Kabinet-Kok is gewoon onvergelijkbaar kabinet

Dit is een heel gewoon kabinet, zei de premier toen het kabinet-Kok aantrad. Toch zitten er geen confessionelen in en zaten PvdA en VVD zelden samen in een kabinet. Volgens Peter Rehwinkel is het 'paarse' kabinet dan ook helemaal geen gewoon kabinet. Het is vooral een onvergelijkbaar kabinet.

We leven in bijzondere politieke tijden. Toen Lubbers en Kok nog samen aan het bewind waren, gold al: never a dull moment. Achter de WAO- en IRT-affaire kan tot op de dag van vandaag geen punt worden gezet. De uitslag van de Tweede-Kamer-verkiezingen op 3 mei 1994 was ronduit sensationeel: nooit eerder werd in zo grote mate van zetel gewisseld. Vooral het CDA likt nog steeds zijn wonden. De andere verliezers van de verkiezingen, PvdA en Groen Links, konden met paars aan het bewind veel sneller overgaan tot de orde van de dag. Ook deze partijen zijn nog steeds bezig positie te bepalen. Daartoe vond de PvdA in november de 'congresconferentie' uit.

De tijd sinds mei 1994 heeft af en toe veel weg van de situatie na echtscheiding: ieder zoekt een nieuwe rol. Het CDA is na een levenslang huwelijk in de steek gelaten. De PvdA heeft, hoewel op leeftijd, de VVD gevonden om de eenzaamheid te verdrijven. D66 stond als oudste zoon aan de basis van dit verstandshuwelijk, maar voelt zich nu teveel. Aan de benen van het nieuwe paar hangt een groot stel jengelende kleinkinderen, van wie Groen Links nog het best de aandacht weet te trekken.

De unieke coalitievorming en -samenwerking tussen PvdA, VVD en D66 - en het zoeken van posities dat daarmee gepaard gaat - vraagt om een historische vergelijking. Deze is tot nog toe blijven steken in een vage verwijzing naar het ontbreken van de confessionelen in het regeerkasteel driekwart eeuw geleden.

In hoeverre kan het functioneren van het kabinet-Kok ruim een jaar na aantreden worden vergeleken met dat van Cort van der Linden van 1913 tot 1918? Even interessant zou een parallel zijn met het tweede- en derde kabinet-Drees (1948-1952), waarin PvdA en VVD samenwerkten met KVP en CHU. En wie denkt dat alleen het eerste jaar van het kabinet-Kok werd gekenmerkt door dualisme, heeft het mis.

Het kabinet Cort van der Linden was in verschillende opzichten een noodkabinet. De 'rechtse' partijen, zoals toen de confessionelen nog werden aangeduid, verloren bij de verkiezingen van 1913 hun meerderheid in de Kamer. 'Links', bestaande uit sociaal-democraten en vrijzinnigen (voorlopers van VVD en D66), was niet in staat een kabinet te vormen. Cort van der Linden verzamelde derhalve alleen vrijzinnige ministers om zich heen. Dit is het eerste kenmerkende verschil met het kabinet-Kok: weliswaar ontbraken de confessionelen, maar van een samenwerking tussen sociaal-democraten en liberalen was nog geen sprake.

Cort van der Linden was tevens een noodkabinet, omdat het verantwoordelijkheid droeg tijdens de Eerste Wereldoorlog waarin Nederland neutraal moest zien te blijven. Dit was de belangrijkste reden dat het kabinet vijf jaar in het zadel kon zitten. Koningin Wilhelmina schreef in haar memoires: “Regeren, de juiste maatregelen treffen, dat was vóór alles nodig en dat geschiedde dan ook [...].” Cort van der Linden was, ook in eigen kring, niet onomstreden. Het is daarom zeer de vraag of hij voor Wim Kok en de zijnen als voorbeeld van succesvol regeren zonder confessionelen had kunnen dienen, wanneer niet de Eerste Wereldoorlog was uitgebroken.

Het premierschap tijdens de genoemde oorlogsjaren was voor Cort van der Linden duidelijk een eindstation in de politiek. Niemand houdt het voor onmogelijk - ook directeur Van Gennip van het wetenschappelijk bureau van het CDA niet - dat Wim Kok nog een tweede- of derde kabinet op zijn naam zal schrijven. Cort van der Linden werd al in 1915, dus tijdens zijn premierschap, tot minister van Staat benoemd. Hij ambieerde de functie van minister-president niet opnieuw. Duidelijk mag zijn dat dit geheel verschillende carrièreperspectief het Cort van der Linden veel gemakkelijker maakte zich 'boven de partijen' op te stellen. Kok, echter, is politiek leider van de PvdA en heeft daardoor met een 'premierpartij' te maken.

Ten slotte heeft het kabinet-Cort van der Linden vooral bekendheid verkregen met veranderingen van de grondwet door de 'pacificatie' van de schoolstrijd en de strijd om het kiesrecht. Financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs èn invoering van het algemeen mannenkiesrecht werden tegen elkaar uitgeruild. “Weer zijn het de liberalen die het Nederlandse schip van staat op koers van de tijdgeest weten te brengen”, heette het later. Van het kabinet-Kok moet nog worden afgewacht of het staatkundige vernieuwing van eenzelfde allure als in 1917 weet te verwezenlijken.

Hoewel de vergelijking tussen paars en het kabinet-Cort van der Linden dus moeilijk opgaat, is de omzichtigheid waarmee beide opereren opvallend. “Van eene reactie op het gevoerde beleid zal [...] geen sprake zijn”, verklaarde Cort van der Linden bij zijn aantreden. Zoals het kabinet-Kok zich heeft ingespannen voor de (her)benoeming van de CDA'ers Van den Broek en Lubbers op internationale posten, zo bevorderde Cort van der Linden de benoeming van een confessioneel tot voorzitter van de Eerste Kamer.

Wel heel treffend is de omgang van beide niet-confessionele kabinetten met de bede. Cort van der Linden vergat in 1917 de hoop op de zegen van God in zijn troonrede uit te spreken. “Indien ik had kunnen voorzien, dat deze weglating velen zou hebben gegriefd, zou ik niet geaarzeld hebben de Openingsrede aan te vullen.” De toenmalige premier wil daar wel aan toevoegen: “En na vier Troonredes en na meerdere andere gelegenheden waarin telkens opnieuw Gods zegen werd ingeroepen, had, dunkt mij, de gedachte niet mogen postvatten, dat de Regering opzettelijk geloovigen zou hebben gegriefd.”

Is het beter mogelijk het kabinet-Kok te vergelijken met de twee kabinetten-Drees, waarin PvdA en VVD waren vertegenwoordigd? Essentieel is de vraag vanuit welke achtergrond PvdA en VVD kort na de Tweede Wereldoorlog èn vorig jaar samen zijn gaan regeren. Dan blijken opnieuw belangrijke verschillen te bestaan.

Laten we ons eerst de formatie van het paarse kabinet in de lange, hete zomer van 1994 proberen te herinneren. Die was niet in een peuleschil geklaard: de samenwerking tussen PvdA, VVD en D66 was geenszins voor de Kamerverkiezingen van mei 1994 in kannen en kruiken. Toch konden al tien dagen na die verkiezingen de 'paarse' informateurs De Vries, Van Aardenne en Vis aan de slag. Hoewel zij hun informatie-opdracht na anderhalve maand moesten teruggeven, was duidelijk dat sociaal-democraten, links- en rechts-liberalen een serieuze poging hadden gewaagd samen een kabinet te vormen. Hóe serieus die poging was geweest, bleek toen de partijen bereid waren tot een tweede onderhandelingsronde. Het paarse kabinet kwam tot stand na een lange, maar zeker niet de langste kabinetsformatie in Nederland.

De verhoudingen waren eind jaren veertig, begin jaren vijftig volstrekt anders. PvdA en VVD belandden wel beide in het eerste kabinet-Drees, maar dat ging bepaald niet van harte. De sociaal-democraten voelden weinig voor de bredere basis die de KVP aan de rooms-rode coalitie wilde geven en al helemaal weinig voor de VVD van Oud. Uit kring van de PvdA klonk: “de leuze: 'Het roer moet om', alsmede hetgeen de heer Oud en de zijnen bij de verkiezingen naar voren hebben gebracht, wezen voldoende uit, waarom de PvdA met deze fractie niet in zee kan gaan. Het zou niet begrepen worden [...]”.

Toch moest worden geaccepteerd dat de oplossing van de Indonesië-kwestie een tweederde meerderheid achter de nieuwe coalitie vereiste. VVD en CHU waren bereid zo'n meerderheid te bieden. Van enige genegenheid was echter ook bij Oud geen sprake. Hij vond het een “illusie” om te denken “dat socialisme en democratie op den duur zullen kunnen blijven samengaan”.

In het eerste kabinet-Drees fungeerde tussen PvdA en VVD een 'buffer' van negen KVP-, CHU- en partijloze ministers. Dat is wel even wat anders dan de drie D66 ministers die het kabinet-Kok complementeren. PvdA en VVD stonden in 1948 ideologisch nog scherp tegenover elkaar. Wie hoort nu nog uit de mond van een sociaal-democraat: “De Partij bestrijdt niet slechts de uitwassen der kapitalistische productiewijze, maar het stelsel zelf, de daaruit voortvloeiende sociale verhoudingen en de deze maatschappij beheersende geest.” Het Vrije Volk, de krant die met de PvdA was gelieerd, trok een vergelijking tussen de verkiezingscampagne van de VVD en de werkwijze van nazi-propagandachef Goebbels. De campagne was toevertrouwd “aan mensen die van propaganda geen begrip en van fatsoen geen last hebben”.

PvdA en VVD waren opnieuw vertegenwoordigd in het tweede kabinet-Drees (1951-52). Vooral de KVP wenste de brede basis te handhaven. De nieuwe fractievoorzitter van de PvdA, Burger, kwam bij het debat over de regeringsverklaring tot de conclusie dat “een vruchtbare oppositie” vrijwel onmogelijk was geworden.

In 1952 kwam aan 'paars avant la lettre' een einde. Door de politieke verhoudingen was van rood-blauwe samenwerking tussen PvdA en VVD nauwelijks sprake geweest; KVP en PvdA deelden de lakens uit. 'Honderd jaren', het standaardwerk dat de parlementaire geschiedenis beschrijft, typeert de situatie in 1952 als volgt: “Oud past er voor zich en zijn partij nog langer te laten gebruiken als gevelversiering aan een kabinet, dat in feite berust op een smalle basis”.

Formateur Drees wilde van samenwerking met de VVD ook niet meer weten. Hij was hevig verontwaardigd over een opmerking van de liberalen dat een nieuw kabinet-Drees onder het dictaat zou komen te staan van de Raad van Vakcentrales. CHU-fractievoorzitter Tilanus meende eveneens dat dit een “grove belediging” inhield. Het duurde meer dan veertig jaar voor PvdA en VVD weer samen regeringsverantwoordelijkheid zouden dragen.

Lijkt het dualisme van het afgelopen jaar op de tamelijk afstandelijke omgang tussen regering en parlement in bijvoorbeeld de jaren vijftig? Is de positie van Bolkestein - en die van de fractievoorzitters van beide andere regeringspartijen, Wallage en Wolffensberger - te vergelijken met die van voorgangers?

In een dualistische situatie is het van groot belang of een alternatief bestaat voor de coalitiesamenwerking van dat moment. Ten tijde van de rooms-rode samenwerking, en met name in de laatste periode daarvan, wàs er een alternatief: de confessionele partijen konden voor de VVD kiezen.

Het interessante van de huidige dualistische situatie is, dat een alternatief (nog) ontbreekt. Het CDA is in hopeloze verwarring en sterk verzwakt. PvdA en VVD lijken voorlopig echt voor elkaar te kiezen. Bolkestein heeft al aangekondigd een tweede paarse coalitie te willen. En hoewel PvdA-fractievoorzitter Wallage de deur naar samenwerking met het CDA in een volgende regeerperiode openhoudt, neemt zijn partijvoorzitter Vreeman, niet de grootste voorvechter van paars, scherp afstand van het christen-democratisch rapport 'Nieuwe wegen, vaste waarden'. Het kan allemaal snel veranderen, maar dit zijn wel de grenzen waarbinnen het dualisme zich momenteel beweegt.

In de dualistische jaren vijftig was Oud de onomstreden aanvoerder van de VVD. Met een beetje goede wil kan men Bolkestein de 'Oud' van de jaren negentig noemen. Wat over Oud werd gezegd, geldt ook voor Bolkestein: “Hij is zijn eigen wetenschappelijk bureau”. Bolkestein valt evenzeer te spiegelen aan katholieke fractievoorzitters als Romme en zelfs zijn voorganger Nolens, die als politiek leider van hun partij liever vanuit de kamer dan vanuit het kabinet aan de touwtjes trokken.

Jacques Wallage kan zich eveneens in een reeks van voorgangers herkennen; denk aan Van der Goes van Naters, Burger, Van Thijn en Wöltgens. Zij waren PvdA-fractievoorzitters met als moeilijke taak - in meer en minder dualistische tijden - de juiste omgang te vinden met een kabinet waarin zich niet alleen hun politiek leider, maar ook de (mede-)aanvoerder van de coalitie bevond.

Zelfs in de korte D66-historie is voor de posities van Wolffensberger en Van Mierlo een analogie aanwezig. Hun naar het schijnt niet optimaal afgestemde optreden herinnert aan de fase waarin Brinkhorst de D66-fractie voorzat en politiek leider Terlouw vice-premier was in twee kabinetten-Van Agt.

Het kabinet-Kok verschilt volstrekt van dat van Cort van der Linden, hoewel daar evenmin confessionelen aan deelnamen. Ook de kabinetten-Drees waarin PvdA en VVD bijna à contrecoeur samenwerkten, strekken nauwelijks tot voorbeeld. Is de huidige verhouding tussen regering en parlement evenzeer uniek? Welnee, de paarse hoofdrolspelers blijken voor een klus te staan waar voorgangers in andere omstandigheden ook voor stonden. In dit opzicht kent de huidige coalitiesamenwerking zovéél mogelijkheden tot vergelijking, dat daarom de geschiedenis geen pasklare antwoorden geeft. We hebben gewoon te maken met een onvergelijkbaar kabinet!