Zogende moeders en de grenzen van de iconologie

ROTTERDAM, 18 DEC. Op de damestoiletten van Museum Boymans-Van Beuningen in Rotterdam is het dringen, voor aanvang van het symposium over 'Het beeld van de vrouw in de Nederlandse kunst van de zeventiende eeuw'. Vrouwelijke onderzoekers zijn nog altijd zwaar oververtegenwoordigd op het gebied van de 'vrouwengeschiedenis'. Italiaans, Engels en Nederlands klinken opgewonden door elkaar boven de wastafels. Van de acht sprekers afgelopen vrijdag, uitgenodigd door de Faculteit der historische- en kunstwetenschappen van de Erasmus Universiteit, is niettemin de helft mannelijk. De uitnodiging belooft dat zij recent onderzoek zullen presenteren en een aanzet zullen geven tot discussie over 'het vrouwbeeld, zoals dat op Nederlandse schilderijen, prenten en tekeningen naar voren komt.'

Het onderwerp klonk veelbelovend genoeg. De zogende moeders, de dronken bakers, de bezemende dienstmeiden en de verleidelijke virginaalspeelsters van Pieter de Hoogh, Jan Steen en Johannes Vermeer: wie zou daar niet meer van willen weten? Sinds de baanbrekende tentoonstelling Tot lering en vermaak uit 1976, in het Rijksmusem, weet immers ook het grote publiek wat kunsthistorici al eerder ontdekten: dat die ogenschijnlijk zo 'realistische' zeventiende-eeuwse schilderijen heel wat meer konden betekenen dan je op het eerste gezicht zou vermoeden. In die catalogus schreef de Utrechtse hoogleraar Eddy de Jongh al dat kinderen die zeepbellen blazen naar de vergankelijkheid kunnen verwijzen, en scheepjes naar erotiek. De Jongh is een van de aartsvaders van de iconologie, de kunsthistorische richting die zich bezig houdt met de interpretatie van afbeeldingen. De laatste jaren heeft de iconologie echter toenemende kritiek te verduren, en sommige kunsthistorici lijken haar dan maar in zijn geheel bij de vuilnisbak te willen zetten.

Zo ook Marlite Halbertsma, van de Erasmus Universiteit, in haar welkomstwoord: 'Achteraf gezien zat er een grote valkuil in de iconologische methode.' De betekenis van schilderijen werd geïnterpreteerd door ze in verband te brengen met teksten uit dezelfde periode. Maar, meent Halbertsma, niemand nam die literaire teksten zelf onder de loep. Hoe verhielden die zich tot de algemene cultuur? “Pas met de opkomst van de genderstudies (voorheen vrouwenstudies, KK) bleek: er bestond helemaal geen algemene cultuur.” Alleen met een multidisciplinaire aanpak is de zeventiende eeuw daarom te begrijpen, aldus Halbertsma, die vervolgens oproept tot een postmoderne 'demontage van de verschillende elementen van onze beeldvorming' van de vrouw in de Gouden Eeuw.

Heel multidisciplinair monteert de Rotterdamse historicus Rudolf Dekker dan ook maar meteen het historische thema van de zogende moeder aan een aantal zeventiende-eeuwse schilderijen. De oude opvatting dat het kind met de melk ook de geestelijke eigenschappen van de voedster opzuigt, ziet hij expliciet uitgedrukt in schilderijen van naar de preek luisterende kerkgangers, waarop zogende moeders voorkomen. Anders dan onder iconologen gebruikelijk citeert hij geen zeventiende-eeuwse teksten die zijn uitleg ondersteunen. Hij vergeet bovendien niet alleen dat zogende moeders in de kerk, op de markt en waar dan ook in de zeventiende eeuw de gewoonste zaak ter wereld waren, maar ook dat er evenveel schilderijen zijn waarop in de kerk hondjes spelen, kinderen tollen en mannetjes kaarten. Drukten die soms eveneens verheven gedachten uit?

Nog bonter maakt Elizabeth Honig (Tuft's university, Massachusets) het. Honig, een frele verschijning met een groot retorisch talent, is de enige spreekster die de lachers voortdurend op haar hand krijgt. Zij problematiseert de vele schilderijen waarop vrouwen staan afgebeeld als koopsters van goederen op de markt. In zeventiende-eeuwse bronnen wordt, stelt zij, vaak gerept van de deugdzame huisvrouw die waakt over huis en haard, en die zuinigheid als hoogste deugd kent. Daarop voortbordurend maakt Honig de wilde gevolgtrekking dat het verlaten van het huis een stap moet zijn geweest op weg naar ondeugdzaamheid. De noodzaak voor vrouwen om zich af en toe in het publieke leven (op de markt) te begeven, en het feit dat vele vrouwen onbekommerd consumeerden, zou voor de hoogopgeleide zeventiende-eeuwer een bijna obsessief geestelijk conflict hebben opgeleverd.

Zonder uitzondering wijzen de vragenstellers er na afloop op dat het zo 'volkomen normaal' was dat vrouwen deelnamen aan het economische leven, dat er toch 'echt geen probleem' is: Honig speelt slechts een gedachtenspel. Waarom zouden vooraanstaande dames zich anders uitgerekend op de markt hebben laten portretteren (zoals op Emanuel de Witte's beroemde portret van Adriana van Heusden in de National Gallery in Londen)? Hoewel Honig de vragenstellers gevat van zich af slaat, is duidelijk dat de Nederlandse kunsthistorici in de zaal zich afkeren van de postmoderne iconologische stroming die Honig vertegenwoordigt. Onder aanvoering van Svetlana Alpers is die in Amerika inmiddels toonaangevend geworden. Critici zien als grootste bezwaar dat de theorieën geen enkele band meer hebben met de eigentijdse bronnen. 'Een hele generatie getalenteerde kunsthistorici gaat naar de maan,' kreunt een van de bezoekers tijdens de koffiepauze.

“Ik heb nog steeds geen algemeen beeld gekregen van de vrouw in de zeventiende-eeuwse kunst. Kunnen de sprekers dat nog even geven?”, vraagt een congresdeelneemster op het eind van de dag. Helaas, dat kunnen de sprekers niet.