Geroeide oorlogsschepen

Behalve dat snel varen eigenlijk alleen maar door roeien en niet door peddelen mogelijk is, zijn er nog andere voordelen verbonden aan roeien. Een ervan is dat het mogelijk is meerdere mensen aan één riem te laten trekken, of, wat in de Oudheid eerst werd gedaan, meerdere rijen roeiers, elk aan een riem, naast elkaar op te stellen. Met twee rijen roeiers krijgt men zo een bireme, met drie een trireme.

Die extra rijen roeiers werden op zo'n manier tussen de roeiers van de eerste geschoven dat de lengte van de rij niet toenam. Op deze wijze wordt zoveel mogelijk voortstuwingsvermogen per lengte-eenheid van het scheepsboord opgesteld. Dit is niet alleen van belang als men zo groot mogelijke vaarsnelheid wil behalen - belangrijk voor oorlogsschepen - maar ook bij schaalvergroting van de schepen, daar de lengte van het boord waar roeiers langs gezet kunnen worden evenredig is met de lineaire afmeting, maar de scheepsweerstand - bij dezelfde snelheid - in eerste benadering met het kwadraat daarvan. Hoe groter het schip, hoe sterker de behoefte veel roeiers per eenheid van lengte langs het scheepsboord op te stellen, om alleen al dezelfde snelheid als die van een kleiner schip te kunnen behalen.

De oudste onbetwijfelbare afbeeldingen van schepen met meerdere rijen roeiers zijn gevonden in het paleis van de Assyrische koning Sanherib in Nineveh, die in de jaren 701-700 een veldtocht ondernam naar de Phoenicische kust. De Phoenicische schepen waarop de koning van Sidon en Tyre, LuliII, wegvluchtte naar Cyprus, waren afgebeeld op reliëfs in de toonzaal van Sanheribs paleis, zodat we ons een denkbeeld kunnen vormen van de scheepstypen in de Phoenicische vloot.

Helaas is dit materiaal sinds het in 1850 door de Britse archeoloog H.A. Layard werd ontdekt, vrijwel geheel verloren gegaan; slechts één fragment van een scheepsafbeelding heeft het Brits Museum bereikt en wordt daar permanent tentoongesteld. Voor het overige beschikken we slechts over de gravures in het verslag dat Layard in 1853 publiceerde; ook is een sindsdien verloren gegaan fragment nog in 1905 door L.W. King gefotografeerd.

In de voornaamste gravure zijn schepen afgebeeld met en zonder ram, kennelijk oorlogsschepen en transportschepen, maar ze zijn alle toegerust met twee rijen riemen; het waren biremen. De riemen van de bovenste rij liggen over het dolboord en de riemen in de onderste steken uit de romp, meestal boven een lijn die klaarblijkelijk een knik in de spantvorm aangeeft. Zo'n knik betekent dat de romp daarboven hetzij naar buiten, hetzij naar binnen viel. Analyse van de details van de afbeeldingen laten zien dat de beide mogelijkheden van interpretatie van dit gegeven waren gerealiseerd. Er waren schepen waar de romp boven de knik naar buiten uitwaaierde: deze bezaten een outrigger, maar er waren er ook waar de romp naar binnen toeviel, zoals we dat bij vele traditionele Nederlandse binnenvaartschepen aantreffen.

Van de vijf oorlogsschepen in de gravure waren er twee, genummerd 3 en 5, met naar binnen vallend boord, evenals het schip dat op het reliëf in het Brits Museum is afgebeeld. De drie overigen waren uitgerust met outriggers. Voor zover uit de details van de afgebeelde vrachtschepen valt op te maken, waren deze alle van het laatste type. Dit is ook begrijpelijk, want deze opstelling liet het meeste ruimte over voor de vracht. Er waren dus twee typen oorlogsbiremen in gebruik in de Phoenicische vloot, en één type vrachtschip.

De wijze waarop de twee rijen roeiers waren opgesteld in de romp werd weerspiegeld in de rompvorm. De roeiers zaten naast elkaar, maar op verschillende niveaus, zodat de buitenste roeiers geen last hadden van de riemen van de meer naar binnen zittende roeiers. Er zijn dan twee mogelijkheden: òf de buitenste roeiers zaten hoger dan de binnenste, òf ze zaten lager. Een derde mogelijkheid, die in de Renaissance werd benut, was dat ze naast elkaar op hetzelfde niveau zaten.

Het arrangement van de roeiers aan boord van triremes moet het resultaat zijn geweest van het plaatsen van nog een rij roeiers in de bestaande biremes. Dit zou dan in de beide bireme-type op een derde niveau zijn gebeurd. In principe zouden zo uit elke type bireme verscheidene trireme- type kunnen voortkomen. Praktische beperkingen maken dat er maar weinig mogelijkheden zijn om dit te doen. Wordt daar rekening mee gehouden, dan kan uit elk van de twee types bireme maar één type trireme resulteren, zoals in het diagram aangegeven, één corresponderend met een romp met naar binnen vallende boorden en één corresponderend met een romp met outriggers.

Het interessante is dat dit met de historische werkelijkheid overeen blijkt te komen. Een kleimodel van een Punische trireme, het zogenaamde 'Erment'-model (vernoemd naar de de plaats van herkomst Armant Iuni in Egypte) uit de derde of vierde eeuw voor de jaartelling, laat zich op de meest voor de hand liggende wijze interpreteren als een zonder outriggers. Dat Punische triremes werden gekarakteriseerd door de afwezigheid van een outrigger is ook overtuigend betoogd door de Belgische scheepshistoricus Lucien Basch. In de interpretatie die in het diagram is weergegeven staan de soldaten tussen de dollen van de bovenste rij riemen van de trireme van het 'Erment' type; de overblijfselen van de afgebroken figuurfragementen van het model duiden hier inderdaad op.

Anderzijds is het duidelijk uit de reliëfafbeeldingen van Griekse triremes, met name het 'Lenormant'-reliëf dat in 1850 op de Atheense acropolis werd gevonden, dat deze wèl van een outrigger waren voorzien. Deze triremes zouden dus van het andere type zijn geweest. Er zijn aanwijzingen in de Griekse literatuur dat de roeiers in de bovenste rij in of op de outrigger zaten, boven het water.

Het in het diagram aangegeven schip had een smalle, centrale loopgang. Over de beugels boven de roeiers konden zonnetenten worden gelegd, zoals ook zonnezeilen schematisch zijn aangegeven boven de roeiers in de Phoenicische oorlogsschepen. Bij het roeien in de Middellandse Zee was het absoluut noodzakelijk de roeiers tegen de felle zon te beschermen. Het schijnt dat de eerste Griekse triremes met een smalle, centrale loopbrug waren gebouwd, maar dat latere van een dek waren voorzien dat van boord tot boord reikte. De Olympias, de door Coates en Morrison nagebouwde Griekse trireme is van het laatste type, en het arrangement van de roeiers dat zij toepasten is een variatie op de in het diagram getoonde.

Het voorkomen van twee soorten triremes in de Oudheid zou verklaren waarom er op het eerste gezicht tegenstrijdige berichten over het ontstaan van dit scheepstype voorkomen bij de klassieke schrijvers. Clemens van Alexandrië schrijft de 'uitvinding' ervan toe aan de Phoeniciërs van de stad Sidon, vermoedelijk in de 7de of 8ste eeuw voor de jaartelling, maar Thucydides schrijft dat de eerste triremes in Griekenland in Korinthe werden gebouwd en dat dit voor het eind van de 7de eeuw zou hebben plaatsgevonden. Uit het voorgaande wordt het dan wel zeer waarschijnlijk dat ze van verschillend type waren.

In de Hellenistische tijd werden grote schepen gebouwd met type-aanduidingen waaruit volgt dat de riemen door meerdere roeiers werden bemand; dit was een volgende stap in de ontwikkeling, waarover maar heel weinig met zekerheid bekend is. In de vloot van Ptolemaeus Philadelphus (309-246 v.Chr.), de machtigste die de klassieke wereld heeft gekend, worden 'twintigers' en 'dertigers' als grootste schepen vermeld, in die van zijn kleinzoon Ptolemaeus Philopator was de grootste een 'veertiger', die overigens een fiasco was omdat het schip totaal onhandelbaar bleek.

Uit het recente (1995) proefschrift van Lehmann, The polyeric quest (ook in het Nederlands gepubliceerd als De queeste naar de polyreme), blijkt dat men vroeger, tot in het begin van deze eeuw, dacht dat deze grote schepen door twintig, dertig of veertig rijen roeiers aan elke zijde werden voortbewogen waarbij iedere roeier een riem hanteerde, hetgeen tot zeer bizarre reconstructies aanleiding gaf. Daarna kreeg het inzicht de overhand dat het betekend moet hebben dat aan elke riem meerdere roeiers trokken, ook al wordt dit voor die periode in geen enkele historische bron vermeld. Bovendien zijn er geen afbeeldingen uit de periode zelf bekend waar schepen op staan met meer dan drie rijen riemen boven elkaar.

Dit alles bij elkaar kan niet anders betekenen dan dat het aantal mannen dat aan één riem trok bij een 'veertiger' tot 14 kon oplopen. Deze mannen moeten dan in twee rijen tegenover elkaar hebben gestaan, want we weten van de praktijk op de veel latere galeien uit de Renaissance, dat men toch niet meer dan acht à negen man kwijt kon aan één zijde van een riem, die dan al zo'n 16 meter lang was.

In de Romeinse tijd waren de grootste oorlogsschepen dekeres 'tieners'. Dit waren de grootste schepen in de vloot van Antonius en Cleopatra waarmee ze in 31 v.Chr. bij Actium slag leverden tegen de schepen van Octavianus, de latere keizer Augustus. Ofschoon deze niet over zulke grote schepen beschikte won hij de slag, wat waarschijnlijk voor een niet gering deel was te danken aan de briljante bevelvoering van zijn admiraal Agrippa.