Hoge Raad spaart de politie in zaak-Z

Moeten methoden van opsporing wettelijk geregeld zijn? Er is een lacune, constateert de Hoge Raad in de geruchtmakende zaak-Charles Z. Maar diens veroordeling blijft overeind.

AMSTERDAM, 21 DEC. “De parlementaire enquête laat zien wat er gebeurt als de beleidsmakers zich niet aan de fundamentele rechtsbeginselen houden”, fulmineerde deken T. de Waard van de Orde van advocaten in september tijdens zijn laatste jaarrede. Hij herinnerde er aan dat onze wet zelf een strenge stelregel huldigt: “strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien”. Op de universiteit wordt de studenten volgens De Waard tegenwoordig echter geleerd dat dit een dode letter is. “Strafvordering vindt nu plaats op de wijze door de rechtspraak voorzien”.

De rechter moet maar uitmaken of een opsporingsmethode door de beugel kan, zo heeft de politiek maar al te vaak en graag gedacht. Het is deze gemakzucht die de leden van de commissie-Van Traa bij de hoorzittingen deze herfst af en toe zichtbaar ongemakkelijk deed schuiven op hun stoel. De rechterlijke macht heeft zich de rol van plaatsvervangend wetgever overigens laten aanleunen. Een sterk voorbeeld was het arrest van het gerechtshof te Amsterdam, begin dit jaar in de zaak van de voormalige autocoureur en hasj-baron Charles Z. Deze had geklaagd over een heel assortiment van ongeregelde politiemethoden, zoals het snuffelen in vuilniszakken en het langdurig en stelselmatig gebruik van 'scanners' of zogeheten inkijkoperaties.

Dat zijn methoden waarvoor men tevergeefs spelregels zal zoeken in het wetboek van strafvordering. Daarmee zijn dergelijke politiepraktijken echter nog niet in strijd met het recht, vond het hof, dat het als zijn zaak beschouwde “die regels” alsnog vast te stellen. Het oordeelde dat de gebruikte methoden over de hele linie door de beugel konden.

Nu hebben rechters in Nederland in de loop der jaren al heel wat onorthodoxe politiemethoden goedgekeurd, te beginnen met de undercover-agent. Vervelend is alleen dat wanneer het om specifieke inbreuken op het grondrecht van bescherming van de persoonlijke levenssfeer (privacy) gaat, een duidelijke wetsbepaling vereist is. De Hoge Raad die deze week het eindoordeel gaf in de zaak-Z stond dus voor een lastig dilemma. Het ging in deze zaak om ernstige strafbare feiten, grootscheepse hasj-handel door een criminele organisatie. Maar de gebruikte politiemethoden leken een symptoom van de normatieve wildgroei die tijdens de hoorzittingen in zo'n schril daglicht is komen te staan.

De Hoge Raad heeft in zijn beslissing kool en geit gespaard. Er is voor inbreuken op de privacy tijdens politieonderzoek inderdaad een uitdrukkelijke wetsbepaling vereist, zegt het college. Deze wettelijke grondslag ontbreekt thans voor de zogeheten 'proactieve' fase die vooraf kan gaan aan het eigenlijke opsporingsonderzoek. In zoverre is er dus ook volgens ons hoogste rechtscollege een taak weggelegd voor de Commissie-Van Traa. Vooral de toenemende technische verfijning en intensivering van onderzoeksmethoden en -technieken verlangen volgens de Hoge Raad “een meer precieze legitimatie voor zulke inbreuken” dan de bestaande wet kan bieden.

Toch billijkt de Hoge Raad ook zonder speciale wet reeds proactieve politiemethoden die “slechts een beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer” opleveren. Als voorbeelden noemt het college: observatie, schaduwen en fotograferen in het openbaar. Dat had de Hoge Raad trouwens al eerder goedgekeurd. Ook iemand die zijn vuilniszak buiten zet, laat volgens de Hoge Raad (in navolging van het Amerikaanse federale Hooggerechtshof in 1988) iedere aanspraak op privacy varen.

Het gebruik van scanners in de zaak-Z ging echter te ver. Met het doelbewust en stelselmatig met behulp van speciale apparatuur over een langere periode door de politie afluisteren en opnemen van mobiele telefoongesprekken die vanuit of in de omgeving van een woonhuis worden gevoerd, is een grens overschreden. Maar deze inbreuk was volgens de Hoge Raad ook weer niet zo ernstig dat de hele strafzaak daarop had moeten stranden.

De inkijkoperaties zijn in drugszaken volgens de Hoge Raad gedekt door de Opiumwet zolang het maar blijft bij “bekijken”. Voor stelselmatig en gericht onderzoek naar in beslag te nemen voorwerpen laat de wet geen ruimte. In het belang van de controle op de politie had de Hoge Raad er vorig jaar mei al de nadruk op gelegd dat inkijkoperaties behoorlijk dienen te worden gerapporteerd. Nu neemt het college echter genoegen met een inhaalrapportage: de politie hoeft pas alle bijzonderheden te geven wanneer de rechter daar achteraf om vraagt.

In de zaak-Z had het Amsterdamse gerechtshof de leider van het politieonderzoek vorig jaar deze tijd tijdens de behandeling in hoger beroep alsnog in de gelegenheid gesteld een volledig overzicht van de gebruikte methoden te leveren nadat het politieonderzoek onder meer met behulp van gestolen informatie in opspraak was gebracht. De leden van het hof vonden dat het achterwege laten van een compleet rapport door de politie niet getuigde van kwade trouw. Een andere kamer van hetzelfde hof kwam in een vergelijkbaar geval (de zaak-R) echter tot het oordeel dat het bewust achterhouden van informatie voor de rechter door de politie een ernstige inbreuk op een goede procesorde vormde.

Ook in deze pikante rechterlijke ruzie spaart de Hoge Raad kool en geit. Of de politie al dan niet obstructie pleegde is “een feitelijk oordeel” - en de Hoge Raad gaat alleen over juridische kwesties, zodat zij niet in deze kwestie kan treden. De Hoge Raad legt er in deze zaak trouwens opvallend de nadruk op dat hij als hoogste rechter niet zelf een onderzoek kan instellen en moet afgaan op de uitspraken van lagere rechters. Het hoogste rechtscollege voelt misschien toch een beetje nattigheid over wat er de afgelopen jaren allemaal aan controversiële politiemethoden is doorgelaten.