Staken is legitiem wapen tegen neoliberaal evangelie

De stakingen in Frankrijk tegen de bezuinigingsplannen van premier Juppé lopen ten einde. Ze hebben drie weken geduurd en bijna de regering ten val gebracht. Dit protest, massaal ondersteund door manifestaties in de straten van de Franse steden, heeft onder de Franse intellectuelen, inclusief die van links, een diepe gespletenheid blootgelegd over de huidige neoliberale koers van de modernisering en het verzet daartegen. De socioloog Pierre Bourdieu, de filosoof Jacques Derrida en vierhonderd anderen hebben in een open brief de stakingen gesteund, terwijl de sociologen Alain Touraine en Pierre Rosenvallon, eveneens samen met een groep van honderden anderen, zich achter de hervormingsgezinde voorstellen van de gematigde vakbondsleidster Nicole Contat hebben geschaard. Dit is niet verbazingwekkend gezien het feit dat de socialisten in Frankrijk en elders soms een decennium lang dezelfde neoliberale principes hebben omarmd als nu in het plan-Juppé gestalte krijgen.

Mèt Bourdieu en de zijnen denken wij niet dat de stakingsgolf een 'achterhoedegevecht' was, zoals deze krant in haar hoofdartikel van 28 november betoogde, maar een legitieme verdediging van het sociale stelsel is. Natuurlijk is herziening van het sociale stelsel in vele Europese landen nodig. Automatisering, informatisering en globalisering van produktie en diensten hebben zo veel banen in Europa geëlimineerd, dat een groeiende meerderheid van de bevolking geen uitzicht heeft op regelmatig werk. De grondgedachte van het sociale stelsel - hulp bij tijdelijke onderbrekingen van de arbeid - moet dan ook worden bijgesteld. Niet met de botte bijl, maar met het uitwerken van een nieuwe sociale visie.

In deze visie moet, als wij onze democratische en humanistische principes niet overboord willen gooien, bescherming en bevordering van de menselijke waardigheid centraal staan. Dat dit doel niet wordt bereikt door een frontale neoliberale aanval op de sociale zekerheid, de welvaart en zelfs de toekomst (de bezuinigingen op onderwijs), zien we in Engeland waar deze aanval het eerst werd geopend en het langst werd doorgezet. Het land kampt sinds het conservatieve bewind van Thatcher met de grootste economische problemen binnen Europa. Sociale uitsluiting en massale werkloosheid zijn hiervan het gevolg.

Om de sociale en economische malaise in Europa het hoofd te bieden is innovatief denken dringend gewenst. Met het oog hierop valt minder te vrezen van de huidige stakingsgolf dan van de eufemismen, versluierende termen en manicheïsche tegenstellingen van een neoliberale denkwijze. In deze krant komen wij leerstellingen van het neoliberale credo regelmatig tegen: concurrentie als levenswet, globalisering van de markteconomie, terugdringing van overheidsuitgaven, privatisering van staatsondernemingen, 'flexibilisering' van arbeid. Met name het bovengenoemde hoofdartikel is doorspekt met deze frasologie. Een bloemlezing: - Economisch produktief marktkapitalisme (“zolang ondernemingen winst maken, is er werkgelegenheid en valt er wat te verdienen”) versus parasitaire staatssector (“de toenemende overheidsinvloed op de economie en de uitdijende collectieve sector”). - Vakbonden die uitsluitend hun eigen belangen behartigen (“sectoren waar de vakbeweging nog macht heeft en dreigt die macht te verliezen”) versus moedige regeringen die onpopulaire bezuinigingen doorvoeren ten gunste van een gezonde Europese economie (“de Westeuropese overheden bezuinigen drastisch op hun uitgaven [...] om in 1997 te kunnen voldoen aan de eisen van de Monetaire Unie”). - De vertrouwde Ahriman en Ormuzd van het neoliberalisme: “verstarde arbeidsomstandigheden” van “de ambtenarenstatus” versus “flexibilisering” van arbeid. Vanuit een andere optiek blijkt achter 'flexibilisering' bijvoorbeeld weekendarbeid, nachtarbeid en onregelmatige uren schuil te gaan, zonder toeslag en op initiatief van de werkgever. Schadelijk voor zowel de gezondheid en het familieleven van de werknemer als voor zijn portemonnee.

De rechtvaardiging voor dit alles is de vermeende noodzaak om met ondernemingen in arme landen te concurreren, landen waar geen enkele arbeidsbescherming bestaat, waar vakbonden verboden zijn of geterroriseerd worden, waar - zoals in Pakistan - een kind van twaalf wordt vermoord als hij probeert een vakbond onder zijn landgenoten te organiseren. Deze onmenselijke concurrentie wordt echter geschapen en verscherpt door het neoliberalisme zelf; het systeem eist globalisering in naam van een illusionair begrip van een mondiale vrije markt.

De typering van vakbondsacties als 'achterhoedegevecht' zinspeelt dan ook op een toekomstbeeld volgens het neoliberale evangelie waarbij de 'vooruitgang' de contouren aanneemt van een versterking van de huidige globale markteconomie. Mede als gevolg van banenverlies door de geïnformatiseerde 'vooruitgang', is het nettoresultaat van dit mondiale liberalisme een groeiende kloof tussen rijk en arm, steeds grotere structurele werkloosheid, steeds minder 'goede' banen met uitzicht op een fatsoenlijke toekomst, steeds meer arbeiders die gedwongen worden op onregelmatige uren te werken, steeds meer onzekere deeltijdarbeid, meer angst, meer daklozen, meer bedelaars en meer wanhoop.

Hoofdprincipe van deze globale economie is groei van de wereldproduktie, verwoestend voor de wereldecologie maar voorwaarde voor het hoofddoel: steeds meer winst, die voornamelijk in de zakken van een al rijke minderheid terechtkomt. En zo hoort het, aldus een minder frequent geuit maar des te belangrijker vers van dit evangelie. Want niemand beweert dat de liberale markteconomie uitgevonden was om de armen minder arm te maken.

Op het moment bereiden de Europese markteconomieën zich voor om via de Europese Monetaire Unie de strijd aan te binden met Noord-Amerika en Japan. Voorwaarde om op schema deze Monetaire Unie aan te gaan is terugdringing van de begrotingstekorten tot de norm die gesteld is door de centrale financiële instelling van deze unie, de Bundesbank.

Deze terugdringing gebeurt niet door hogere belasting van de meer welgestelden - een redelijk alternatief gezien het feit dat een steeds groter percentage van 's werelds rijkdom in handen komt van slechts één procent van de wereldbevolking - maar door bezuinigingen op essentiële diensten: vervoer, onderwijs, openbare veiligheid. En door privatisering, die de staat verlost van verliesgevende diensten en die nieuwe investeringsmogelijkheden schept.

Model voor alle nationale economieën onder het neoliberale bewind is de vermageringskuur die grote ondernemingen (bijvoorbeeld Philips) zich opleggen om te concurreren in de wereldeconomie. Zo krijgen wij gestroomlijnde ondernemingen aan de ene kant en een structurele werkloosheid van tien procent en meer aan de andere. Het belangrijkste nieuwe produkt van deze ondernemingen - en van de overheden die hun voorbeeld volgen - is sociale uitsluiting.

Met de verstikking van de consumptie door deze vermageringskuren kan er alleen sprake zijn van groei en winst indien nieuwe investeringsmogelijkheden worden geschapen. Dit gebeurt in de industrialiserende landen van Azië, Zuid-Amerika en Oost-Europa, waar arbeiders zonder enige sociale bescherming een fractie van het gemiddelde Europese loon ontvangen, en, binnen de 'geliberaliseerde' Europese economieën, in de geprivatiseerde postkantoren, vervoersbedrijven en spoorwegen.

Decennia lang is tegen de ambtenaren bij deze diensten gezegd dat hun karige lonen voldoende gecompenseerd werden door rotsvaste arbeidsvoorwaarden en veilige pensioenen. Overal in de openbare dienstsectoren in Europa loert nu het dreigement van een privatisering die zeker zal leiden tot gedwongen ontslagen, afbraak van pensioenen en lagere lonen. Voor alle huidige werknemers in de collectieve sector is dit de concrete betekenis van 'privatisering' en van 'flexibilisering' van arbeid. Daarom staakt men.

Men hoeft geen illusies te koesteren over de volmaaktheid van de huidige verzorgingsstaat noch blind te zijn voor de fouten van de Europese sociaaldemocratie (haar acceptatie van een neoliberale fiscale politiek bijvoorbeeld) om de rechtvaardigheid in te zien van het massale verzet tegen de aanslag op het sociale stelsel. Voor al degenen die noch de financiële draagkracht noch de hoog opgeleide technische vaardigheden bezitten om hun gezinnen een goede kans te geven op een betere toekomst - dat wil zeggen voor de hardwerkende tachtig procent van de Europese werknemers wier positie steeds slechter wordt - is zulk verzet een teken van menselijke moed en eer.

Alleen innovatieve ideeën en een nieuwe sociale visie kunnen de Europese samenleving voorbij de Scylla van het neoliberalisme en de Charybdis van een verouderde verzorgingsstaat loodsen. Mogelijke aspecten van deze visie worden al druk besproken: basisinkomen, radicale herverdeling van arbeid, ecotaxen, speciale invoerrechten op goederen die geproduceerd zijn onder onmenselijke omstandigheden buiten Europa.

Als men zich blind staart op een monetaire unie en geen vraagtekens zet achter de neoliberale geloofsbelijdenis komen we nooit uit deze impasse.