Aaftink hervindt ijsplezier

ASSEN, 21 DEC. Christine Aaftink reed gisteren op de ijsbaan in Assen vrij gemakkelijk naar de nationale titels op de 100 en 300 meter. Een aardige opsteker voor de 29-jarige Aaftink, die zich vorige week afscheidde van de dameskernploeg sprint van coach Leen Pfrommer waar de sprintster uit Baambrugge sinds 1987 deel van uitmaakte. Met een eigen ploeg ging ze verder.

Afgezien van Aaftink ontbrak de landelijke sprinttop op het NK korte afstanden, waardoor Aaftink eigenlijk al voor het eerste startschot zeker was van twee medailles. Haar collega-sprinters uit de kernploeg zijn net als de mannensprinters momenteel op trainingskamp in het buitenland. Gerard van Velde en Anita Loorbach konden hun titels daardoor niet verdedigen. Beiden wonnen vorig jaar zowel op de 100 als de 300 meter. Aaftink kreeg alleen het kampioenschap op de 100 meter niet in de schoot geworpen. In een van de twee ritten op deze afstand moest ze Janine Koudenburg voor zich laten. Op de 300 meter won Aaftink tweemaal eenvoudig.

Aaftink overwoog het afgelopen seizoen te stoppen, omdat ze het gevoel had dat haar prestatiecurve voorgoed de verkeerde kant opging. Sinds 1987 was ze nationaal sprintkampioene, met een lichte terugval in 1991 toen ze in Assen genoegen moest nemen met het zilver. Dit jaar moest ze op de sprintkampioenschappen in Alkmaar zowel Annamarie Thomas als Sandra Zwolle voor zich laten gaan. “Ik had het idee dat ik af zou glijden naar niks, als ik zo zou doorgaan”, zegt ze over het knellende keurslijf dat het verblijf in de kernploeg voor haar in toenemende mate was. Met de steun van een eigen ploeg heeft Aaftink het gevoel dat ze zich beter op de grote evenementen kan voorbereiden, zoals de World Cup Sprint begin januari in op de Medeo-baan in Alma Ata, de World Cup sprint een week later in Davos en de wereldkampioenschappen sprint medio februari in Heerenveen.

Gisteravond ging het lekker, zegt Aaftink, die niet uitbundig reageerde op beide titels. “Leuk” noemde ze de behaalde kampioenschappen, meer niet. “Er is toch wel wat van me afgevallen.” Ze had een “hectische” week achter de rug na het afscheid van de kernploeg. “Dat was best wel een grote stap.” Maar zo verschrikkelijk veel is er ook weer niet veranderd, onderstreepte ze. “Ik heb m'n trainers, ik heb mijn ploeg, zo anders is het nou ook weer niet. Maar ik heb het idee dat ik me zo beter man voorbereiden.”

Weinig supporters waren getuige van de titelstrijd bij de dames en de heren in ijsstadion De Smelt. Nog geen honderdvijftig mensen zaten op de houten banken, vooral familie en vrienden. In de eerste rit, net na vijven, zagen ze een klein meisje op de Nederlandse Kampioenschappen debuteren, Suzette van de Ham uit het Zuidhollandse Zevenhuizen. Net zestien jaar, lid van de nieuwe schaatsgeneratie, naar eigen zeggen als enige bij de dames op klapschaatsen.

Vergezeld van vader en coach had de junior ruim tweehonderd kilometer gereden om twee keer de rechte baan van honderd meter over te flitsen. Haar aanhang verdubbelde tot haar verrassing, toen plotseling twee vrienden uit Zevenhuizen opdoken.

Omdat één deelneemster ten val kwam, belandde Van Ham in het eindklassement niet op de zestiende en laatste, maar op de één na laatste plaats terecht.

“Ik vond het spannend en was best wel zenuwachtig, met dat publiek erbij, dat had je bij de juniorenkampioenschappen nooit.” Na twee uur en in totaal tweehonderd schaatsmeters, nog ruim voor het einde van de 300 meter-wedstrijden, zwaait Suzette de grote sporttas over haar schouder voor de lange rit naar Zevenhuizen.