Kamer van herkansing

DE EERSTE KAMER is trouw aan zichzelf gebleven. Slechts met de nodige tegenzin heeft een meerderheid in de Eerste Kamer zich gisteravond akkoord verklaard met de nieuwe Nabestaandenwet. Blazen maar uiteindelijk toch buigen; het is een vast patroon in het besluitvormingsproces van de senatoren geworden. Voor het kabinet is het belangrijkste dat dankzij de instemming wederom een flink deel van het in het regeerakkoord afgesproken bezuinigingspakket binnen is gehaald. Het inperken van de uitkeringsrechten voor weduwen en weduwnaars levert op termijn 1,3 miljard gulden op. Om dat bedrag binnen te halen moest staatssecretaris Linschoten een concessie doen die tegen de 40 miljoen gulden kost. Tegen de achtergrond van de totale opbrengst van de maatregel is dit voor het kabinet zonder meer een overkomelijk financieel probleem.

De behandeling van de Nabestaandenwet was de eerste grote krachtmeting tussen het kabinet en de deze zomer nieuw gekozen Eerste Kamer. Het was bovendien een treffen met een voorgeschiedenis. Enkele jaren geleden zag het vorige kabinet een wetsvoorstel over hetzelfde onderwerp in de senaat sneuvelen. Toen was het onder meer de grote fraudegevoeligheid van de voorgestelde regeling die de toorn van de Eerste Kamer opriep. Het leidde uiteindelijk tot een compleet ander wetsvoorstel.

De behandeling van de nieuwe nabestaandenregeling heeft in elk geval geleerd dat het Torentjesoverleg niet meer beperkt blijft tot leden van de Tweede Kamer maar dat nu ook al de Eerste-Kamerleden volop meedelen in het monisme. Vorige week stonden de fractievoorzitters van de regeringspartijen in de senaat bij minister-president Kok op de stoep om de zaken op elkaar af te stemmen. Zij kwamen weliswaar niet met een kant-en-klaar compromis naar buiten, maar dat neemt niet weg dat de 'zonde' al begaan was. Want was het in het recente verleden niet vooral de Eerste Kamer die zoveel moeite had met het permanente vooroverleg tussen regeringsfracties en kabinet? OOK HET DEBAT zelf in de senaat leek veel op het debat dat ruim twee maanden geleden in de Tweede Kamer werd gevoerd. Hiermee komt opnieuw de principiële vraag aan de orde of de Eerste Kamer daartoe wel gemachtigd is. Staatsrechtelijk staat de senatoren niets in de weg, maar onder andere de bijzondere - indirecte - verkiezing van de leden van de Eerste Kamer brengt een wat meer terughoudende rol met zich mee. Niet de politieke afweging dient voorop te staan, maar zaken als uitvoerbaarheid, consistentie en rechtsgelijkheid.

De discussie in de Eerste Kamer spitste zich uiteindelijk toe op de vraag of weduwen en weduwnaars met een WAO- of VUT-uitkering niet dezelfde uitkeringsrechten moeten krijgen als nabestaanden met een baan. Hier is inderdaad rechtsgelijkheid in het geding. Maar exact dezelfde discussie is in de Tweede Kamer gevoerd. Wat GroenLinks-woordvoerder Rosenmöller daar niet bereikte, lukte de Eerste Kamer gisteren echter wel. MET DE STATUSvan chambre de réflexion heeft dit alles weinig meer te maken. Steeds meer ontwikkelt de Eerste Kamer zich als instituut van herkansing. Met zoveel oud politici uit de Tweede Kamer in de gelederen is dat ook niet zo verwonderlijk. Maar wenselijk is het niet.