Te weinig toezicht bij privatisering Munt

DEN HAAG, 19 DEC. Bij de privatisering van 's Rijks Munt in 1994 was een gebrek aan sturing en toezicht. Zo werden goedgekeurde investeringsbudgetten met 60 procent overschreden en ontbraken een ondernemings- en marketingplan. Dit constateert de Algemene Rekenkamer in het vandaag gepubliceerde decemberverslag 1995. De rekenkamer vindt bovendien dat de afgesproken produktienorm van 110 miljoen munten per jaar “aan de hoge kant is”. Als er minder munten bij de geprivatiseerde fabrikant worden besteld loopt de staat het risico compensatie te moeten betalen.

Rijkswaterstaat wordt in het verslag bekritiseerd omdat het aannemers onvoldoende zou controleren. De administratie van contracten is vaak gebrekkig en leidt in de praktijk tot fouten en onnodige kosten, aldus de rekenkamer. De Algemene Rekenkamer baseert deze uitspraak op een onderzoek naar twaalf contracten voor onder meer baggerwerk en onderhoud aan wegen bij de directie Noord-Holland van Rijkswaterstaat. Een ernstig tekort kwam aan het licht in de dienstkring Haarlem. Daar is door een administratieve fout jarenlang te veel betaald voor maaiwerkzaamheden. Rijkswaterstaat betaalde voor een oppervlakte van 999999 in plaats van de werkelijke 150 vierkante meter. Oorzaak hiervan is de foute invoering van de code 999999, die wordt gebruikt als de oppervlakte nog gemeten moet worden. De fout werd pas na vijf jaar ontdekt en kost het rijk mogelijk 1,1 miljoen gulden, omdat de aannemer tot nu toe weigert terug te betalen.

In een onderzoek naar 3,3 miljard gulden aan kwijtscheldingen en afboekingen van leningen door het rijk in de periode 1990 tot en met 1992 constateert de rekenkamer dat bij het ministerie van economische zaken “uniforme gedragslijnen voor de schuldregeling” ontbreken en dat Verkeer en Waterstaat “niet beschikt over een beschrijving van de administratieve organisatie en interne controle rond leningen”. Het gaat om leningen aan particulieren, leningen aan bedrijven en leningen aan instellingen zonder winstoogmerk. De door het ministerie van economische zaken verstrekte leningen en kredieten (onder meer technische ontwikkelingskredieten en ad hoc leningen) gingen volgens de rekenkamer gepaard met een “aanzienlijke subsidiëring.”. In de periode 1990-1992 bedroeg deze bijna 2,4 miljard gulden. Daarnaast was er bij het eind 1992 uitstaande leningensaldo sprake van een waardevermindering van 1,8 miljard gulden. De rekenkamer beveelt aan de informatievoorziening over het gevoerde leningenbeheer bij het rijk te verbeteren.