Hof moet beslissen over klacht boeren tegen Coberco

ROTTERDAM, 21 DEC. Ruim tweehonderd melkveehouders in de omgeving van het Overijsselse Heino, die zich ernstig gedupeerd voelen door de ondergang van hun coöperatieve melkfabriek Heino Krause hebben zuivelcoöperatie Coberco in Zutphen gisteren opnieuw voor de rechter gedaagd. Het gaat deze keer om een procedure bij de Ondernemingskamer van het Amsterdamse Gerechtshof die een uitspraak wordt gevraagd over de jaarrekening van Heino Krause.

De boeren menen te zijn geschaad door misleidende jaarverslagen. Coberco is de rechtsopvolger van Heino Krause. De boeren zeggen voor in totaal ruim veertig miljoen gulden te zijn gedupeerd door misleiding, wanbeleid en ten onrechte goedgekeurde jaarverslagen.

De procedure die nu is begonnen voor de Ondernemingskamer is bedoeld om een andere procedure waarin de schade wordt geclaimd te vergemakkelijken. Mocht de Ondernemingskamer de boeren gelijk geven dan bevestigt dat de stelling dat jaarrekeningen ten onrechte zijn goedgekeurd. Volgens Pieter Lakeman, die met zijn Stichting Onderzoek Bedrijfs Informatie (SOBI) de zaken voor de boeren behartigt, staan de boeren inmiddels heel sterk, hetgeen zou blijken uit het feit dat inmiddels de Europese Commissie, de Algemene Inspectiedienst (AID) en de Fiscale informatie en opsporingsdienst (FIOD) in actie zijn gekomen. Lakeman meent dat de nieuwe procedure temeer noodzakelijk is omdat de twee eerder gedagvaarde partijen Coberco en het accountantsbureau Moret, Ernst en Young er alles aan zouden doen om het vergoeden van de toegebrachte schade zo lang mogelijk uit te stellen. Er kan nu nog een beroep worden gedaan op de Ondernemingskamer, omdat de jaarrekening over 1990 nog altijd niet is gedeponeerd.

De melkveehouders uit Heino en omstreken hebben in september een schadeclaim van ruim veertig miljoen gulden ingediend tegen de in Zutphen gevestigde Coöperatieve Melkindustrie Coberco. Het bedrijf wordt als rechtsopvolger verantwoordelijk gesteld voor de schade die de boeren zeggen te hebben geleden door fraude van de cooperatie Heino Krause, die op 30 mei 1991 fuseerde met Coberco. Eerder werden de voormalige directeur van Heino Krause en het accountantskantoor Moret, Ernst & Young gedagvaard in deze zaak.

Aanleiding tot de rechtszaken vormt een onderzoek van SOBI, die in 1991 werd ingeschakeld door boeren die veel geld waren kwijtgeraakt omdat ze als lid van de coöperatie werden aangeslagen voor de verliezen van Heino. Die verliezen traden op door het inzakken van de prijs voor melkpoeder.

Begin jaren tachtig ging het al slecht met de bescheiden coöperatie in Heino, die met verlies draaide. Na de aanstelling van een nieuwe directeur in 1984 ging het echter meteen beter. De fabriek draaide op volle toeren en maakte winst. Naar later zou blijken had deze directeur - chemicus van huis uit - de zaak uit het dal weten te krijgen door op grote schaal suiker (lactose) toe te voegen aan de tot melkpoeder verwerkte aanvoer van de leden. Lactose is aanmerkelijk goedkoper dan melkpoeder. De mogelijkheid om op deze wijze te frauderen was er ook doordat het vetgehalte van de melk zo ver boven de Europese limiet ligt dat er 'ruimte' genoeg was de melkpoeder met suiker te 'versnijden' om aan die limiet te blijven voldoen. Dat versnijden wordt overigens aangemerkt als voedselvervalsing, een misdrijf in de zin van het wetboek van strafrecht. Voor de export van de melkpoeder werd EG-subsidie geïncasseerd. Vanaf 1987 was de gehele produktie van Heino op fraude gebaseerd, zo stelt SOBI-voorzitter Lakeman. Er gingen volgens hem tonnen suiker de fabriek binnen en er werd zelfs in het buitenland - tegen zeer ongunstige contracten - melk bijgekocht. In een silo, verscholen achter een muur, werd de suiker met de melkpoeder vermengd. Het personeel mocht er met niemand over praten, zo stelde Lakeman eerder. Eind 1989 daalde de prijs van melkpoeder echter drastisch. De marge die met het frauderen werd behaald slonk en Heino zat bekneld tussen de contracten met melkleveranciers in Duitsland. Heino zag uit naar een fusie waarvoor twee kandidaten zich aandienden. De ene was Hoogtweg, een particuliere zuivelproducent, de andere Coberco. Hoogtweg deed een aantrekkelijk bod, naar de mening van Lakeman veel aantrekkelijker dan dat van Coberco, dat de coöperatie later niettemin zou inlijven.

De gedupeerde boeren namen in 1991 SOBI in de arm, die een onderzoek instelde op basis van 'no cure, no pay'. Mocht het tot een schadevergoeding komen, dan zal SOBI 20 procent krijgen van de uit te keren bedragen. Uit dat onderzoek concludeerde Lakeman al eerder dat de accountants van Moret, Ernst en Young ten onrechte jaarverslagen hadden goedgekeurd, omdat uit de 'suikeradministratie' zonneklaar bleek dat er gefraudeerd werd. Als de accountants wel aan de bel hadden getrokken, zouden de boeren meteen hebben kunnen ingrijpen. Dat er werd gefraudeerd, moet volgens Lakeman ook de Algemene Inspectie Dienst (AID) duidelijk zijn geweest, maar die trad niet op.