Fransen staken tegen de dictatuur van de wereldmarkt

De 180.000 Franse spoorwegmedewerkers hebben hun pensioen en hun ambtenarenstatus gered. De 2,2 miljoen studenten hebben voor hun universiteiten een extra concierge en versnelling van de nieuwbouw versierd. De rest van Frankrijk heeft blaren van het wandelen voor de status quo. 1995 lijkt in bijna niets op het vorige revolutie-jaar, 1968. Tenzij het Franse volk toch een boodschap voor Europa had.

Vandaag ontvangt premier Alain Juppé de bonden van werkgevers en werknemers om de bijna vier weken staking af te hechten en vooral een sociaal gesprek voor de toekomst aan te knopen. In 1968 eindigde het nationale straat-seizoen met de Akkoorden van Grenelle, waarbij de regering veel terrein prijsgaf. Daar ziet het nu minder naar uit.

De meidagen van 1968 waren uniek omdat studenten en vakbonden elkaar vonden in een afkeer van de gevestigde orde. De bonden kwamen weg met meer geld zodat de leden iets sneller een gevestigd bankstel konden kopen, en de studenten dachten na afloop dat zij intellectuelen waren. De wereld werd niet veel democratischer en de verbeelding was voorlopig weer op. 1968 was een feest van hoop op vernieuwing, een lentefeest.

De winter-revolutie van 1995 tekent de materieel bezorgde wereld van 27 jaar later. De autoriteiten hebben onvoldoende gezag om fundamenteel verzet tegen de staat uit te lokken. De Franse studenten koesteren dit keer geen bijzondere idealen; zij vragen een zaal met een docent er voor. Intussen zijn zij zeven keer zo talrijk als tijdens de vorige studentenopstand. De gelijkheid van kansen is vergroot, maar de middelen zijn maar ten dele bijgeleverd. Paradox nummer één: studenten, die de beste kans op een baan hebben, rebelleren tegen de werkloosheid.

Angst voor de toekomst was ook bij de vakbonden dit najaar de trekpleister waarmee zij miljoenen door heel Frankrijk de straat op kregen. Geen werk, naar werk, weer meer premies te betalen en een sterk afgenomen vertrouwen in de reparatiekracht van de politiek. Negatieve verwachtingen die leidden tot een massaal pleidooi voor de bestaande verzorgingsstaat. Verandering werd sowieso afgewezen, zelfs waar de regering grotere solidariteit met medisch onverzekerden aanbood.

Natuurlijk streden die spoorwegmensen voor hun pensioen op 50 (machinisten) of 55 jaar (overigen). Natuurlijk willen die postbodes wel drie keer per dag post rondbrengen, dat is minder zwaar en geeft meer tijd voor een praatje dan bij particuliere koeriersdiensten die altijd haast hebben. Natuurlijk hebben allerlei groepen Franse ambtenaren, van het gasbedrijf tot en met de Comédie Française, eigen rechten geregeld waardoor zij na een jaar of twintig, dertig kunnen gaan tuinieren. Tegen een aanzienlijk beter pensioen dan in het bedrijfsleven. Wie ambtenaar is in Frankrijk, is voor het leven lid van een besloten club. Wie het voor zijn dertigste niet is, zal nooit fonctionnaire worden. Het zijn niet de meest belangeloze advocaten van de service public à la française.

De sociale beweging die Frankrijk de afgelopen weken verlamde had onmiskenbaar corporatistische trekken. Er werden geen vernieuwende visies op Frankrijk of de post-industriële samenleving uitgedragen. De vakbonden speelden, als cynische omroepen, een hard spel om de kijkersgunst. En toch was er meer. Het Franse volk had het ongerief van honderden kilometers file, gemiste afspraken en uren liften in de kou niet zo inschikkelijk gedragen als de stakers niet een veel breder reservoir van onvrede hadden aangeboord.

Onvrede kan duizend verschillende motieven hebben. Dat bleek. Alle stencilaars kwamen uit hun holen, het vergeten verpleegstersfront liep arm in arm met de lassers van een carrosserie-fabriek die al jaren moet sluiten. Ook het reddingsplan voor de sociale zekerheid, het 'plan-Juppé' waarvan bijna niemand de contouren kent, was niet de kern waar omheen dit onweer zich kon vormen. Al die verontwaardigde tegenstemmers liepen op straat ook voor iets te demonstreren, al stond dat niet op hun vaandels.

Kregen dan eindelijk die stemmen in de Franse politiek gelijk die altijd zeggen dat het de boze buitenwereld is die Franse mensen uit Franse banen stoot, en dat met dichte grenzen en een zelf gekozen rente-niveau alles goedkomt? Gelukkig niet. Jean-Marie Le Pen en al diegenen binnen de fatsoenlijk-rechtse partijen die het 'Europa van Maastricht' de schuld geven, hadden geen merkbaar stijgend aandeel op de markt van drukte en gezien-zijn.

De sociale crisis had maar ten dele een anti-Europees gezicht. De spandoeken hielden het dicht bij huis: tegen de aantasting van de pensioenen en de sociale zekerheid. Maar meelopend met de manifestanten hoorde je verhalen over de armoede en de gekte van het moderne leven, twee banen om twee kinderen te kunnen opvoeden, de uitgeputheid van het reizen over grote afstanden, de angst dat er geen natuur meer overblijft voor de volgende generatie picknickers. Simpel gezegd: de keerzijde van Frankrijks economische successen van de laatste vijftien jaar. En verder: de eenzaamheid van het ook in Frankrijk omhelsde individualisme.

Fransen zijn beducht voor het verder oprukken van een Europa waarin de winst- en verliesrekening van de vooruitgang louter in economische termen wordt opgesteld. Dat klinkt Noord-Europeanen naïef en romantisch in de oren. Voor Fransen schuilt de schoonheid en zelfs de zin van het leven in vormen van vriendschap, van elegantie, van smaak - even goed in de voeding als in de omgang - waar de McDonald's-cultuur niet altijd aan toekomt. Paradox nummer twee: Fransen kunnen honds-onbeschoft zijn tegen onbekenden omdat zij meer hechten aan de perfectie van hun vertrouwde relaties. (Troost: daar berokkenen zij ook zichzelf vaak schade mee.)

Waar leiden deze impressies toe? Ook een prettig vakantieland heeft bewoners nodig, jammer als ze met zichzelf in de knoop zitten? Op een Europees en internationaal niveau zou de conclusie kunnen zijn dat de Franse volkswil steigert tegen wat zij zien als de dictatuur van de wereldmarkt - zonder te zien dat zij een deel van hun eigen welvaart daar aan ontlenen. Waar kan die intuïtieve afkeer beter op worden afgereageerd dan op de economische en monetaire hordeloop, de zaterdag op de Europese top in Madrid weer bekrachtigde EMU?

Paradox nummer drie: naarmate Frankrijk de afgelopen weken en maanden verder in de richting van emotioneel verzet tegen de EMU leek te glijden, klemde president Chirac zich steviger vast aan de Europese constructie. Tijdens de recente crisis heeft hij weinig gezegd, om premier Juppé de kans op beschadigd-worden niet te ontnemen, maar wat hij zei was: we gaan door, de Frans-Duitse alliantie zal de EMU in 1999 inluiden.

Zonder slag of stoot zal dat niet gaan. De sirenezang van de minimale Europese ambities klinkt in Frankrijk met nieuwe frisheid. Daniel Vernet, diplomatiek redacteur van Le Monde, schreef dinsdag een opvallend stuk over het 'Post-Madrileense dilemma', waarin hij Frankrijks sociale crisis vertaalde in een reden te meer om de Europese toekomst te bevrijden van de knellende EMU-verplichtingen. Wat een energie komt er vrij als dat niet meer hoeft, was zijn bijna roekeloze redenering: met de cynisch-pragmatische Britten kunnen we dan doorwerken aan een vrije markt en aan concrete, gezamenlijke Europese defensie-projecten, de Duitsers zijn vrijer de economie naar eigen inzicht te ontwikkelen zonder dat Frankrijk en de anderen door de Bundesbank worden geringeloord. Niemand hoeft halsbrekende diplomatieke excercities uit te halen om tot een echte gemeenschappelijke buitenlandse politiek te komen - met vijftien of twintig landen toch een farce. En alle resterende inspiratie komt vrij om meer verworvenheden van de Europese Unie uit te bouwen waar de burgers wat aan hebben: vrij personenverkeer, strijd tegen de werkloosheid, Europees burgerschap. Vernet: al die wegen, die nu worden genoemd als supplementen op de EMU, kunnen zonder EMU hoofdschotel worden.

Het zijn zondige gedachten in de adventstijd van de economische en monetaire unie, die Europa vrede en welvaart voor altijd moet brengen. Deze ketterse opwellingen zijn minstens even tastend als het EMU-geloof dogmatisch is geworden. Als die 60 miljoen Franse wandelaars van de afgelopen vier weken iets hebben willen zeggen, dan was het waarschijnlijk dat zij zich niet verheugen op een Angelsaksisch Europa. Zoals één spoorwegstaker zei: “Begrijpt Juppé niet dat we Frans zijn en geen Angelsaksisch leven willen?” (Paradox nummer vier: Groot-Brittannië doet maar half en de Verenigde Staten helemaal niet mee aan de EMU, waarvan de regels eerder in Frankfurt worden bedacht.)

Frankrijk had dit keer geen intellectueel discours voor Europa. Maar de opstand van het Franse volk tegen de economisering van het leven en de arrogantie van de elite laat zich moeiteloos vertalen op Europese schaal. De Unie zal socialer, democratischer en begrijpelijker zijn, of zij zal niet zijn.