De draver en zijn paard

Ik weet het: mist is geen excuus. Ik ken mijn pad. Dus draaf ik, of hoe mijn wijze van voortbeweging ook moet heten.

De snelheid is om en nabij tien kilometer per uur. Ik loop en ik tel. Zeker in het begin, om het tempo erin te krijgen. Als een ouderwetse gymleraar. Er zijn een stuk of wat verzetten, om zo te zeggen. Het is net als bij fietsen. Er is het korte, snelle pasje. Om mee te beginnen of om weer op adem te komen. Een, twee, drie, vier. Geteld per neergezette voet, links en rechts gelijkelijk. Dan is er het een-twee, een-twee. Waarbij slechts een van beide neergezette voeten geteld wordt. Mijn linker voetstap wordt het graagst geteld. Misschien omdat mijn linker been iets korter is? Dan is er het overslaande tellen. Hierbij wordt elke eerste, derde, enzovoorts stap geteld; van de favoriete linker voet dus meestal. Iemand die verstand heeft van muziekmaten zal het waarschijnlijk handiger zeggen. En ten slotte is er de magnifieke gestrekte draf waarbij alleen elke vierde pas geteld wordt, en de adem zeer rustig van diep onder uit de longen komt. Meestal tel ik helemaal niet. Vaak denk ik na, maar niet over het lopen. Misschien nog vaker denk ik niks. Of denkt een mens altijd wel het een of ander? Soms gaat de aandacht uit naar pijntjes. Hé, wat is dat daar in de linkerknie. Verdomme, die schouder weer. Soms ben ik een en al extravertheid en heb oog voor de andere parkgebruiker. Of voor de staat van geboomte en gras. Ik meet wel, maar vergeet meteen wat ik meet. Ik ben veel te makkelijk af te leiden. Je moet een heel gedisciplineerd of zelfs saai iemand zijn om echt te kunnen meten. Maar een beetje wil ik het toch wel weten, in hoeveel tijd ik het doe. In ouderwetse minuten, om zo te zeggen. Hoe oud is de minuut eigenlijk? Zo oud als het mechanisch uurwerk. Laatmiddeleeuws, als ik het wel heb. Maar is de seconde wel zo veel jonger? Of heeft die haar entree vrijwel tegelijk gemaakt, en is alleen de split second een twintigste-eeuws verschijnsel? Een mens weet weinig. Lees dat prachtige boek van Douwe Draaisma nou toch eens. Het verborgen radarwerk dan weet je het. Voor mij is de verfijning van de seconden niet weggelegd. Ik ben tevreden met minuten. Onlangs liep ik, terwijl het molto adagio leek, heel snel. Dertig in plaats van zoals gewoonlijk een- of tweeëndertig minuten. Aan de grofheid van mijn opgaven en aan de enorme afstand tussen de extremen kun je al zien dat ik een volslagen onserieuze jogger ben. Maar opgepast! Want ik doe, onfanatiek, toch min of meer mijn best. Al jaren. En als het meezit elke dag. Al valt er wel eens een onverklaarbaar half jaar tussen uit. Niet buitensporig gedisciplineerd, toch toegewijd. Zo zou ik het zelf graag zien. En als ik het niet lekker vond, het nagloeien, en niet verbazingwekkend, dat je er helder en uitgerust van wordt, dan zou ik het niet doen. Die wonderbaarlijke uitgerustheid pleit overigens heel erg voor de namiddag als tijdstip, met als extra attractie de invallende schemer. Vandaag mist het dus. Ik loop mijn traject. Het oude park uit, 't kunstmatige heuveltje op, dat verdwaasd tegen het pseudopolderlandschapje aan ligt, onder het viaduct door, langs het begraafplaatsje, stukje oude dijk, weer 'n viaduct, volkstuinen. Zo af en toe tel ik. Dit is de heentocht nog maar. Straks wordt het pure muziek, het lopen. Waarbij de draver en zijn paard niet meer te onderscheiden zijn. In perfecte draf, je hoort aan het ritme dat het goed is, kom je aan bij de ingang van het oude park waar je nog een beetje gaat rekken en strekken en waar je fiets staat. Terwijl je rekt beslaat je bril. Je staart het park in en je merkt dat jij het nu zelf bent, die mist. Jouw uitslaande warmte doet de glazen van je bril beslaan. En jouw adem die van heel diep komt, wolkt als geluidloze stoom het park in. Een stilstaande locomotief ben je geworden. En op dat moment bedenk je weer eens dat je op de plaats van het eerste station staat: het Haarlemmerpoortstation. Door je bril zie je intussen niets meer. Je zet hem af en fietst naar huis.