Rol van Suyver meer dan eens onhandig

DEN HAAG, 20 DEC. Over het aanstaande vertrek van secretaris-generaal J.J.H. Suyver wordt op het ministerie van justitie al maandenlang gespeculeerd. Er circuleren lijstjes met de belangrijkste op handen zijnde personeelsmutaties. De namen buitelen over elkaar heen.

Wordt mr. L. Geelhoed, hoogste ambtenaar op Economische Zaken, de nieuwste ambtelijke baas op Justitie? Ook wordt H. Borghouts getipt, topambtenaar van Binnenlandse Zaken. Hij kan in ieder geval tijdelijk Suyver vervangen - al was het maar omdat Borghouts de leiding heeft over een ambtelijke werkgroep van Justitie en Binnenlandse Zaken die zich buigt over de gevolgen van het werk van de parlementaire enquêtecommissie. Borghouts zou de eerste secretaris-generaal in Den Haag zijn die afkomstig is uit GroenLinks.

Saillant is dat in dit geval het vertrek van Suyver (VVD) vooruit zou lopen op een scenario dat hij zelf in oktober schetste in Elsevier. “Ik ben voorstander van de vorming van een Home Office, een samenvoeging van Justitie en BiZa. Er zijn activiteiten die zich lenen voor integratie waardoor de bestuurskracht toeneemt.”

Zeker de laatste weken konden ambtenaren van het departement hun verbazing nauwelijks onderdrukken als ze Suyver en zijn minister Sorgdrager in een vergadering aanschouwden. Suyver zei steeds niets. Het is weliswaar geen man die in een gezelschap gauw de boventoon voert, maar de laatste tijd kreeg zijn zwijgen een onheilspellende dimensie.

Op een bijeenkomst waar enkele weken geleden werd gesproken over de mogelijkheden van het departement om te anticiperen op het rapport van de parlementaire enquêtecommissie - dat half januari wordt verwacht - hield hij zich urenlang buiten het debat, maar zocht hij wel steeds de gang op om zich daar te onderhouden met zijn collega uit de bestuursraad Van Brummen. Wat zij daar doornamen bleef ongewis, maar hun gezichten spraken boekdelen.

Suyver is samen met zijn mede-leden van de bestuursraad - J. Demmink, H. van Brummen en H. Greven - kort geleden onderworpen aan een serie functioneringsgesprekken met de politieke top van het departement. Sorgdrager en haar staatssecretaris E. Schmitz gingen daarbij niet voorzichtig te werk. Ze sneden thema's aan als de loyaliteit van de topambtenaren aan het ministerie en de mate waarin de ambtelijke top informatie doorsluisde naar de politieke leiding. Ook dat was een aankondiging.

Bij de openbare verhoren van de enquêtecommissie werd de ambtelijke leiding van het ministerie in zijn hemd gezet. Op weinig momenten bleek die ambtelijke top de laatste jaren een gelukkige rol te hebben gespeeld bij de misdaadbestrijding. Suyver zelf werd tijdens de enquête regelmatig met name genoemd. Bijna altijd negatief.

Een raadsadviseur van de directie wetgeving, A. Patijn, wees Suyver aan als degene die vanaf 1989 persoonlijk voorkwam dat het departement wetten introduceerde die de steeds verdergaande opsporingsmethoden van politie en justitie aan banden legden. Het feit dat de politie inmiddels zelf grote partijen drugs op de markt bracht was hem geheel ontgaan, moest hij toegeven. En over zijn werk als leider van een 'groep' die het politiek uiterst gevoelige onderzoek naar de rol van de Surinaamse oud-legerleider Bouterse in de drugshandel speelde, kon hij slechts melden dat hij er de laatste jaren niet meer naar om had gekeken.

Zijn 'dossier' werd zo door het parlement gevormd. Dat maakt de mogelijkheden voor Sorgdrager om in te grijpen beter dan in het geval van Van Randwijck. Dat Suyver in die zaak - de gouden handdruk van een half miljoen gulden bovenop doorbetaling van het salaris van de PG - opnieuw een onhandige rol vervulde, zorgde ervoor dat er vanaf dat moment openlijk over zijn vertrek werd gespeculeerd.

Vooral het feit dat hij naliet de landsadvocaat in te schakelen bij de onderhandelingen met Van Randwijck, was een zodanige beginnersfout dat hem het laatste beetje gezag kwam te ontvallen. Tijdens het debat dat Sorgdrager over de kwestie met de Kamer voerde en waarin ze op de rand van de afgrond balanceerde, bleek bovendien dat ze zich nauwelijks gesteund voelde door haar eigen ambtenaren. Toen de Kamer kort daarna bij de begrotingsbehandeling van justitie het functioneren van de ambtelijke top openlijk ter discussie stelde, had dat al iets van dansen op een lijk. Suyvers vertrek stond vast. De vraag was nog slechts wanneer. En wanneer het bekend zou worden.

De benoeming van Suyver tot secretaris-generaal, in het voorjaar van 1994 als opvolger van de vertrekkende G. van Dinter, kwam als een verrassing. Er was gerekend op R. Hoekstra, de rechterhand van Lubbers die weg wilde op Algemene Zaken en in bestuurlijk Den Haag bekend staat als een van de beste ambtenaren. Ook circuleerde toen al de naam van BVD-chef A. Docters van Leeuwen, die sinds dit jaar het openbaar ministerie aanvoert.

Suyver was jarenlang directeur-generaal politie en criminaliteitsbestrijding en in die functie ambtelijk verantwoordelijk voor de strijd tegen de zware misdaad. Een krachtig profiel heeft hij echter nooit gehad. Maar toenmalig minister Hirsch Ballin vond dat Suyver uitblonk in loyaliteit en werkkracht. Tot diep in de nacht kon hij werken aan een toespraak die Hirsch Ballin de volgende dag moest houden, zo legde de minister uit als hem werd gevraagd waarom hij uitgerekend Suyver tot hoogste ambtelijke baas promoveerde. Hoe groot het respect was dat Suyver koesterde voor zijn minister, bewees hij bij voorbeeld als hij wilde roken. Dan was hij zo goed stilletjes de kamer te verlaten om 'Ernst' niet te ontrieven.

Onder leiding van Suyver is het departement het laatste jaar al aan een grondige reorganisatie onderworpen. Afdelingen als de immigratiedienst en het gevangeniswezen werden verzelfstandigd en kwamen zo los te staan ten opzichte van de ambtelijke en politieke leiding. De greep van het departement op zijn ambtenaren werd daardoor in de ogen van critici ontoelaatbaar klein. Bovendien zwelde de kritiek aan dat de ambtelijke top de politieke leiding van het ministerie onvoldoende inlichtte.

In feite is de reorganisatie dus mislukt. Vandaar dat de minister de voorbereidingen treft voor een nieuwe doorlichting van het departement. “Ambtenaren willen rust maar die zal hen niet worden gegund. Reorganiseren mot gewoon”, zei Suyver in Elsevier.

Over het nieuws van de nieuwe reorganisatie is door het ministerie niet geheimzinnig gedaan. Strategisch komt het Sorgdrager niet slecht uit dat het vertrek van Suyver al bekend is voordat de enquêtecommissie volgende maand zijn rapport uitbrengt. Nu kan de minister de Kamer zeggen dat het ministerie van zijn fouten heeft geleerd, en dat de eerste maatregelen al zijn getroffen.