Compositie voor de jankende hond Casper

Concert: Alvin Curran, midi-piano en live elektronica. Werken van Curran: The Works en Electric Rags. Gehoord 18/12, Muziekcentrum Vredenburg Utrecht. Herhaling: 19/12 De IJsbreker Amsterdam.

Een opname van Casper, de veertien jaar oude hond van Alvin Curran, specialist in poëtische dan wel humoristische environmental music, werd de basis voor zijn compositie The Works uit 1977. Kort voor Casper overleed jankte hij een liefdeslied, waarmee hij was begonnen toen hij op de Piazza Navona een teefje tegen het lijf liep. Curran wist meteen dat dit het begin moest worden van een compositie voor bandopnamen en live piano, een opname die ook nog de geluiden bevat van koeien, een trein, een paardevlieg, zijn eigen voetstappen, een schop tegen een blikje en ook een Amsterdams draaiorgel, want vooral van dit soort melancholisch stemmende instrumenten moet hij het hebben.

Deze in Rome werkende Amerikaan experimenteerde al geruime tijd in de primitieve wereld van de analoge technieken alvorens over te stappen in die van de onvergelijkelijk meer mogelijkheden biedende midi-vleugel, computer en andere digitale systemen. Gaat het in The Works om vijf tonen, eigenlijk vijf janken, in Electric Rags uit 1985, een Nederlandse première, zijn het er vijf miljoen. Gisteravond in het Muziekcentrum Vredenburg stond het na de pauze geprogrammeerd. Oorspronkelijk was ons een treffen beloofd tussen de shovar (hebreeuwse primitieve ramshoorn) en de hedendaagse computer. Evenals de hond Casper kan de shovar slechts vijf tonen produceren, maar Curran zorgt voor afwisseling in een mixage van klaagmuurzangen, brekend glas, scheepstoeters en leeuwengebrul.

Shovar kon niet worden uitgevoerd omdat Currans vliegtuig niet de bedoelde bagage bevatte. Misschien is het vanavond in de IJsbreker te horen in plaats van Electric Rags.

Wat mij vooral trof op het concert in Utrecht, is dat de technische ontwikkeling in de jaren tachtig geen garantie hoeft te bieden voor betere muziek. Voorts heb ik een beetje moeite met Currans nogal beperkte minimalistische jazzimprovisaties die hij live tegenover de bandopnamen plaatst. Wat echter voor Curran inneemt is zijn relativeren, zoals moge blijken uit onderstaande toelichting: “Mijn vingers spelen slechts wat er voor het grijpen ligt en niets meer, terwijl ze onophoudelijk ronddwalen, roekeloos, ongecontroleerd, verdwaasd, onder arrest, in oorlog of in vrede, of zelfs catatonisch op zoek naar de achterkant van de maan, ergens de improvisatie voorbij, het componeren voorbij en vaak de goede smaak voorbij.”

Curran is als een gouddelver die graait tussen stof en moddertroep en heel soms glanst er iets. Meestal verzanden zijn improvisaties in loos geweld. Maar dan opeens, houd je de adem in. Dat gebeurde kort voor het einde van The Works waarin vervreemde boventonenzang klonk - Curran is ook een stemkunstenaar - die veel beter mengde met de geluiden van de band.

In Electric Rags bestaat zijn humor uit een vrouw die kreunt en steunt als een loopse teef op plaatsen in de muziek waar je dat allerminst zou verwachten. Helaas buit hij dat effect te veel uit, zodat het niet meer werkt. Curran blijft een fenomeen, maar ik heb voorkeur voor zijn vroegere poëzie.