Derde Energienota stelt marktwerking en besparingen centraal

DEN HAAG, 20 DEC. Het kabinet-Kok wil in het energiebeleid de marktwerking versterken en een duurzame energievoorziening sterk bevorderen. Grootverbruikers van energie krijgen volledige vrijheid om leveranciers te kiezen en voor het transport toegang tot de leiding- en hoogspanningsnetten, zo blijkt uit de Derde Energie-nota.

Minister Wijers (economische zaken) wil in de periode tot het jaar 2020 de energie-efficiëntie met een derde verhogen: per eenheid produkt moet er 33,3 procent minder energie verbruikt worden. Het aandeel van duurzame bronnen - wind, zon, waterkracht, biomassa en waterstof - moet in dezelfde periode van 1 tot 10 procent worden opgevoerd. Voor dat doel wordt een Actieplan duurzame energie opgesteld, waarin fiscale maatregelen om 'groene' energie te bevorderen en intensivering van onderzoek centraal staan.

Nieuw vermogen voor elektriciteitsopwekking zal in hoofdzaak bestaan uit gasgestookte, zuinige centrales die behalve stroom ook warmte leveren (warmte/kracht). De bouw van nieuwe kerncentrales acht het kabinet voorlopig niet aan de orde, maar de nucleaire kennis wordt op peil gehouden om eventueel in de volgende eeuw 'op de trein (van meer kernenergie) te kunnen stappen'.

Bij een gematigde economische groei en een economische structuur die zich in een minder energie-intensieve richting ontwikkelt, zou volgens de nota in het jaar 2020 ruwweg een stabilisatie van de CO-uitstoot (het broeikasgas kooldioxyde) bereikt kunnen worden, ten opzichte van het niveau in 1990. Daarmee vormt de Derde Energienota volgens het kabinet “een belangrijke bouwsteen voor het Nederlandse klimaatbeleid”.

Kernpunt in de nota is ook een vèrgaande aanpassing van de elektriciteitssector. Meer marktwerking en versterking van deze sector om de concurrentie in een vrije Europese energiemarkt aan te kunnen, is volgens Wijers noodzakelijk. Hierin past een fusie van de vier openbare stroom-produktiebedrijven, schrijft hij. Dat gefuseerde bedrijf zou eigendom moeten worden van de distributiebedrijven of hun aandeelhouders (gemeenten en provincies). Grotere marktwerking impliceert ook hier vrijheid van import, export en eigen opwekking van elektriciteit (door grote ondernemingen, al dan niet samen met de distributiebedrijven), maar er moet volgens de nota wel een veel betere planning van het vermogen komen om overcapaciteit te voorkomen.

Dat kan worden bereikt door de distributiebedrijven als aandeelhouders van één landelijk produktiebedrijf direct verantwoordelijk te maken voor de planning. Enkele distributiebedrijven verzetten zich tegen de fusie en beroepen zich daarbij op de wenselijkheid om ook binnen Nederland concurrentiemogelijkheden te behouden. In opdracht van Wijers en de 'E-sector' hebben juristen uitgezocht of de vorming van één produktiebedrijf in strijd zou kunnen zijn met het mededingingsrecht dat geldt in de Europese Unie. Volgens een woordvoerster van Economische Zaken zijn de adviezen hierover niet eensluidend.