Eenzaam Papoea-verzet in een kille bergkom van Irian Jaya

Het woon- en jachtgebied van de Amungme, een Papoea-volk, strekt zich vanouds uit van het Carstenszmassief tot de laagvlakte rond het huidige Timika in Irian Jaya. Hier kreeg het bedrijf Freeport in 1967 van de Indonesische regering een concessie om koper, goud en zilver te winnen. Hele dorpen werden ontruimd voor het mijnproject. Onvrede onder de Amungme over het verlies van hun traditionele gronden vormt al jaren een voedingsbodem voor het verzet van de Organisasi Papua Merdeka (OPM).

TIMIKA (Irian Jaya), 20 DEC. De weg naar Tembagapura (Koperstad) is een sterk staaltje van

technisch kunnen. Van Amamapare, een havenstadje in de moerassige delta aan de zuidkust van Irian Jaya, voert hij via Timika, een boomtown in de beboste laagvlakte, naar het besneeuwde Carstenszmassief. Over een afstand van enkele tientallen kilometers klimt de weg naar tweeduizend meter. Daar, in een kille bergkom, ligt Tembagapura, een nederzetting bestuurd door P.T. Freeport Indonesia. Nog eens tweeduizend meter hoger delft deze Indonesische dochter van de Amerikaanse mijnbouwfirma Freeport-McMoRan koper, zilver en goud.

Dagelijks kruipen mega-trucks met opleggers naar boven om de mijn en de 14.000 inwoners van Koperstad te bevoorraden. Via een pijpleiding in de berm vloeit per dag 4.500 ton kostbaar concentraat naar Amamapare, waar het wordt verscheept. Het 120 kilometer lange tracé is de levensader van dit miljardenproject. Voor civiele ingenieurs is dit een droom, maar voor militairen een nachtmerrie.

In een bocht op 1.800 meter, waar de weg over een smalle kam loopt met aan weerskanten diepe ravijnen, trapt mijn Amerikaanse begeleider op de rem. “Hier”, zegt hij, “vielen begin november 1994 geweerschoten. Een Freeport-chauffeur kwam om het leven, een andere employé werd gewond en een derde kwam met de schrik vrij. Drie ooggetuigen zagen langs de weg een groepje Irianese mannen met geweren.” De veiligheidsdienst van Freeport en de commandant van de Indonesische strijdkrachten (ABRI) in Tembagapura waren het eens: dit was een actie was van de Organisasi Papua Merdeka (OPM), die ijvert voor een onafhankelijk 'West-Papua'.

“Om veiligheidsredenen werd de weg enkele dagen gesloten, wat de bevolking van Tembagapura acute engtevrees bezorgde”, aldus mijn begeleider. “De enige ontsnappingsroute uit de bergkom was via de lucht, acht mensen per helikopter. Toen nieuwe gevechtstroepen arriveerden in Tembagapura, slaakte de mijngemeenschap een zucht van verlichting: het probleem werd aangepakt.” De manier waarop zou echter internationale aandacht trekken en een ongunstig licht werpen op Freeports activiteiten in Irian Jaya.

In 1967 verwierf Freeport van de Indonesische regering een concessie van 10.000 hectare rond de Ertsberg, in het zuiden van Irians Centrale Bergland. Dat is het woongebied van de Amungme, een Papoea-volk waarvan de jacht- en landbouwgronden zich vanouds uitstrekten van het Carstenszmassief tot de laagvlakte rond het huidige Timika. De Ertsberg, die intussen bijna geheel is afgegraven, gold als de woonplaats van de geesten der voorouders. In de Waa-vallei, waar nu Tembagapura ligt, werden hele dorpen ontruimd voor het mijnproject. Onvrede onder de Amungme over het verlies van hun traditionele gronden vormt al jaren een voedingsbodem voor het verzet van de OPM.

De guerrilla-commandant in het mijngebied, Kelly Kwalik, is een Amungme uit de Tsinga-vallei, ten oosten van Tembagapura. Daar werd op 1 juli 1994 in enkele dorpen de proclamatie in 1971 van een onafhankelijk West-Papua herdacht, waarbij OPM-vlaggen werden gehesen. Dit was aanleiding voor een fel offensief van ABRI-gevechtstroepen in het gebied. Ruim honderd Amungme-families uit de Tsinga-vallei ontvluchtten het strijdtoneel, de bossen in. Enkelen ontkwamen naar Timika. Zij vertellen dat de militairen hun groente- en aardappelvelden hebben verwoest, hun woningen met de grond gelijk hebben gemaakt en een nog onbekend aantal burgers hebben gedood wegens vermeende steun aan de OPM.

In oktober 1994 werden in Timika vier clan-genoten van Kelly Kwalik opgepakt en opgesloten in een Freeport-container vóór de plaatselijke legerpost. De vrouw van Sebastianus Kwalik: “Toen mijn man na enkele dagen werd gelucht, zag zijn huid geel en zat zijn broek onder het bloed. Toen hij me zag, zei hij: ik ben gevlucht opdat ze me zouden doodschieten. Maar ze schoten me in mijn been en sleepten me terug naar de container.” Een dag later waren de vier spoorloos verdwenen.

In de vroege morgen van Eerste Kerstdag 1994 kwamen zo'n driehonderd Irianezen bijeen even buiten Tembagapura. Gehuld in peniskokers, beretanden en paradijsvogelveren, hun lichamen kleurig beschilderd en uitgerust met pijlen, speren en kapmessen, zongen ze traditionele liederen rond een mast met de OPM-vlag in top. Daarop verschenen militairen op het toneel die zonder waarschuwing het vuur openden op de menigte, die in paniek uiteenstoof. Van de demonstranten werd niemand geraakt. Een Amungme-man, die op weg was naar de kerk en niets van doen had met de actie, bezweek onder het geweervuur. Een andere Amungme-man zag dat de kerk was omringd door militairen, durfde niet naar binnen en werd doodgeschoten.

ABRI-manschappen drongen de naburige Amungme-dorpen Waa, Banti en Arwanop binnen op zoek naar OPM-ers. Binnen enkele dagen werden tientallen volwassen mannen opgepakt, voorlopig opgesloten in een Freeport-container in Tembagapura en vervolgens in voertuigen van Freeports veiligheidsdienst overgebracht naar het hoofdkwartier van de militaire commandant in Timika. Een man uit Waa: “Daar werden we dagenlang tot bloedens toe bewerkt met stenen, ijzeren staven en bajonetten. Ik zat vast van 25 december tot 10 januari 1995. Uiteindelijk heb ik een verklaring getekend die de militairen hadden opgesteld. Daarin stond dat ik contacten had met de mannen in het bos, maar dat is niet waar.”

Tien leden van het Dani-volk, afkomstig uit Timika, vierden de kerstnacht in de kerk van Waa en wilden 's ochtends met de Freeport-bus terug naar Timika. Bij het vertrekpunt in Tembagapura werden ze opgepakt door militairen, die hen voor OPM-ers uitmaakten en met geweerkolven bewerkten. 's Middags werden ze onder begeleiding van een militaire patrouille op de Freeport-bus naar Timika gezet. Eén van de Dani: “Naast mij zat Wendi Tabuni, een jonge man van 23. Hij poogde in doodsangst een raampje te openen, werd met een bajonet gestoken, maar wist zwaar gewond naar buiten te komen. Daarop stopte de bus, enkele soldaten stapten uit en schoten Wendi door het hoofd. Zijn lichaam werd in een ravijn gegooid.” In het politiebureau in Timika werden de overlevende Dani gemarteld, waarbij er drie bezweken.

In augustus verscheen een onderzoeksrapport onder auspiciën van mgr. H.F.M. Münninghof, de rooms-katholieke bisschop van Jayapura, gebaseerd op een reeks interviews met getuigen, afgenomen in Timika en omgeving. Dit rapport werd toegespeeld aan de Indonesische Commissie voor de Rechten van de Mens (Komnasham), een semi-officieel college dat zetelt in Jakarta. In de loop van september brachten commissieleden twee bezoeken aan het gebied, waarbij ze dezelfde getuigen hoorden. Hun rapport, dat op 22 september werd vrijgegeven, rept niet alleen van “ernstige schendingen van de mensenrechten door de veiligheidsorganen ter plaatse”, maar pleit ook voor een “duidelijker afbakening van bevoegdheden tussen de regionale autoriteiten, ABRI en P.T. Freeport Indonesia”. Die aanbeveling lijkt niet overbodig.

De ongewapende veiligheidsagenten van Freeport hebben een interne politietaak. Zij bewaken pakhuizen en regelen het verkeer in de mijnstad Tembagapura en op de weg tussen de mijn en de kust die door Freeport is aangelegd. ABRI heeft tot taak het voor Indonesië strategische project te beschermen tegen bedreiging van buitenaf en bewaakt de transporten en opslagplaatsen van mijnexplosieven. Sinds de OPM in 1977 de pijpleiding voor koperconcentraat tussen het bergland en de kust opblies, zijn er in het mijngebied permanent vijf pelotons - tezamen 150 man - gevechtstroepen gelegerd. Die beschikken niet over materieel dat de extreme hoogteverschillen in het gebied kan overbruggen en verplaatsen zich in Freeport-voertuigen. Het operationele legercommando in het hoogland is gehuisvest in hetzelfde pand in Tembagapura als Freeports veiligheidsdienst. Bij de jongste geweldsontsporingen bediende ABRI zich regelmatig van Freeport-faciliteiten, waaronder containers. Volgens het contract dat Freeport in 1967 afsloot met de Indonesische regering is het bedrijf verplicht om de plaatselijke autoriteiten (ABRI inbegrepen) 'logistieke steun' te verlenen. In de praktijk betekent dit dat Freeport voor de slecht gehuisveste troepen barakken heeft gebouwd en de soldaten van voedsel en transportmiddelen heeft voorzien. Een Freeport-manager bezweert echter dat het bedrijf nooit is ingegaan op verzoeken om helikopters voor gevechtsoperaties. “Daar trekken we een streep”, aldus deze bron. Om de containers zou zijn verzocht voor 'opslagdoeleinden'. Ze zouden ter beschikking zijn gesteld door de logistieke dienst van Freeport zonder ruggespraak met het hoofdkwartier.

De verbindingslijnen tussen Jakarta, het territoriale commando in Jayapura en het mijngebied zijn lang en de lokale ABRI-commandanten gingen in het verleden goeddeels hun eigen gang. In de maanden dat de ontsporingen zich voltrokken, zwaaide een ware 'warlord' de scepter in het mijngebied. Zijn naam is kapitein Yulius, een officier van het Korps Bijzondere Troepen (Kopassus). Volgens een Freeport-bron heeft hij de veiligheidsfunctionarissen van het bedrijf bij herhaling laten weten dat “we hier oorlog voeren en wel op de manier die mij goeddunkt”. Begin dit jaar, na het vlagincident bij Tembagapura, heeft Yulius het Indonesische hoofd van Freeports veiligsheidsdienst in het hoogland, Lexy Linturan, met de dood bedreigd voor het geval hij Yulius' methoden aanhangig zou maken in Jakarta.

De onderhandelingspositie van Freeport tegenover ABRI is niet sterk. De Amerikaanse firma realiseert 75 procent van zijn bedrijfswinst in Irian Jaya. Zolang de autoriteiten intern geen orde op zaken stelden, voelde Freeport zich niet geroepen om aan de bel te trekken. Sinds de publiciteit rond het Münninghof-rapport heeft Freeport eenmaal zijn tanden laten zien. Dat was tijdens het bezoek van de Komnasham-delegatie aan het gebied. Toen een Kopassus-officier zich uitgaf voor persfotograaf, zich in dezelfde auto liet rondrijden als de commissieleden en foto's maakte van de getuigen, ontstak Freeport-manager Paul S. Murphy in woede en riep de man openlijk tot de orde. Terug in Jakarta zei Murphy tegen collega's dat dit hem wel eens op uitzetting uit Indonesië kon komen te staan. Dat is niet gebeurd en sindsdien probeert Freeport zich ter plaatse enigzins te distantiëren van ABRI. Een lastige operatie, want in Indonesië leggen de militairen nu eenmaal politiek gewicht in de schaal. Bovendien ontbeert het mijngebied een krachtig burgerbestuur. Het ressorteert onder het regentschap Fakfak en de bestuurszetel ligt 500 kilometer naar het westen. In feite vormen Freeport en ABRI in deze geïsoleerde streek de enige besturende instanties en zij moeten met elkaar leven. Het bedrijf heeft onlangs een deel van zijn wagenpark afgestaan aan het lokale ABRI-commando en verbiedt zijn medewerkers sindsdien om liften te geven aan militairen, op straffe van ontslag. Het legerhoofdkwartier in Irian Jaya liet in november zelf een onderzoek instellen naar de incidenten in Timika en omgeving en in januari komt een aantal militairen voor een tribunaal in Jayapura. Naar verluidt staat kapitein Yulius onder huisarrest in Jakarta, maar er is nog geen formele aanklacht tegen hem ingediend.