'China en India: gelijke kansen op snelle groei'

China en India, de twee volkrijkste landen ter wereld, mogen zich in een levendige belangstelling van westerse bedrijven en economen verheugen. China ontving vorig jaar 25 miljard dollar aan buitenlandse investeringen, India bleef daar met 4 à 5 miljard ruim achter. China kende de laatste drie jaar een nauwelijks voorstelbare economische groei van 12 à 13 procent, terwijl India uitkwam op een veel lagere maar internationaal zeer acceptabele 5 procent.

Ondanks een groot aantal andere verschillen hebben beide grote landen nu tamelijk gelijke kansen om een snelle economische ontwikkeling over een langere periode vast te houden, meent dr. Vincent Cable, die twintig jaar lang Shells lange termijnplanning voor India en China verzorgde. “Het zijn allebei landen met enorm potentieel en tegelijk met een hoog risico.”

In dit tijdperk van globalisering is er een levendige belangstelling voor de economische liberalisering en de opvallende groei in 's werelds twee volkrijkste landen: China met 1,2 miljard bewoners/consumenten en India met 0,85 miljard, op een wereldbevolking van 5,2 miljard. Volgens projecties van de Verenigde Naties zullen de bevolkingen van beide landen zich midden volgende eeuw ieder stabiliseren tussen de 1,5 en de 2 miljard, waarbij de bevolking van India waarschijnlijk het grootst zal zijn.

China kende de laatste drie jaar een nauwelijks voorstelbare economische groei van 12 à 13 procent, terwijl India uitkwam op een veel lagere maar internationaal zeer acceptabele 5 procent. “Als beide - of zelfs maar één land - er in zouden slagen om door te breken naar een voortgezette en snelle economische ontwikkeling à la Taiwan of Korea zal dat van historische betekenis zijn, niet alleen voor die landen zelf maar ook voor de rest van de wereld.” Dat zegt dr. Vincent Cable, die twintig jaar lang Shells lange termijnplanning voor India en China verzorgde en kort geleden als chef economie van het Royal Institute of International Affairs in Londen de studie China and India, Economic Reform and Global Integration schreef.

Ik ontmoet Cable in zijn weidse studieruimte in het antieke Chatham House aan het St.James-square, in het centrum van Londen. Die plaats verwisselt hij weldra voor het hoofdkwartier van Shell waar hij zojuist tot 'chief-economist' is benoemd. De felle ogen van de gentleman flikkeren even op als hij temidden van mijn paperassen een flatteuze recensie van zijn 'China and India' uit de Financial Times ontdekt. Vincent Cable noemt zijn vergelijkende studie 'intellectueel zeer interessant' en gezien het aantal parallellen tussen de twee landen 'goed mogelijk'.

“Het zijn beide ontwikkelingslanden in de overgang van een commando-economie naar een vrije markt-economie met alle anarcho-kapitalistische uitwassen van dien”, vertelt Cable. “Weliswaar heeft India anders dan China een gevestigd wettelijk systeem en duidelijke eigendomsrechten maar in de praktijk werkt de wet er vaak pijnlijk langzaam of wordt hij omzeild.” Het zijn volgens Cable ook zeer grote landen met vergelijkbare schaalproblemen zoals het managen van vele honderden miljoenen mensen op een niet overgecentraliseerde wijze, maar evenmin zo dat centrifugale krachten de overhand krijgen. Verder beklemtoont Cable dat China en India ondanks hun status van ontwikkelingsland al enorme economieën hebben. China komt na de VS en Japan op de derde plaats met een bruto nationaal produkt (op basis van koopkrachtpariteit) van 2.200 miljard dollar en een inkomen per hoofd van ongeveer 2.000 dollar per jaar. India heeft 's werelds vijfde economie met een BNP van 1.100 miljard en een gemiddeld persoonlijk jaarinkomen van 1.100 dollar.

Vincent Cable: “Beide landen hebben bovendien een enorme variëteit aan menselijke hulpbronnen. China produceert nu meer ingenieurs op universitair niveau dan de VS. India heeft de grootste concentratie aan Engelstalig wetenschappelijk talent na de VS met bij voorbeeld 100.000 software-ingenieurs. Maar aan de andere zijde van het spectrum bevinden zich in beide landen nog honderden miljoenen elementair levende landarbeiders en keuterboeren wier technieken eeuwenlang onveranderd bleven.”

Vincent Cable ziet evenzeer een bruikbare historische parallel: China werd in 1948 communistisch en India kreeg in 1947 zijn onafhankelijkheid. “Beide begonnen toen met een schone lei, wat het mogelijk maakt processen te vergelijken die daarna plaatsvonden,” aldus de onderzoeker.

Sinds die 'begintijd' toonde de economische groei van China en India grote verschillen. Waarom?

Dr. Cable: “Vanuit een breder perspectief zijn de groeiverschillen tussen China en India minder spectaculair dan ze op het eerste gezicht lijken. Vóór 1950 groeiden beide landen eeuwenlang nauwelijks of niet. De versnelling kwam daarna. In China onder Mao was dat nog moeilijk vast te stellen. Maar sinds het einde van de jaren zeventig groeide China zeer snel met gemiddeld 9 procent per jaar. India kwam uit op 4 tot 5 procent. Maar meer dan dit verschil valt op dat beide landen zo snel groeien, zeker als je kijkt naar hun geschiedenis en hun recente groeicijfers vergelijkt met de rest van de wereld.”

Vincent Cable ziet achter de verschillende groeitempo's van China en India een drietal factoren. Hij zegt: “Allereerst is de Chinese spaarquote met 40 procent van het nationaal produkt het dubbele van de Indiase. Dat komt doordat China wat welvarender is en ook doordat in de nog uitgebreide Chinese staatssector veel elementen van gedwongen sparen zijn te vinden. Verder is de Indiase groei wat minder spectaculair dan in China omdat India minder verstedelijkt is en meer op zijn agrarische sector steunt. Dat 60 procent van de Indiase werkende bevolking landarbeider of keuterboer is, betekent vooralsnog een belangrijke rem op spectaculaire economische groei. Tot slot telt natuurlijk het simpele feit dat de liberalisering in China al in 1978 begon en in India pas in 1991 in het kielzog van een schuldencrisis.”

Wat vindt u van de theorie dat China zich sneller liberaliseert en ontwikkelt dan India omdat het autoritaire Chinese systeem beter in staat zou zijn radicale hervormingen door te voeren dan de rommelige Indiase democratie?

Cable: “Ik heb daar zeer gemengde gevoelens over. Het is waar dat in China een opgelegde orde en gevoel van richting hebben geholpen bij een radicaal hervormingsproces. Dus ben ik tot op zekere hoogte verdediger van de voortvarende Chinese aanpak. Tegelijk is de Indiase democratie vaak chaotisch en tergend traag. Maar ik besef ook dat het Indiase systeem vergeleken met het Chinese een enorm en vaak onderschat voordeel heeft: De besluitvorming steunt er op consensus en zij die de besluiten nemen, zijn gekozen en hebben een onderliggende legitimiteit. In China bestaat zo'n legitimiteit niet, behalve dan als passieve onderwerping gebaseerd op het vermogen van machthebbers om orde op te leggen en economische groei te bevorderen. Zo'n autoritaire benadering voldoet bij verdergaande ontwikkeling van de maatschappij en haar leden steeds minder. In Korea en Taiwan kwam de democratisering tot stand via een zachte landing van het oude systeem. Het veel grotere en complexe China staat nog voor die landing en het is niet zeker dat die zacht wordt.”

Intussen staan westerse bedrijven in de rij om vooral in China maar ook India aan de slag te gaan. Zijn de westerse dromen over de groeiende koopkracht van honderden miljoenen nieuwe middenklassers terecht?

“Dat klopt, alleen zijn die middenklassen wat anders dan die bij ons. In India praat je al gauw over 200 miljoen mensen. Die hebben een middelbare opleiding, een bedragje op de bank, een baan, een bedrijfje, een boerderijtje met één tot twee hectare grond, en wat duurdere consumptiegoederen zoals een televisie. Indiase middenklassen rijden zeker nog geen auto, zoals bij ons, maar brommers of scooters. En velen leven nog in krottenwijken.

“In China is de koopkracht minder goed in kaart gebracht door het ontbreken van een infrastructuur van marketing- en advertentiebedrijven. Bovendien is China door de maoïstische revolutie minder sociaal gelaagd dan India en zijn daar eerder koopkrachtverschillen tussen gebieden dan klassen. Toch is er volop bewijs dat de consumptie in China op een hoger niveau ligt dan in India en sneller groeit. Volgens een recent onderzoek van Gallup zijn er nu 760 miljoen horloges in China, ongeveer één voor elke volwassene; 450 miljoen fietsen, dus heeft 80 procent van de huishoudens er één; en 250 miljoen televisies, of één voor elke twee gezinnen. De Chinese vraag naar meer geavanceerde produkten stijgt explosief. Dit jaar worden er ongeveer 400.000 personal computers verkocht tegen 200.000 in 1992.”

U beschrijft in uw studie de vooruitgang in beide landen bij het liberaliseren van hun economieën: de versterkte marktwerking, de afschaffing van prijscontroles, de vrijere goederen- en kapitaalstromen van en naar de buitenwereld, de lancering van aandelenbeurzen, etcetera. Maar u wijst er ook op dat China en India in tegenstelling tot Rusland nog niet bij machte bleken de verliesgevende staatsbedrijven aan te pakken. Hoe serieus is dat probleem?

“Jarenlang belichaamde het staatsbedrijf de geest van de Chinese revolutie en van het Nehroe-socialisme. Maar intussen is wel duidelijk geworden dat deze bedrijven inefficiënt zijn en grote verliezen lijden. Toch is de angst van de Chinese en Indiase regeringen om deze bedrijven te privatiseren en zonodig te liquideren begrijpelijk. Zij vrezen de sociale en politieke gevolgen. Hele steden en regio's zijn met name in China van zulke ondernemingen afhankelijk, temeer daar ze ook de sociale voorzieningen voor hun personeel regelen. Daar komt in India bij dat militante vakbonden de aantasting van staatsbedrijven fel bestrijden.

“Het beleid is er daarom in China en wat mindere mate ook in India op gericht het relatieve belang van de niet-hervormde staatssector te laten verschrompelen door particuliere ondernemers, onder wie buitenlandse investeerders, optimale expansiemogelijkheden te bieden. Op het eerste gezicht heeft deze strategie belangrijke resultaten opgeleverd. Toen de economische liberalisering in 1978 in China begon, zorgden staatsbedrijven voor 78 procent van de industriële produktie. Vorig jaar was dat nog maar 43 procent. Maar de schijn bedriegt. Want vorig jaar slokten de staatsbedrijven 70 procent van alle overheidsinvesteringen op tegen 62 procent in 1983. Wat aangeeft hoe inefficiënt dat geld wordt gebruikt. Dit probleem kan niet veel langer worden genegeerd, want het bemoeilijkt een gezond begrotingsbeleid en vergroot de kans op inflatie. Bovendien corrumperen inefficiënte staatbedrijven het monetaire systeem. Daardoor gaan de banken in China en India gebukt onder de 'slechte' leningen aan staatsbedrijven. Als dit probleem niet wordt opgelost zal het de macro-economische politiek en de groei van beide landen steeds meer gaan ondermijnen.”

Rusland heeft de staatsbedrijven wèl radicaal geprivatiseerd. Is het een voorbeeld voor India en China?

“Het blijven moeilijk vergelijkbare werelden. Rusland is allang een urbane en hoog-industriële samenleving, terwijl China en India nog dominante agrarische trekken hebben. In India was er de afgelopen jaren sprake van geleidelijke hervorming in een democratische context. In China werd het hervormingsproces de afgelopen vijftien jaar zorgvuldig gemanaged in een stabiele politieke situatie. Maar in Rusland vond sinds 1990 een echte revolutie plaats, niet minder ingrijpend dan die van 1917. Deze systeemwisseling was niet zozeer een politieke keuze, maar werd de Russen eerder afgedwongen door historische omstandigheden. Zo werd de op sommige terreinen al zeer geavanceerde Russische economie steeds minder efficiënt en onbekwaam om in te haken op de nieuwe informatie/kennis-maatschappij. De Russische commando-economie gaf onvoldoende flexibiliteit aan steeds beter opgeleide en deskundige mensen. En tot slot waren er natuurlijk een Koude Oorlog en een wapenwedloop met het zoveel rijkere Westen die de Sovjet-economie lieten desintegreren.”

Is de liberalisering in China en India onomkeerbaar?

“Je moet niet snel 'nooit' zeggen. Maar ik denk dat 't hoogst onwaarschijnlijk is dat zij kunnen teruggaan naar het punt waar zij ooit waren. Het Chinese systeem kan zich op vele manieren verder ontwikkelen, maar ik zie geen enkele kans op terugkeer naar het maoïsme. Het is wel mogelijk dat er een ontwikkeling komt in meer nationalistische richting. Dat zou bepaalde hervormingen kunnen beperken en de mogelijkheden voor buitenlandse investeringen en handel kunnen beperken. Het gaat in China niet alleen om de opvolging van Deng maar om de vraag of het hele systeem levensvatbaar blijft. Op een gegeven moment kun je een overgang verwachten naar een meer open systeem. Dat kan gewelddadig gebeuren of evolutionair zoals in Taiwan en Korea. De Indiërs hebben dat al gedaan en de Chinezen moeten dat probleem nog oplossen.

“In India zijn de hervormingen jonger en lijken zij aan de oppervlakte meer precair omdat zij op democratische wijze en publiek worden besproken, bekritiseerd en betwist. Toch is het voor mij, ondanks geregelde uitbarstingen van xenofobie, duidelijk dat de intellectuele consensus in India definitief is verschoven van traditionele socialistische planning naar liberalisering en het primaat van de markt. Ook de communisten en de extreme Janata-nationalisten zijn geneigd dat te beamen zodra ze op deelstaatniveau politieke macht veroveren.”

China lijkt voor het gros van de buitenlandse investeerders aantrekkelijker dan India. Is dat terecht?

“Volgens grove cijfers ontving China vorig jaar 25 miljard dollar aan buitenlandse investeringen, waarvan 80 procent afkomstig was uit de grote Chinese diaspora. India bleef daar met 4 à 5 miljard ruim achter. Toch meen ik dat beide landen nu tamelijk gelijke kansen hebben om snelle economische ontwikkeling over een langere periode vast te houden.

“China behaalde tot nu toe de betere economische groeicijfers. Maar er blijven in dat land enkele belangrijke obstakels zoals het gebrek aan commerciële wetgeving, aan legale systemen om conflicten te beslechten, en aan eigendomsrechten. De bedrijven uit de Chinese diaspora, al eeuwenlang gewend om te werken in onzekere en ruige omstandigheden, kunnen daar vermoedelijk beter tegen dan westerse bedrijven. Verder garandeert het wankele systeem van macro-economisch management in China vooralsnog geen financiële stabiliteit. De inflatie loopt nog in de dubbele cijfers. En dan is er de politieke onzekerheid, niet alleen over Deng's opvolging maar over het Chinese systeem als geheel.

“India heeft daarentegen enkele voordelen die kunnen worden afgezet tegen zijn mindere groeiprestaties. Het heeft vergeleken met China een ontwikkelde business-structuur van gespecialiseerde financiële diensten, aandelenmarkten en Engelstalige communicatie-, advertentie-, en ontwerp-activiteiten. Corruptie en wetteloosheid zijn ook ernstige problemen in India maar er is tenminste een erkend systeem van wetgeving, een onpartijdige zij het niet altijd efficiënte rechterlijke macht, en een omvangrijk zakenleven dat het belang erkend van contracten en kwaliteitsstandaarden. Het Indiase monetaire beleid is gedisciplineerd en de inflatie is er lager dan in China. En hoewel het politieke leven turbulent en niet zelden gewelddadig is, bestaat er een onderliggende 'systeem-stabiliteit'. De additionele prikkel van hervorming kan er nu leiden tot een sneller groeitempo. Maar de relatieve cijfers die China en India worden toebedeeld zijn, denk ik, minder belangrijk dan de gemeenschappelijke kenmerken, namelijk dat het allebei landen zijn met enorm potentieel en tegelijk met een hoog risico.”