Flexibel en mobiel

Het is in de vaderlandse wetenschapsbeoefening hetzelfde liedje als in de economie: vrijwel alle voorwaarden tot succes zijn aanwezig, maar waarom kan het niet nog een heel stuk beter? Nederland behoort wetenschappelijk in produktiviteit en invloed tot de top van de wereld. Onze geleerde activiteiten omvatten een breedheid en diepgang als geen enkel ander land van deze omvang. Toch schreeuwen politici regelmatig moord en brand over onze universiteiten.

De ene keer gaat het om de kwaliteit van het onderwijs, dan weer het maatschappelijk nut van het onderzoek, en vervolgens is het financieel beheer aan de beurt. Nu weer het personeelsbeleid, tegenwoordig human resource management ('HRM' in het jargon) geheten. Onze universiteiten roesten vast, er is veel te weinig mobiliteit, roepen Haagse onheilsprofeten. Het publiek krijgt er weer een negatieve opinie over de universiteiten bij. Bij profeten horen beloofde landen, hun remedie ligt klaar: niet alleen kennis maar ook de wetenschapsbeoefenaren zelf moeten in beweging. Het is tijd voor een eerste alarmfase: universitaire onderzoekers verrichten hun taak dikwijls in volledig isolement. Aldus een onder teveel adrenaline verkerende groep congresgangers te Amersfoort, aangevuurd door staatssecretaris Nuis.

Ho, ho. Wetenschap en mobiliteit: wat wordt daarmee bedoeld? Er zijn diverse vormen van mobiliteit binnen de wetenschapsbeoefening. We noemen de twee belangrijkste. Veldmobiliteit is het veranderen van onderzoeksterrein. Of mogelijk zelfs van type werk. Plaatsmobiliteit is het veranderen van werkomgeving, bij min of meer gelijkblijven van vakgebied. Veld- en plaatsmobiliteit kunnen al dan niet samengaan. Ze kunnen op verschillende schalen voorkomen: binnen de eigen organisatie, of rigoreus, bijvoorbeeld emigratie naar een ander land. Vooral van plaatsmobiliteit is bekend dat het belangrijk is. Andere omgeving, nieuwe inspiratie. In de wetenschapssociologie bestaan interessante studies naar de invloed van plaatsmobiliteit en migratie op doorbraken in de wetenschap: een onderzoeker neemt uit zijn of haar eerdere omgeving methoden van denken en werken mee die in de nieuwe omgeving vruchtbare bodem vinden.

Maar we moeten beducht zijn voor het bekende causale probleem: vooraanstaande onderzoekers worden veelal gekenmerkt door hoge mobiliteit (deels in veld, vooral in plaats), maar opgelegde mobiliteit maakt van een middelmatig onderzoeker nog geen topper. Het is daarom zaak uit te kijken dat het gespecialiseerde human resources in science management - HR-SM voor de liefhebbers - niet gaat ontaarden in het zoveelste bureaucratische circus dat onze universiteiten weer zal teisteren. De kans is niet gering dat de groeiende kaste van organisatofielen omwille van een mooi stukje geavanceerd personeelsbeleid de hele structuur van het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek op zijn kop gaat zetten.

Nog erger wordt het als de hogepriesters van het marktdenken en de lieden die het persen van maatschappelijk nut uit wetenschappelijk onderzoek verplicht willen stellen, een verbond sluiten met de human resource managers.

In dit streven past precies de boodschap over de geïsoleerde onderzoeker. Kennelijk is het van politiek voordeel om deze karikatuur van de wetenschapsbeoefenaar te handhaven en te versterken. Immers, organisatiedeskundigen 'aangestuurd' door adviesraden en commissies staan handenwrijvend gereed om het klusje te klaren. Politici kunnen vervolgens de burgers vertellen dat ze eindelijk een eind gemaakt hebben aan een belangrijke maatschappelijke misstand: het bewonen van universitaire ivoren torens.

Bevinden wetenschappelijke onderzoekers zich in ivoren torens en zijn ze immobiel? Welnee. Een paar Bijzondere Gekken misschien, maar daar heb je juist een universiteit voor. Niets is zo mobiel als het produkt van de onderzoeker, wetenschappelijke kennis.

Internet, World Wide Web, het is allemaal ontstaan uit de steeds sneller wordende communicatie tussen wetenschapsbeoefenaren. Veld- en plaatsmobiliteit hebben een virtuele variant gekregen. In zo'n ivoren toren kun je tegenwoordig elektronisch buitengewoon mobiel zijn. Het is dus maar de vraag wat heden ten dage in een wetenschappelijke organisatie als een universiteit onder bevordering van mobiliteit moet worden verstaan. Belangrijker lijkt het om eerst de relatie met kwaliteit en talent te begrijpen. Het ligt immers voor de hand dat ten aanzien van de wetenschappelijke elite heel ander personeelsmanagent aan de orde is dan bij de middelmaat. Wie curricula vitae van succesvolle wetenschapsbeoefenaren leest, zal eerder een overkill aan mobiliteit dan het omgekeerde vrezen. Succesvol, dat moet er wel bij.

Wetenschappelijke kennis van hoge kwaliteit kenmerkt zich door een enorme beweeglijkheid. De invloed van vooraanstaand wetenschappelijk werk bestrijkt binnen de tijd die nodig is om te promoveren drie tot tien maal zoveel tijdschriften als waarin gepubliceerd wordt. Het aantal verwijzingen naar artikelen die net verschenen zijn of nog gepubliceerd moeten worden is in de afgelopen jaren sterk toegenomen.

Wetenschapsbeoefening is een van de meest dynamische bezigheden van de menselijke soort. Kwaliteit is iets om trots op te zijn, maar voor zelfgenoegzaamheid is absoluut geen ruimte. Altijd ligt een nieuwe ontwikkeling, en daarmee de competitie met andere onderzoekers en groepen op de loer. Niet alleen kennis is mobiel, maar vooral de makers van kennis, de onderzoekers, zijn uitermate beweeglijk. Een onderzoeker van hoge kwaliteit is op vele plaatsen bekend, en kan op vele plaatsen aan de slag. Voor universiteiten zijn aantrekken en behoud van top-kwaliteit - immobiliseren in zekere zin - vaak veel belangrijker dan mobilititeit. De ivoren toren is vaak noodzakelijk om topkwaliteit te kunnen uitbroeden. Leve het isolement (tijdelijk weliswaar)!

Mobiliteit is dus vooral een probleem voor de wat minder begaafde onderzoeker, de middelmaat. Daar is zowel veld- als plaatsmobiliteit een zeldzaamheid. In de nu achter ons liggende jaren van expanderend hoger onderwijs werd de toestroom van studenten beantwoord met een sterke toename van het wetenschappelijk personeel. Lang niet allen waren gegrepen door de vitaliteit van de wetenschap en de daarbij horende rusteloze mobiliteit van de onderzoeker. In vele academische vakgebieden is daardoor het volgende carrièrepatroon onstaan: men studeerde af, huwde een plaatselijke schone, rolde in een universitaire aanstelling, en werd op een maandagmorgen met vaste aanstelling wakker. Bevorderingen volgden op basis van het aantal dienstjaren. Voorgeschreven en gestimuleerd door de overheid, bewaakt door de vakbonden. Zoals bij Heer Bommel geld geen rol speelt, zo ging allengs aan de Nederlandse universiteiten vitaliteit en kwaliteit geen rol meer spelen. Zo gaat het al decennia lang. Als door een wonder heeft de wetenschappelijke elite zich weinig van dit alles aangetrokken: de Nederlandse universiteiten zijn daardoor geëvolueerd tot een permanent Kerstpakket met deels zeer goede wijn en daarnaast de nodige worstjes en smeerkaasjes.

Dat is in het buitenland wel anders. In Duitsland is bevordering van wetenschappelijk personeel naar een hogere rang aan dezelfde universiteit vrijwel uitgesloten. Wie van assistent naar docent wil, wie als docent hoogleraar wenst te worden, zal plaatsmobiel moeten zijn: vertrekken naar een andere universiteit. Niks inteelt, het verschijnsel waar de Nederlandse universiteiten tot de dag van vandaag onder leiden.

Het Duitse voorbeeld laat zien dat kwaliteit en mobiliteit onverbrekelijk aan elkaar gekoppeld zijn. Dit werkt zo sterk, dat mobiliteit een indicator van kwaliteit is geworden. De informatiekrant van de Duitse universiteit waar ik bijna vier jaar werkte, kondigde nauwgezet aan welke wetenschapsbeoefenaren er van een andere universiteit of wetenschappelijke instelling een Ruf erhalten, abgelehnt, dan wel angenommen hadden. Binnen een jaar weet je dan van een hele universiteit waar de toppers zitten. Bovendien is overal in het buitenland, zo ook in Duitsland, de directe financiering van het universitair onderzoek (de 'eerste geldstroom') veel kleiner dan in Nederland. De meeste middelen worden door de onderzoeker zelf verworven bij nationale wetenschappelijke organisaties en verdere buiten-universitaire bronnen. Vertrek van een jonge hoogleraar naar een betere positie aan een andere universiteit betekent dan ook onvermijdelijk dat niet alleen degene opstapt die de Ruf aanvaard heeft, maar dat ook een aanzienlijk deel van zijn of haar groep mee gaat. Mobiliteit in veelvoud.

We komen telkens terug op hetzelfde. De door de Nederlandse politiek aan de universiteiten eertijds opgelegde bestuursstructuur alsmede de veel te grote eerste geldstroom hebben vitaliteit, mobiliteit en de relatie met kwaliteit fors belemmerd. Daar is van Haagse kant tot de dag van vandaag weinig tot niets aan veranderd. Dat er nog zoveel gepresteerd wordt, is vooral te danken aan grote bestuurlijke en wetenschappelijke inspanningen binnen de universiteiten zelf. Er staat ons nog het een en ander te doen, dat is duidelijk. Maar laten we ons niet wijs maken dat dit voor de zoveelste maal het slecht functioneren van onze universiteiten illustreert. Als we dit echt gaan geloven, wordt de universiteit niet meer werkbaar. Dan wordt talent zo mobiel dat er in Nederland weinig meer over blijft. Zo kan de Haagse Nieuwjaarswens voor de belastingbetaler er niet uit zien.