Wie van de vier?

Een mevrouw van 35 jaar uit de buurt van Rotterdam heeft advies gevraagd bij verschillende intermediairs. Nu zit ze met vier verschillende offertes van verzekeraars en vraagt welke de beste is.

Wat wil ze eigenlijk? In tien jaar een kapitaal opbouwen, dan stoppen met werken, en het kapitaal tot aan haar pensioendatum (65 jaar) gebruiken als bron van inkomen. In 2005 gaat haar partner met vervroegd pensioen, dan wil het paar ergens ver weg een mooi huis kopen en meer van het leven genieten dan ze nu al doen. Voor dat doel heeft ze 11.000 gulden spaargeld per jaar beschikbaar.

Is dit een verstandige financiële planning? Niet echt. Het is beter om duidelijk te omschrijven en uit te rekenen hoeveel inkomen na de 45ste en 65ste verjaardag nodig is, samen met haar partner. Die behoeften bepalen de opzet en omvang van een financieel plan. Zover is de Rotterdamse niet gegaan. Ze ziet ook over het hoofd dat haar pensioenopbouw stopt, wanneer ze niet meer werkt.

De ingeschakelde tussenpersonen verdiepten zich evenmin in de situatie. Logisch, want iemand die met zoveel spaargeld bij een verzekeringsman aanklopt, krijgt bijna altijd een soort verzekering geadviseerd.

Een effectenbank daarentegen zal de oplossing zoeken in een pakket aandelen, eventueel ingepakt in opties om het rendement te verhogen en de koersrisico's te verlagen.

Weinig adviseurs zullen wijzen op de hypotheekschuld (renteaftrek voor een deel in het 37,65 % tarief van de inkomstenbelasting) en aanraden die af te lossen en zo de rente en schuld te verminderen. Zo'n extra aflossing verlaagt op twee manieren de omzet van dienstverleners: minder winst op de hypotheekrente, en er wordt geen nieuw produkt gekocht met het geld dat in de aflossing gaat.

Kortom: het werkterrein van een bemiddelaar bepaalt enigszins het antwoord op een vraag. Wie daar rekening mee houdt en zelf weet wat hij of zij wil, kan de antwoorden vergelijken met de eigen wensen en een keuze maken. De lezeres heeft niet zoveel noten op haar zang en krijgt daarom de volgende voorstellen.

De eerste verzekeraar komt met een gemengde verzekering met renteparticipatie: een kapitaal van 127.000 gulden bij in leven zijn op de einddatum en een even groot bedrag bij eerder overlijden.

Komt de rente die de maatschappij op beleggingen maakt boven de 5 %, dan ontvangt de verzekerde een hogere uitkering bij in leven zijn. De juiste berekening staat in de polisvoorwaarden, maar die liggen ter inzage bij de maatschappij en zitten niet bij de offerte. En waarom een uitkering bij overlijden als er geen nabestaanden onverzorgd achterblijven?

De tweede verzekeraar komt met een lijfrenteverzekering tegen premiebetaling met winstbijschrijving, waarvan de premies aftrekbaar zijn van het inkomen. De offerte meldt een aftrek van 11.268 gulden (voor een paar), hoewel hier niet meer dan 5.634 gulden mogelijk is. Per saldo blijft er daarom weinig aftrek over. Het garantielijfrentekapitaal komt op 126.000 gulden. Op deze verzekering zijn de gebruikelijke voorwaarden van toepassing zijn, meldt het voorstel. Maar welke zijn dat?

De derde maatschappij stelt eveneens een lijfrentepolis voor, ook met een te hoge premie-aftrek, maar garandeert een kapitaal van 138.000 gulden en een even hoog bedrag bij overlijden. Circa 12.000 gulden hoger dan de tweede aanbieder, los van de extra rente waar de polishouder in meedeelt. De voorwaarden zijn niet bijgesloten.

De vierde aanbieder negeert zorgeloos de jaarlijkse besparing van 11.000 gulden en koppelt een lijfrenteverzekering aan een bedrijfsspaarregeling met een maximum storting van (over 1995) 1.580 gulden, hoewel dat niet gevraagd was. Van dat bedrag belegt de verzekeraar 1.409 gulden en reserveert 171 gulden (10,8 %) voor restitutie van de betaalde premies bij overlijden. De verzekerde moet maar zien hoe hij deze raad ombouwt naar iets dat aansluit op zijn behoeften.

Welke conclusies kan men uit dit overzicht trekken? Onder meer deze. Maatschappijen die werken zonder tussenpersonen (direct writers) doen niet mee, hoewel er enkele tegen betere tarieven werken. Een tussenpersoon lijkt een verzekeraar uit het eigen concern te nemen en daar twee duurdere concurrenten bij te nemen.

Hoe moet het verder? De verzekeringen laten rusten en met de wensen en doelen voor de toekomst eens binnen lopen bij een hypotheekbemiddelaar, een effectenbank of een financiële planner voor een goed onderbouwd plan.