Best of Barings

Op achtentwintigjarige leeftijd twee miljard gulden zoek maken en zodoende de oudste en deftigste zakenbank van de Londense City om zeep helpen, dat is een hele prestatie. Op tweeënveertigjarige leeftijd de volledige zeggenschap krijgen over de staatsfinanciën van een groot land en dat land een kwart eeuw als alleenheerser besturen, is ook een hele prestatie, maar wel van een andere orde. De eerste prestatie werd geleverd door de jeugdige en goklustige beursfantast Nick Leeson, die dit jaar de Barings Bank ten gronde deed gaan. De tweede prestatie werd geleverd door de meest illustere telg uit diezelfde familie Baring, Evelyn Baring, beter bekend onder zijn latere naam en titel van Lord Cromer.

De familie Baring heeft in Engeland een belangrijke rol gespeeld, niet alleen in de financiële wereld, maar ook in de politiek. Evelyn Baring, die geboren was in 1841, was een telg uit deze familie en paste geheel in deze traditie. Hij werd eerst officier, daarna particulier secretaris van de onderkoning van Brits-Indië. Omdat hij uit een bankiersfamilie stamde, werd hij geacht verstand te hebben van geld en daarom werd hij in 1877 lid van de Frans-Engelse commissie die de Egyptische schuldencrisis moest oplossen. In 1883 kwam zijn finest hour. Hij werd benoemd tot 'Consul-generaal en Agent' van Engeland in Egypte. De functie klinkt bescheiden, maar zijn macht was vrijwel onbeperkt. Tot 1907 heerste hij met vaste hand over Egypte. Hij schreef er later een boek over: Modern Egypt.

Cromers bewind in Egypte viel in wat men wel een woelige periode van de geschiedenis mag noemen. Engeland had het land in 1882 bezet om een einde te maken aan de opstand van Arabi Pasja en de orde te herstellen. Egypte was voor Engeland van groot belang wegens het Suezkanaal. Engeland was dit kanaal gaan beschouwen als de levensader van zijn Empire. Het kanaal moest derhalve beschermd worden en daarom moest de orde worden hersteld. De doelstelling was aanvankelijk dus beperkt. Als rust en orde waren teruggekeerd, zou Engeland zich terugtrekken. Maar daar kwam het niet van. Het probleem was, zoals Cromer al snel inzag, dat hij wel het gezag kon herstellen, maar er geen instantie was om het aan over te dragen. Het Egyptische staatsbestel was door de vele buitenlandse invloeden en bemoeienissen ondermijnd en na de revolte van Arabi Pasja totaal ingestort. Als Engeland zich terugtrok, zouden rust en orde al snel weer verdwijnen. Zo zat er voor Engeland niet veel anders op dan in Egypte te blijven en dat deed het dan ook, zoals bekend, tot 1954.

Cromer had de feitelijke leiding over Egypte. Hij was verantwoordelijk voor de financiële en administratieve sanering van het land en deed dat met veel succes. Door een strikt financieel beleid slaagde hij er in weinige jaren tijd in de begroting sluitend te maken. Cromers verdiensten als administrateur werden dan ook veel geroemd en worden ook tegenwoordig nog altijd erkend, ook door de Egyptenaren.

Anders ligt het met zijn ideeën over de Oriënt en de oosterling, die hij in verschillende geschriften heeft neergelegd. Die ideeën zijn zeer omstreden. Volgens Cromer bestaat er een scherpe tegenstelling tussen de Europeaan en de oosterling. De Europeaan is een man van rede en analyse. Hij denkt logisch, ook als hij nooit logica heeft gestudeerd. Hij is van nature sceptisch en aanvaardt niets als waar, zolang het niet is bewezen. De geest van de oosterling daarentegen is even verward en chaotisch als de pittoreske straten in de oosterse steden. Zijn denken is rommelig en zonder patroon. Hij is niet in staat uit simpele feiten zelfs maar de simpelste conclusie te trekken. Zijn verklaringen zijn langdradig, onduidelijk en tegenstrijdig. Hij spreekt zichzelf voortdurend tegen en valt ook bij een simpele ondervraging al door de mand.

Cromer is dus niet tevreden over de oosterse manier van denken, maar daar blijft het niet bij. Behalve over het gebrek aan logica en redelijkheid heeft hij het ook nog over andere karaktereigenschappen van de oosterling: zijn gebrek aan initiatief en energie, zijn neiging tot intriges, vleierij, bedrog etcetera. Cromer gebruikt ook hierover krachtige taal en zijn uitspraken liegen er niet om. Geen wonder dan ook dat hij een van de bêtes noires is uit Edward Saids Orientalism. Cromer was uitzonderlijk in zijn prestaties en verantwoordelijkheden en zijn ideeën waren zeer geprononceerd. Hij was door geboorte en opvoeding een man met een overweldigend zelfvertrouwen en superioriteitsgevoel, om niet te zeggen arrogantie. Hij droeg niet voor niets de bijnaam 'over-Baring'. Maar hij was ook een kind van zijn tijd. Hij was er, zoals velen, van overtuigd dat het Engelse bestuur in Egypte een zegen was voor de bevolking. Engeland bracht er gezonde financiën, gezond bestuur en gezond drinkwater. Het bevrijdde de onderdrukte onderdanen van rechteloosheid en willekeur.

Cromer stond, zoals zovele progressieve kolonialen, voor het dilemma van good government of self government. Als echte liberaal was hij voor het beginsel van zelfbestuur, maar als verlichte westerling kon hij moeilijk aanvaarden dat het Egyptische zelfbestuur neerkwam op wat in westerse ogen wanbestuur was. Cromer was geen uitzondering. Velen van zijn tijdgenoten en vooral veel westers opgeleide koloniale bestuurders dachten er net zo over. Zij zagen vanuit het superioriteitsbesef van de triomferende westerse beschaving neer op andere culturen, die zij ofwel als primitief en barbaars, zoals in het geval van Afrika, dan wel als dom en achtergehaald zoals Azië, ofwel als corrupt en decadent, zoals de Oriënt, beschouwden. Soms was deze minachting racistisch geïnspireerd, maar lang niet altijd. Het ging meer om cultuur dan om natuur.

De mogelijkheid voor niet-westerse volken om op te klimmen tot westers niveau werd immers niet uitgesloten. Zij moesten hier echter door het Westen wel bij worden geholpen. Sommige 'oosterlingen' deelden trouwens een deel van deze opinies. Ook zij vroegen zich af, waardoor Europa zo superieur was geworden en waarom hun eigen landen en volken hun vroegere grootheid hadden verloren. Sommigen hunner kwamen tot dezelfde conclusie als de koloniale ideologen: de superioriteit van het Westen lag in wetenschap en techniek, kortom in cultuur. Die cultuur konden zij zich ook eigen maken, maar om er wat nuttigs mee te doen voor het land was een hervorming van politiek en bestuur nodig. Dezelfde redenering leidde dus tot zeer verschillende conclusies: voor de een lag de oplossing in het koloniale bestuur, voor de ander in revolutie.