Vorming toekomstige elite staat op het spel

Veel, ook hoog opgeleide, Nederlanders vertonen sinds de invoering van de Mammoetwet een opmerkelijk gebrek aan kennis van het verleden en historisch besef. In deze krant is de afgelopen jaren daarom enkele malen de vraag aan de orde gesteld of geschiedenis niet weer een verplicht vak voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs zou moeten worden. Daartoe uitgenodigd lieten min of meer bekende Nederlanders hun licht over deze vraag schijnen. Vrijwel zonder uitzondering beantwoordden zij de vraag positief.

In hun uiteenlopende argumenten kwamen twee punten veelvuldig terug: cultuuroverdracht en maatschappelijk nut. Kennis van het verleden wordt enerzijds beschouwd als zinvol om zichzelfs wille, een bron van cultureel genot, de basis waarop een cultureel leven kan gedijen. Anderzijds draagt geschiedenis bij aan inzicht in het heden, aan in een multiculturele samenleving wenselijk relativeringsvermogen en aan weerbaarheid tegen mythen. Beide typen argumenten zijn valide en laten zich zonder moeite combineren.

Goed geschiedenisonderwijs bevat steeds twee componenten: feitenkennis en historisch besef. Natuurlijk moet daarbij worden gekozen. De hoeveelheid kennis over het verleden is immers eindeloos. De keuzen die gemaakt worden veranderen al even vanzelfsprekend met de tijd. Mijn voorkeur gaat daarbij uit naar een brede spreiding, die weliswaar geen volledig overzicht van de hele wereldgeschiedenis kan geven, maar wel een zeker perspectief op zo'n overzicht biedt.

Historisch besef draait vooral om de reflectie op de kennis van het verleden. Het maakt vertrouwd met de gedachte dat alle historische beelden tevens interpretaties zijn. Dat scherpt het kritisch vermogen tegen een te makkelijk beroep op 'het verleden'. Tegelijkertijd scherpt het het inzicht dat elke culturele, maatschappelijke of politieke opvatting van enige importantie is gebaseerd op een visie op het verleden. Hoe verder men het verleden wegstopt in ignorantie, hoe onverwachter en vaak onaangenamer wordt men er mee geconfronteerd.

Een samenleving, die zulk geschiedenisonderwijs aan leerlingen onthoudt, doet die leerlingen en zichzelf schromelijk te kort. De huidige situatie in Nederland, waarbij in de bovenbouw van het voortgezet onderwijs geschiedenis alleen keuzevak is, ontneemt naar mijn mening dan ook een deel van de leerlingen iets wezenlijks: de toegangspoort naar hun verleden.

Het kan natuurlijk anders. De huidige grootscheepse operatie tot invoering van de 'nieuwe bovenschool' biedt in beginsel de mogelijkheid tot correctie. De voorstellen voor het onderwijs in geschiedenis, die in het enorme pakket dat onlangs aangeboden werd aan de staatssecretaris, zijn opgenomen, zijn in dit opzicht veelbelovend. Hoewel geperst in het onderwijskundig stramien en jargon dat de hele operatie is opgedrongen, laten zij zien dat er goed over is nagedacht en dat er heldere keuzen zijn gemaakt zonder de breedheid te verwaarlozen.

Natuurlijk kan men over sommige aspecten van mening verschillen - en dat doe ik ook wel -, maar achter het rapport voelt men de degelijkheid van de rijke traditie van het Nederlandse geschiedenisonderwijs, dat zich de laatste decennia sterk heeft vernieuwd. Geschiedenis blijkt opnieuw een vak met een eigen karakter en nauwe banden met de wetenschap zonder zelf een slap aftreksel daarvan te zijn. Dat schept vertrouwen.

Maar helaas, dit moois zal volgens de plannen van de stuurgroep van mevrouw Ginjaar-Maas alleen de leerlingen van twee van de vier 'profielen' ten deel vallen. Voor bijvoorbeeld onze toekomstige artsen, ingenieurs en natuurwetenschappers acht de stuurgroep geschiedenis niet nodig. Enigszins ongemakkelijk heeft men zich daar kennelijk wel onder gevoeld. Is dit geen culturele barbarij?

Om het gevoel weg te nemen is een heilloze uitweg gezocht. Onder aanroepen van de heilige koe van de 'vakkenintegratie' - tevens verdedigingslinie tegen allerlei vakkenclaims - heeft men in het zogenaamd algemeen deel, dat voor alle leerlingen gelijk is, een nieuw vak gecreëerd: mens- en maatschappijwetenschappen. Daarin moeten elementen uit de thans bestaande schoolvakken aardrijkskunde, geschiedenis en maatschappijleer en bovendien nog uit economie, sociologie, antropologie, politicologie, filosofie en recht worden samengevoegd. Een vlucht naar voren rechtstreeks het moeras in van een ongrijpbare en papperige hutspot.

Een hutspot, want over de inhoud bekommerde de stuurgroep zich kennelijk niet. Daar zou een 'vakontwikkelgroep' zich wel over buigen. Dat is inderdaad gebeurd, maar het was een onmogelijk opgaaf. Het liep uit op een megalomane tekst, die zijn kracht in de abstracties zoekt. Wat bijvoorbeeld te denken van eindterm 4 in domein A - één uit een lange rij -: “Leerlingen zijn in staat om bij de analyse van maatschappelijke verdelingsvraagstukken de sociale, politieke, culturele, economische, ecologische, geografische, historische en filosofische dimensie te betrekken”?

Het heeft er veel van weg dat men de moeizame geschiedenis van de invoering van maatschappijleer nog eens in gekwadrateerde vorm wil herhalen. Welke supergeesten moeten dit vak eigenlijk gaan geven? Elke traditie in leraarschap in dit 'vak' ontbreekt. Zelfs een minimumvoorwaarde voor niveau en consistentie, een centraal eindexamen, ontbreekt.

Als vervanging voor geschiedenis kan het in ieder geval niet dienen. Behalve de plechtige verklaring, dat er historische dimensies aan bod moeten komen, ontbreekt in het rapport elk duidelijk aanknopingspunt dat ook maar enige elementaire historische kennis en inzicht zal worden bijgebracht. De stuurgroep heeft een hoge prijs betaald voor de onwil of onmacht te kiezen: 160 of 200 uur weggegooid en nog 'poespas in kinderhoofden' op de koop toe.

Deze kwestie lijkt mij van te veel belang om geheel over te laten aan het circuit van stuurgroep, vakontwikkelgroepen, onderwijskundige instituties en departementale afdelingen. De kwaliteit en inhoud van ons onderwijs dient een zaak van centrale politieke discussie en besluitvorming te zijn. De vorming van onze toekomstige elite staat op het spel. Geschiedenis is te belangrijk om zomaar in deze ondoorzichtige, quasi-technische operatie onder te laten gaan.

Het is daarom hoog tijd dat onze parlementariërs en ministers hun verantwoordelijkheid nemen. Zij dienen de durf op te brengen om te kiezen, daarvoor zijn zij gekozen. Ik roep hen op 'mens- en maatschappijwetenschappen' als schoolvak af te wijzen en goed geschiedenisonderwijs voor alle leerlingen, in alle profielen dus met een behoorlijk aantal uren en een centraal eindexamen, als randvoorwaarde voor de hele operatie te stellen.

    • J.C.H. Blom