Kusturica doet voor Joegoslavië, wat Coppola deed voor Vietnam; Waar het liegen tot een kunst is verheven

Underground. Regie: Emir Kusturica. Met: Miki Manojlovic, Lazar Ristovski, Mirjana Jokovic. In acht theaters.

De oppasser in de dierentuin doet zijn ochtendronde en gooit lappen vlees naar de zenuwachtige roofdieren, als plotseling een eskader vliegtuigen overkomt en sirenes beginnen te loeien. Even later vallen de bommen. Terwijl de hokken in lichterlaaie staan, kreperen de dieren tussen het puin; een pelikaan pikt in op een stervende tijger, de oppasser redt een chimpanzee uit de armen van zijn doodgebloede moeder. Verderop in de stad heerst chaos: door de brandende straten galopperen zebra's en olifanten, over het puinhopen klimt een gillende naakte vrouw, en te midden van de vallende scherven in een bordeel trekt een man zich af omdat zijn bedgenoot is weggevlucht.

De eerste scènes van de nieuwe film van Emir Kusturica laten er geen twijfel over bestaan: Underground gaat over de waanzin van de oorlog. Plaats van handeling is Joegoslavië, het voormalige vaderland van de in 1954 in Sarajevo geboren regisseur. Beginnend bij het bombardement van Belgrado door de nazi's (1941) geeft Kusturica een surrealistische visie op het leven van de Joegoslaviërs in tijden van bezetting - eerst onder Hitler, daarna onder Tito. Het resultaat is een zinderende en bijna drie uur durende fantasmagorie over oorlog en communisme die dit jaar in Cannes terecht werd onderscheiden met de Gouden Palm.

Underground volgt de levensloop van twee bevriende vrijbuiters uit Belgrado: de geboren opportunist Marko (Miki Manojlovic) en de als 'Blacky' aangesproken Petar Popara (Lazar Ristovski), een macho van het soort dat elektriciteitsdraden doorbijt en zijn schoenen poetst met een straatkat. Aan de vooravond van de oorlog zijn ze lid geworden van de communistische partij, maar ze bewandelen hun eigen weg. Met goudsmokkel en wapenhandel helpen ze behalve Tito's partizanen vooral zichzelf; er blijft tijd en energie genoeg over om te feesten en - in niet altijd even gemoedelijke rivaliteit - achter de vrouw van hun leven, de toneelspeelster Natalija (Mirjana Jokovic), aan te jagen.

Het leven verandert als Blacky door de Duitsers gepakt en gemarteld wordt. Marko bevrijdt hem en laat hem onderduiken in een kelder waarin sinds het bombardement van Belgrado al een groot aantal mensen zit. Hij maakt van de gelegenheid gebruik om Natalija definitief van Blacky af te pikken, en vertelt hem en zijn keldergenoten eind 1944 niet dat de oorlog is afgelopen. Twintig jaar lang weet Marko Blacky met slinkse trucs (geluidseffecten, toneelspel) ondergronds te houden; de kelder groeit uit tot een klein dorpje waar geliefden trouwen en kinderen ter wereld komen, en waar wapens (zelfs een tank!) 'voor Tito' worden gemaakt - wapens die worden verhandeld door Marko, die er een lucratief dubbelbestaan als smokkelaar en gevierde partijbons op nahoudt.

Natuurlijk, Marko's kelder is een metafoor - voor Joegoslavië onder het communistisch bewind. Terwijl het volk in quarantaine moest werken en stil gehouden werd met leugens, waren de partijleden alleen maar bezig zich te verrijken. Liegen, zo maakt Kusturica duidelijk, was onder Tito tot kunst verheven. Geen wonder dat Natalija in de film dweperig uitroept: “O Marko, je kunt zo heerlijk liegen.” Of dat Marko Natalija van hypocrisie beschuldigt wanneer zij op een keer weigert om de kelderbewoners van nieuwe leugens en toneelspel te voorzien: “Geen enkele tekst, lieve, berust op de waarheid. Kunst is een leugen, een grote leugen.”

Underground bestaat uit drie delen. Het eerste, dat de periode 1941-1944 beslaat, heet 'De oorlog'; het tweede, dat zich afspeelt in het begin van de jaren zestig, heet 'De Koude Oorlog'; en het derde, gesitueerd in Slavonië tijdens de burgeroorlog (1991), heeft weer als titel 'De oorlog'. In Joegoslavië, zo beklemtoont Kusturica, is het altijd oorlog. De oorzaak is duidelijk; zoals Marko in deel I zegt: “We zijn allemaal gek, Natalija, alleen de diagnose is nog niet gesteld.” Om aan het eind van deel II te concluderen: “Er valt in dit land niet te leven. Er valt niet te leven met gekken, leugenaars, psychopaten, moordenaars en maniakken.”

Als om de gekte van (voormalig) Joegoslavië te onderstrepen, heeft Emir Kusturica, balling tegen wil en dank, zijn film volgestopt met absurde en soms ronduit krankzinnige scènes, die constant begeleid worden door hoempamuziek van een zigeunerorkest. Hij begint voorzichtig, met het dierentuinbombardement, een bevalling bij het licht van een fietslamp, de kluchtige ontvoering van Natalija uit het theater waar ze heult met de Duitsers. Maar gaandeweg vergaat de kijker het lachen: van een picareske vertelling wordt de film een staalkaart van wat mensen, broeders, elkaar in oorlogstijd aan kunnen doen. Geen wonder dat de optimistische laatste scène van Underground een droomscène is: op een landtong aan zee vieren alle personages uit de film - vriend en vijand, dood en levend - een bruiloft. Terwijl de fanfare steeds opzwepender speelt en de verbroedering compleet is, breekt de rotspunt af van het vasteland; en langzaam varen de feestende Joegoslaven het beeld uit.

Underground doet voor Joegoslavië wat Apocalypse Now deed voor Amerikaans Vietnam en Die Blechtrommel voor Hitler-Duitsland. Kusturica hanteert absurdisme als een stijlmiddel om greep te krijgen op een zinloze oorlog. Zijn film is er een waarin horen en zien je vergaat: de beelden en kleuren zijn uitzonderlijk mooi, de muziek is overrompelend, het lichte overacteren van de hoofdrolspelers is precies goed, en de vaart en de zwarte humor doen vergeten dat er af en toe een zwakke scène voorbij komt. Wie Underground gaat zien, krijgt een eigenzinnige rondleiding door de Joegoslavische geschiedenis. Niet van een historicus of een Balkandeskundige, maar van een moderne Jeroen Bosch.