Doe-het-zelf journalistiek

HILVERSUM.Bij de VPRO zitten de whizz-kids op zolder. Onder het schuine dak van een van de omroepvilla's wordt door een handvol pioniers de digitale wereld verkend, zoals dat op dit moment overal gebeurt: zoekend, spelend, puzzelend. Kom 'ns kijken wat we nu hebben, zeiden ze vorige week. Ze hadden bij wijze van experiment een CD-ROM gemaakt die nu eens niet een spelletje of een encyclopedie met vogelgeluiden bevatte, maar een bloedserieus journalistiek produkt: een zes uur durende discussie tussen vier prominente Nederlandse denkers over de wereld in de 21ste eeuw. Ga eens zitten, zeiden ze. Op het scherm stonden de themas waarover de vier heren gesproken hadden, vijftig trefwoorden, lopend van afhakers, via epidemieën en flitskapitaal tot worst-case scenario.

Ik zette de muis op het laatste woord en klikte. Een foto van de polemoloog Hylke Tromp verscheen in beeld, terwijl hij een verhaal hield over onze gewenning aan externe vijanden. Dat kan dus niet meer. Want de vijand zijn we zelf. Onderaan het scherm dook ondertussen een verwijzing op naar haat van het slinkende midden. Ik klikte door: Arie van der Zwan. Ik stel mij voor dat het niet onmogelijk is dat de onvrede van de mensen aan de onderkant van de samenleving op een gegeven moment tot een uitbarsting komt. Van der Zwan praatte door, en er verscheen een verwijzing naar de milieu-specialist Wouter van Dieren over Newt Gingrich. Klik. Hij praatte over de haat op de televisie en de electronic highway, de hate-shows: Het is logisch dat niet de verlichting en de verfijning en de cultuur, altijd dat bovenlaagje van de maatschappij, de beheersing krijgen over deze technologie.

Zo klikte ik door het debat heen, van opmerking naar commentaar, van mening naar kritiek, van het ene onderwerp naar het andere. Sterker nog: zo schiep ik mijn eigen debat, want de vier deelnemers hadden in werkelijkheid nooit met elkaar rond de tafel gezeten.

Dit virtuele gesprek bestond eigenlijk uit drie lagen met aparte interviews: een eerste laag met meningen, een tweede laag met kritiek en commentaar op wat de anderen eerder gezegd hadden, en ten slotte een derde laag met replieken en conclusies. Maar daar bleef het niet bij. Al snuffelend op het scherm merkte ik dat ik niet alleen de thema's kon kiezen waarover de vier heren het volgens mij moesten hebben, ik kon ook fragmenten verwijderen die me niet bevielen, ik kon stukken verplaatsen, er het beste uit selecteren en ik kon alles van mijn eigen commentaar voorzien. Als ik wilde kon ik daarna mijn versie van het debat op het Internet zetten, en iedereen die maar wilde kon op deze basis voortbouwen. Zo zou zo'n debat uiteindelijk kunnen uitdijen tot enorm vertakt netwerk, als de draden van de gigantische ondergrondse schimmel, waarvan slechts hier en daar een paddestoeltje boven komt. Ik schoof, selecteerde, klikte, van luisteraar werd ik mijn eigen programmaker, en gaandeweg realiseerde ik me dat het technische hoogstandje dat de VPRO wizz-kids in mijn vingers hadden gestopt in potentie een bom vormde onder het klassieke journalistieke ambacht. Nu wordt er vaker geroepen dat Internet en andere nieuwe vormen van communicatie de journalistiek overbodig zullen maken. Dat is natuurlijk onzin: goede koks worden ook niet de laan uitgestuurd als alle ingrediënten opeens om de hoek te krijgen zouden zijn. Sterker nog: hoe groter de vloed aan informatie is, des te groter is het belang van vertrouwenspersonen en -instituten die daaruit zin en onzin selecteren, verifiëren en een bepaalde prioriteit geven. Kranten dus, en radio- en tv-redacteuren, en uitgeverijen.

Daarbij komt dat er door de nieuwe media een wijd veld aan nieuwe mogelijkheden wordt geopend, en daar was dit virtuele gesprek een buitengewoon knap voorbeeld van. Het bleek veel dieper te gaan dan een gewone radio- of televisiediscussie: iedereen had de tijd gehad om het debat op elk onderdeel voor te bereiden, men kon zonder problemen terugkomen op eerdere standpunten, men kon in de eigen werkkamer nog eens een boek uit de kast trekken om een standpunt toe te lichten en de wet van de grote mond telde niet. Al doende ontdekten we het grote voordeel van zo'n virtueel debat boven het klassieke debat, schreef samensteller Lex Runderkamp in de toelichting op dit project. Het virtuele debat is doorwrocht als de Delpi-methode waarbij elke deelnemer, geconfronteerd met de feedback op zijn stellingen, zijn bijdrage levert aan een collectief inzicht. De vraag is alleen hoe collectief dat inzicht uiteindelijk zal zijn. Ik schoof wat met de muis, want ik, als gebruiker, kon nu zelf uitzoeken wat ik wel en niet wilde horen. Ik gooide alle thema's eruit die met milieu te maken hadden, en die sombere Wouter van Dieren kon me ook verder gestolen worden. Klik. Zo, nu zag de een en twintigste eeuw er alweer een stuk zonniger uit. Ik hoefde de boodschapper van het onaangename nieuws dus niet eens meer te doden of te verketteren, ik kan hem voortaan gewoon omzeilen. En als ik wil kan ik mijn privé-versie van dit nooit gevoerde gesprek zonder problemen door de hele wereld sturen, voor iedereen die het wil lezen.

Zo wordt de journalist onttroond op twee van de belangrijkste aspecten van zijn vak: de macht om te selecteren en de macht om nieuws te verspreiden. Dat kan best eens gezond zijn voor deze soms uiterst arrogante beroepsgroep.

Maar de keerzijde is dat het in deze snuffel- en zap-paradijzen bijna onmogelijk is om de lezer/gebruiker nog een dwingend betoog voor te schotelen. Iets van gemeenschappelijkheid, iets zelfs van een autoriteit is onontbeerlijk bij welke vorm van meningsvorming ook - al is het alleen maar om je tegen af te zetten. Gezamenlijke meningen binden, maar juist dat element van gemeenschappelijkheid krijgt het zwaar te verduren in systemen die er meer en meer op gericht zijn om enkel weetjes en gefragmenteerde meningen te produceren voor de individuele consument.

Klik.

Arie van der Zwan betoogt dat politieke bewegingen, zoals de socialistische vroeger, de haat van de onder- en middenklasse een zekere richting gaven en die zelfs wisten om te zetten in politieke aktie. Het was de grote verdienste van dit soort grote bewegingen dat ze wat een destructieve kracht in de maatschappij dreigde te worden, hebben omgezet in een constructieve kracht. Er vindt nu geen organisatie van de machtelozen plaats, maar die haat zal toch zijn uitweg moeten zoeken.

De agora, de plek waar meningen en beleid collectief gemaakt worden, is bezig te verdwijnen. De supermarkt regeert.