Geld

De miljonairs onder mijn vrienden zeggen dat je buitengewoon slim en energiek moet zijn om rijk te worden, maar dat geloof ik niet. Sommigen overkomt het bij toeval, terwijl ze aan het spelen zijn. Tot hun verrassing blijkt het spel opeens geld op te leveren. Voor de anderen, die echt naar rijkdom streven, is het waarschijnlijk voldoende om een oprechte belangstelling voor geld te hebben. Het is een eigenschap die zeldzamer is dan vaak gedacht wordt.

Op het eerste gezicht lijkt het anders. Tot mijn verbazing volg ik gesprekken die urenlang over geld gaan. De jongens die me tien jaar geleden bestraffend toespraken als ik over een banaal onderwerp als de belasting schreef, hebben het nu over de bestseller die ze willen schrijven of over de verhoopte doorbraak van hun beeldend werk op de Japanse markt. Nooit gaat het over de dingen die ze zouden willen doen met al dat geld, een droom die vervuld zou worden. Wat ze willen, doen ze al. Het is een mantra, denk ik. Heilige toverspreuk, maar in feite lege woorden die de geest schoon kunnen spoelen. Miljoen, miljoen, mompelen ze, om een toestand van verlichting te bereiken. Zo kan je de beursberichten lezen als de I Tsjing, niet om de cijfers maar om het zelfinzicht dat ze opleveren door de gedachtenassociaties die loskomen. Het kan zijn dat ik het te optimistisch zie. Misschien is het alleen maar een degeneratieverschijnsel, die plotselinge belangstelling van mijn vrienden voor geld. Eerste stadium van de dementie. Wie niet meer de kracht op kan brengen om naar iets interessants te streven, streeft naar geld.

Ja, ja, vrome kletspraatjes. Kijk naar de rijken, zie hoe ze stralen van gezondheid en kracht. Omdat ze zich goede medische voorzieningen kunnen veroorloven, wordt gezegd. Onzin, dat kunnen wij ook. Het is alsof hun rijkdom een alchemistisch proces in hun lichaam op gang heeft gebracht, waardoor ze steviger en blozender worden en heilzame straling uitzenden, net zoals bij televisiesterren het lichaam na jarenlange blootstelling aan de camera van prachtig marmer lijkt te zijn geworden.

In het decembernummer van het Hollands Maandblad schrijft Maarten 't Hart over een gesprek met een Chinese dichter, Gua Hu, dat hij eens had. De dichter was in slechts één ding geïnteresseerd: hoe de Nederlandse schrijvers en dichters er financieel voorstonden. Moet een zeer begaafde dichter zijn, denk ik dan. Afkerig van algemeen menselijke kitschgedachten. Waarover men niet spreken kan, moet men zwijgen, en daarom spreekt men over geld. Soort Chinese Wittgenstein, geestelijk asceet. Een genie waarschijnlijk. Maar misschien willen alle Chinese dichters die in Nederland zijn wel alleen over geld praten.

Het nummer van Hollands Maandblad gaat over de broodschrijver, de Nederlandse schrijver die zijn geld wil verdienen met de literatuur. Het volstrekt irrationele karakter van de belangstelling voor geld komt er goed uit naar voren. Maarten 't Hart bijvoorbeeld heeft zichzelf vaak als zuinig beschreven. Hij zou makkelijk uit kunnen komen met de helft van een studentenbeurs, omdat hij met een dikke trui geen verwarming nodig heeft en tevreden is met de leefruimte van een dekenkist. Geldwolf, zou je denken. Maar nee, het ligt toch anders. De uitgaande geldstroom wordt door Maarten 't Hart tot op de cent geïnspecteerd, maar voor wat er binnen komt blijkt hij nauwelijks belangstelling te hebben. Toen zijn baan op de universiteit gehalveerd werd, bleef hij welgemoed hele dagen werken, het maakte hem niets uit. De inkomsten zijn voor hem een abstractie die zijn financiële adviseur behandelt, de uitgaven zijn een emotie. Als hij aan het eind van de regenboog een pot goud zou kunnen vinden en er met een taxi naar toe zou moeten rijden, zou hij het waarschijnlijk als een emotionele schadepost boeken.

Curieus is ook het artikel van H.J.A. Hofland. Schijnbaar een rationeel essay, vol cijfers en berekeningen. Maar niet heus. Hofland telt op, deelt, vermenigvuldigt, trekt wortel en verheft macht, als ware hij een fabeldier van Kees Stip, alleen maar met de bedoeling om aan te tonen dat iemand die heel veel geld verdient, eigenlijk heel arm is. Het begrip dat hij daarvoor introduceert is de 'zelfsubsidie'. De gemiddelde Nederlandse schrijver verdiende in 1993 ƒ 23.000 met de literatuur en ƒ 38.000 met andere werkzaamheden. Geen reden tot grote bezorgdheid, zou je denken. De gemiddelde Nederlandse schrijver heeft blijkbaar het advies van W.F. Hermans en Maarten 't Hart opgevolgd en er een baan bij aangehouden. Hofland formuleert het zorgelijker: de schrijver subsidieert zijn eigen literaire werkzaamheden met ƒ 38.000. Prettige vorm van subsidie, zou ik zeggen. Je deelt het geld uit en je houdt het ook nog in eigen zak. Ik zou mezelf op die manier graag subsidiëren, hoe meer hoe liever. Voor Hofland is de zelfsubsidie een bijna bovenmenselijke prestatie en een bron van mistroostigheid.

Liesbeth Koenen stelt de interessante vraag waarom kranten en opiniebladen eigenlijk zoveel redacteuren hebben. Redacteuren zijn in vaste dienst en daardoor duur voor het bedrijf. De medewerker, kleine zelfstandige, is goedkoop en meestal goed ingelicht op zijn terrein. Waarom worden al die dure redacteuren er niet uitgegooid en ingeruild voor losse krachten die op stukbasis werken? Als het omgaan met geld een rationele activiteit zou zijn, zou dat inderdaad gebeuren. Het wordt door moderne bedrijfskundigen dan ook bepleit om de vaste kern van de organisatie zo klein mogelijk te maken. Dat het nog niet zo'n vaart loopt, komt volgens mij door de diepe schaamte, moeizaam verdrongen, die iedereen voelt die op een gegeven moment gedwongen was om een vaste baan te accepteren. Hij heeft zichzelf geplaatst in de meest vernederende positie die voor een mens denkbaar is: die waarin hij bevelen moet aannemen van een ander. Hij heeft zijn mensenrechten verkwanseld voor een schotel linzen. En zoals de verloederde dronkelap opdringerig een rondje aanbiedt om zoveel mogelijk mensen te laten delen in zijn schandelijk lot, zo heeft ook de mens in dienstverband de neiging om gelijken om zich heen te verzamelen, desnoods gelokt met dure geschenken. Koenen hoopt dat de honoraria voor freelance journalisten verviervoudigd zullen worden als de kranten hun werknemersbestand uitdunnen. Ik hoop het met haar, maar ik verwacht er niet veel van. Op de vrije markt zal de klant koning zijn en niet wij. Kop op, zie het als een zegen dat de slaven elkaar vetmesten, alleen dan valt er genoeg van de tafel voor ons.