Inbrekers zijn jong, razendsnel en niet gewelddadig

Gebrekkige beveiliging van huizen en geringe sociale controle laten toe dat inbrekers toeslaan. Dus pleiten verzekeraars, politie en buurtcommissies voor betere sloten en portiekverlichting.

AMSTERDAM, 19 DEC. Het aantal aangiften van woninginbraken in Nederland is de afgelopen vijftien jaar verdubbeld. Terwijl de criminaliteit in het algemeen stabiliseert, is inbraak de afgelopen drie jaar toegenomen, blijkt uit cijfers van criminologen, politie en verzekeraars. Tussen 1980 en 1992 steeg het aantal aangiften van inbraak jaarlijks met 8,1 procent volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Vorig jaar deden 123.000 mensen aangifte van inbraak. De opvatting is dat die stijging aanhoudt zolang woningen onvoldoende zijn beveiligd en sociale controle ontbreekt.

Tegelijkertijd daalde de gemiddelde leeftijd van de Nederlandse inbreker de afgelopen 15 jaar aanzienlijk, zo blijkt uit onderzoeken van het ministerie van justitie. De meeste daders zijn tussen de vijftien en dertig jaar oud, ze zijn razendsnel, breken de deur open met een koevoet of schroevedraaier, nemen een kleine buit mee en vertrekken te voet. Als ze worden gestoord, maken ze dat ze wegkomen. Gewelddadige inbraken komen in Nederland weinig voor.

Niet bekend

Veel daders volgen niet langer de traditionele criminele loopbaan. Waar jongeren vroeger begonnen met winkeldiefstal om via autokraken en inbraak op oudere leeftijd bij gewapende overval uit te komen, zijn er nu vijftienjarigen die hun loopbaan beginnen met inbraak. Toch hebben veel daders volgens de Amsterdamse politie hun eigen grenzen: de een vindt een mes dragen al uit den boze, de ander zou nooit bij een bejaarde vrouw inbreken.

Wegens de “explosieve” stijging van het aantal inbraken kwamen verzekeraars en beveiligingsbedrijven dit jaar bijeen. Er werd een stichting Borg opgericht die een beveiligingskeurmerk uitgeeft, het zogeheten Borg-certificaat, dat de kwaliteit van hang- en sluitwerk en alarminstallaties moet garanderen. “Klanten konden tot nu toe niet beoordelen of zij wel een degelijk alarm kochten”, aldus de directeur van de stichting, H. Lohuis. Het keurmerk moet burgers stimuleren hun huis goed te beveiligen.

De verzekeringsmaatschappij Nationale Nederlanden heeft onlangs als eerste in de branche met ingang van volgend jaar een premieverlaging aangekondigd voor mensen wier huis of winkel is beveiligd volgens de Borg-normen. De verwachting is dat andere verzekeraars zullen volgen. Nog geen tien procent van de Nederlandse huishoudens heeft een alarminstallatie, zo blijkt uit slachtoffer-enquêtes van het CBS. Zij die een alarm hebben, behoren veelal tot de hogere inkomensgroepen.

Behalve het voordeel van premieverlaging heeft beveiliging ook echt zin, zegt de Leidse criminoloog Van Dijk. Voor mensen die hun huis goed beveiligen, daalt de kans om slachtoffer van inbraak te worden van 8 naar 0,5 procent. “De meeste inbrekers zijn gelegenheidsdaders die een ander huis zullen zoeken als zij niet snel en gemakkelijk binnenkomen. Zodra bekend wordt dat woningen in een bepaalde wijk goed beveiligd zijn, zal het aantal inbraakpogingen daar afnemen”, aldus Van Dijk. Een volledige verschuiving van het aantal inbraken naar een andere wijk, zal nooit voorkomen, zegt hij. “Sommige daders verlaten het criminele circuit gewoon als het te moeilijk wordt.”

Met name de delicten inbraak en straatroof blijken elkaar vaak te vervangen. In Spanje en Ierland waar grote gezinnen nog samen in een huis wonen, komt inbraak amper voor. Daar is altijd wel iemand thuis. Straatroof vormt daar een groter probleem dan in Nederland. Dat in Nederland relatief weinig vuurwapens in omloop zijn, vergeleken met bijvoorbeeld de VS, beperkt ook het aantal gewelddadige delicten. Voor inbraak is niet veel nodig, hooguit een koevoet en een goede conditie.

Niet alleen de gebrekkige beveiliging van huizen in Nederland geeft inbrekers de kans toe te slaan. Geringe sociale controle is even belangrijk, zeggen criminologen van het CBS. Inwoners van kleine dorpen en grote steden, waar de sociale controle de afgelopen twintig jaar is afgenomen, maken de grootste kans slachtoffer te worden van inbraak, zo blijkt uit onderzoek van het CBS. Dorpen zijn in toenemende mate forenzengemeenten, waardoor het gemeenschapsgevoel langzaam verdwijnt. In dorpen met veel vrijstaande huizen is de kans op inbraak ook groter; daar kan een inbreker ongestoord zijn gang gaan, omdat buren toch niets kunnen zien of horen. Het idee dat er 'wel wat te halen valt' in een vrijstaand huis speelt ook mee.

In grote steden zijn het geringe contact met buren en slechte straat- en portiekverlichting de oorzaak voor de afnemende controle. Individualisering speelt een belangrijke rol, zegt politieman G. Cremers, portefeuillehouder inbraak van de stadsdeelraad Amsterdam-Oost. “Mensen voelen zich niet meer geroepen de politie te bellen als er een onbekende aan de voordeur van de buren morrelt.” Ook zijn er steeds meer een- en tweepersoonshuishoudens waardoor er vaker niemand thuis is. Van Dijk noemt de integratie van arme en rijke wijken in grote steden als een oorzaak voor het aantal inbraken. “De integratie heeft positieve effecten, maar een negatief neveneffect is dat we de kat op het spek hebben gebonden.”

Politiekorpsen in grote steden hebben de afgelopen jaren een grootscheeps offensief ingezet tegen inbraak. In Amsterdam was het aantal inbraken begin jaren negentig zo hoog dat het bestrijden van inbraak officieel de eerste prioriteit van de politie werd. Jaarlijks kreeg ten minste dertien procent van de bevolking te maken met inbraak. In Utrecht was zelfs 22 procent van de bevolking in 1992 slachtoffer van inbraak, zo blijkt uit onderzoek van het ministerie van justitie.

Volgens commissaris A. Julsing, de stedelijke coördinator van het project 'Veilig Wonen' in Amsterdam, heeft inbraak een grote invloed op het onveiligheidsgevoel van de bevolking. Behalve de aanstelling van meer dan honderd nieuwe politiesurveillanten op straat moest ook het bewustzijn van bewoners worden vergroot. Zij kunnen zelf de kans om slachtoffer te worden verkleinen door hun huizen te beveiligen en beter op het huis van de buren te letten, aldus Julsing.

Met de beveiliging van oude huizen in sociaal zwakke wijken is het het slechtst gesteld. Zo ook in het gesloten bouwblok aan de Weesperzijde in Amsterdam-Oost, dat ongeveer veertig panden telt. Tot 1994 was het daar zeker vijftien keer per jaar raak. De meeste woningen, grotendeels van particuliere verhuurders, waren amper beveiligd en sociale controle ontbrak: het bouwblok grenst aan twee kanten aan waterwegen en aan een zijde ligt een spoorweg. Sinds een jaar is de situatie verbeterd: in 1995 is er niet één geslaagde inbraakpoging geweest. Met advies van de politie is er anderhalf jaar geleden een beveiligingsproject begonnen. Nieuwe sloten en metalen strips zijn aangebracht op alle buitendeuren. Joke Krull, lid van de bewonerscommissie, probeert het “buurtgevoel” nieuw leven in te blazen door een nieuwsbrief bij iedereen in de bus te gooien en als het gaat schemeren, knipt ze de buitenverlichting in de portieken aan.

Dit project is geslaagd, maar slechts een begin, vindt de politie. In de toekomst moeten in Amsterdam alle gerenoveerde en nieuwbouwwoningen voldoen aan het beveiligingskeurmerk. Dan zullen alle huizen moeten zijn voorzien van goede sloten en buitenverlichting. Een plaatselijke politieverordening daartoe wordt binnenkort van kracht.

Een bijkomend probleem is dat de samenleving inbraak gewoon in stand houdt, zegt commissaris Julsing: er is een markt voor gestolen goederen. “Zolang mensen een videootje kopen voor 200 gulden, zonder al te veel vragen te stellen, zal inbraak nooit afnemen.”

    • Frederiek Weeda