Concurrentie op het spoor niet meer taboe

DEN HAAG, 19 DEC. Voor de PvdA is concurrentie op het spoor niet aan de orde, zei het Kamerlid Van Gijzel een week geleden in de Tweede Kamer. Gisteren, tijdens het vervolg-debat over de verzelfstandiging van de NS, gingen VVD, D66 én PvdA akkoord met openbare aanbesteding van onrendabele lijnen in de periferie van het spoorwegnet.

Deze opvallende ommezwaai is te danken aan drie stukken die de Kamer pas bereikten na de aanvang van het debat, vorige week maandagmorgen. Samen hebben ze een taboe doorbroken dat de Kamer enkele maanden in zijn greep hield: de invoering van concurrentie in het openbaar vervoer, met alle associaties van 'Engelse toestanden' vandien. Twee van de stukken die de Kamer deze week ontving, waren ambtelijke notities over invoering van concurrentie op het spoor. Het derde stuk was een brief van de NS aan minister Jorritsma, met het verzoek die concurrentie nog even uit te stellen.

De stukken waren nieuw en maakten een standpuntbepaling over concurrentie op het spoor noodzakelijk, maar eigenlijk had de strekking ervan bij de leden van de Vaste Kamercommissie voor verkeer en waterstaat al lang bekend moeten zijn. Wie van hen regelmatig een congres over openbaar vervoer bezoekt, en dat doen de meesten, wist dat concurrentie op het spoor een voor de hand liggend vervolg is op de invoering van marktwerking bij bus, tram en metro. Dat wordt althans op menig congres gesuggereerd.

Ook ontving de Tweede Kamer in november een ministeriële brief waarin stond dat voor onrendabele lijnen “vanaf 1996 aanbestedingsprocedures (al dan niet op het spoor) worden voorbereid”. Het stond in de kleine lettertjes, maar het stond er wel. En het Kamerlid Rosenmöller (GroenLinks) memoreerde gisteren zelfs dat zijn fractie eerder dit jaar de ambtelijke concurrentie-schets 'Spoor 2000' bij het ministerie had besteld - en gekregen. Het stuk was echter ongelezen in de archiefkast beland.

Net zo min als de minister, had de Kamer de afgelopen weken belang bij een open discussie over concurrentie op het spoor. Beide partijen lag een debat over de invoering van marktwerking in het stads- en streekvervoer nog pijnlijk vers in het geheugen. Dat debat is twee weken geleden afgerond. Na een aanvankelijk afwijzende houding gingen de regeringsfracties PvdA en D66 toen 'op hoofdlijnen' akkoord met concurrentie bij bus, tram en metro. Tegelijk slaagden zij erin hun 'ja' met zoveel 'mitsen en maren' te omkleden, dat het leek alsof zij nog allerlei opties openhielden. PvdA en D66 zijn er niet zeker van dat concurrentie zal leiden tot meer en beter openbaar vervoer.

In de Haagse spelregels is 'akkoord op hoofdlijnen' echter hetzelfde als 'ja'. Na zo'n akkoord volgt de uitwerking op detailniveau. Vandaar ook dat het Kamerlid Remkes (VVD) het die maandag zonder blikken of blozen had over “voorwaarts mars” met de marktwerking bij bus, tram en metro. De VVD is de enige coalitiepartner die geen moeite heeft met het kabinetsbeleid van decentralisatie en concurrentie in het openbaar vervoer - en die zegt waar het op staat.

Ook de liberale minister Jorritsma zou dat kunnen doen, maar zij had weinig reden zout in de open wond van PvdA en D66 te strooien door een week later ook nog eens het debat over concurrentie op het spoor aan te gaan. Liever dan dat wilde zij eerst een ronde maken langs provincies, streekvervoerders en andere belanghebbenden, om te peilen wat de mogelijkheden zijn. Die peiling is nu aan de gang. Als de minister vervolgens komt met een op liberale - lees commerciële - leest geschoeid masterplan, dan zijn de concurrentievoornemens ook kansrijker. 'Draagvlakverbreding', heet dat in modern ambtelijk jargon.

In feite hebben PvdA en D66 het dan ook aan zichzelf te danken dat zij zich gisteren openlijk moesten bekennen tot concurrentie op het spoor. Nadat zij de afgelopen weken om het hardst hadden geroepen dat er meer duidelijkheid moest komen over de onderhandelingen over de onrendabele lijnen, en daarna ook nog eens de drie ontbrekende stukken opeisten, kon de minister niet veel anders dan klare wijn schenken.

In de brief die zij afgelopen vrijdag naar de Kamer stuurde - en die gisteren de basis van het 'ja' tegen de verzelfstandiging vormde - schrijft zij dat er voor de onrendabele lijnen twee fasen te onderscheiden zijn. Tot medio 1998 verandert er niets, daarna worden voor de verbindingen waarvoor ook andere geïnteresseerden zijn “door de overheid alternatieven bezien, passend in een optimale regionale dienstverlening en gebruik makend van het aanbestedingsinstrument”. Alleen voor de onrendabele lijnen waarvoor NS bij gebrek aan belangstelling van stads- en streekvervoerders de enige gegadigde is, zal de minister nog met de spoorwegen tot zaken komen. Over de toedeling van kosten aan deze lijnen wordt nu tussen ministerie en NS onderhandeld.

Gisteren zei PvdA'er Van Gijzel dat concurrentie wellicht tot kwaliteitsverbeteringen leidt. Remkes wees erop dat concurrentie op de uiteinden van het spoornet efficiencyverbetering met zich mee zal brengen. In ieder geval is de NS met zijn overhead en duur materieel er niet zeker van de slag te winnen van een stads- of streekvervoerder, als het op inschrijving op een concessie aankomt. Juist om te voorkomen dat dan opnieuw banen op de tocht komen te staan, had het bedrijf de minister een 'all in'-contract voor alle onrendabele lijnen voorgesteld.

Een mogelijke uitweg voor de NS ligt nu in het oprichten van regionale dochtermaatschappijen, iets wat ook reeds in 'Spoor 2000' gesuggereerd werd. Zo'n BV NS-Noord of Gelderse Spoorwegmaatschappij zou met veel minder overhead toekunnen - en dus efficiënter opereren dan het moederbedrijf. Wellicht dat de NS op die manier wel de concurrentie met bus, tram en metro aankan, zeker wanneer ook van lichter en dus goedkoper spoorwegmaterieel gebruik wordt gemaakt, tegenwoordig 'light rail' genoemd.