor de traanklieren, en al helemaal geen sociale boodschap. Het is geen protestgedicht tegen dierenmishandeling of tegen de jacht, al zal dit beeld van een vermenselijkt en aan de anonimiteit ontheven dierenpaar wel extra scherp-omlijnd zijn aangekomen in het land van de dichter (Mathias Kemp was de vier jaar jongere broer van Pierre Kemp), in het Limburg van de jacht en de jagers. Het moet daar krachtiger hebben gewerkt dan in een omgeving waar men 'de vitrine van een poelier' eerder als beginstation van een maaltijd dan als eindstation van de jacht kende. Maar de Limburger hoefde er zijn jachtvermaak niet door gehekeld te zien, door dit gedicht, net zo min als het ons aller eetlust ook maar in enige mate hoeft te bederven.

Het gedicht Verenigd eindigt niet in een vermaning, maar in een stilleven van bederf en bederfelijkheid. In een vanitas. Twee kadavers aan ijzeren stangen, elkaar theatraal rakend, boven een decor van lijken, druiven en bloed. Het doet me nog het meest denken aan een schilderij van Raoul Hynckes. Het gedicht van Mathias Kemp is afkomstig uit de in 1938 verschenen bundel Seringen en schroot en Hynckes schilderde in diezelfde jaren dertig heel wat doeken met geschoten wild - zeg maar hazen en fazanten. Opgehangen aan een touw of een haak, vaak ook in koppels. Zo'n schilderij heette dan De weitas, maar had net zo goed Bij de poelier kunnen heten. Hynckes was bovendien de schilder van de doodshoofden. Van menige zeis en gedoofde kaars. Een vanitas-schilder bij uitstek. Met zijn doeken heeft dit gedicht niet alleen de weerbarstige verstilling gemeen, maar ook het memento mori.