“Me dunkt. De toestand is zorgelijk maar stabiel”

Bijna veertig jaar lang, van oktober 1956 tot augustus 1995, heeft mr. G.B.J. Hiltermann (81) op zondagmiddag voor de AVRO-radio zijn Toestand in de wereld voorgedragen: in hoog tempo, duidelijk articulerend en zijn van hot naar her vliegende betoog doorspekkend met archaïsche uitdrukkingen als “het komt mij voor dat..”. Onnavolgbaar was niet alleen zijn uitspraak van de naam Charles de Gaulle, maar ook die van Stalien en Lenien en van het woord strategie dat in gedragen Frans uit de radio schalde. In 1975 merkte dezelfde commentator in een vraaggesprek met Hervormd Nederland op dat de studentenrevolte van eind jaren zestig niets “proletarisch” had, maar veroorzaakt was door “de kinderen uit de gegoede middenklasse”. Bij uitstek het milieu waar Hiltermanns wekelijkse commentaar als hoogste wijsheid gold.

Een zondag zonder Hiltermann leek ondenkbaar, totdat afgelopen zomer de reorganisatie van Radio 1 een einde maakte aan het ritueel. G.B.J. werd verbannen naar een onmogelijk tijdstip op dinsdagavond, met dramatische gevolgen voor de luistercijfers. Op zondag luisterde het afgelopen jaar nog anderhalf procent van de bevolking (tweehonderdduizend mensen) naar hem, tegenover 0,5 procent (zestig à zeventigduizend mensen) nu. “Nog altijd een stadion vol”, zeggen ze bij de AVRO, maar toch... Dagelijks blijven er bij de omroep telefoontjes binnenkomen van boze luisteraars, voor wie het sinds 26 augustus nooit meer zondag is geweest. Oud Haagse Post-hoofdredacteur John Jansen van Galen sprak van “onachtzaamheid jegens dit monument van de radio waar generaties Nederlanders mee zijn opgegroeid”.

Bij de AVRO wuift men deze kritiek weg. Er was nu eenmaal niets aan te doen. Maar spijtig vindt men het wel. “De AVRO kon geen kant op”, zegt Dick Klees, presentator van AVRO's Radio Journaal. Hij noemt Hiltermann “een instituut” en had het sjiek gevonden als de NOS op zondag tijd voor hem had ingeruimd.

Het ritueel is veranderd, niet alleen door de verplaatsing naar de dinsdag, maar ook door de dood, vorig jaar, van Sylvia Brandts Buys, Hiltermanns echtgenote. Op zondag kwamen zij altijd samen uit Amsterdam naar Hilversum. Gewoonlijk kwam Hiltermann een uur van te voren om zijn Toestand in de wereld te laten opnemen. Hij had zijn causerie dan thuis al geoefend en getimed door de tekst aan zijn vrouw voor te lezen. Na de opname gingen zij samen uitvoerig lunchen in Hilversum. Hiltermann nam dan een radiootje mee om onder het eten naar zichzelf te kunnen luisteren en daarbij uitroepen te doen als 'heel juist, heel juist'. “Veel mensen vinden hem arrogant”, aldus AVRO-medewerker Klees, “'maar als je hem een beetje kent, dan valt dat reuze mee”. Gustavo Bernardo José Hiltermann is op 1 mei 1914 in Buenos Aires geboren als zoon van katholieke ouders. Zijn vader was met zijn gezin naar Argentinië getrokken om er een ranch op te zetten en daarmee miljonair te worden. Die onderneming mislukte en als zesjarige keerde Guus met zijn ouders naar Nederland terug. Ze hadden het “niet riant thuis”, zou G.B.J. later zeggen en dat is een van de weinige dingen die hij ooit over zijn jeugd heeft losgelaten. Hij heeft hij er moeite mee over zichzelf te praten, ook nu hij hoogbejaard is. In zijn onlangs verschenen boek G.B.J.'s kijk op zijn tijd (dat voor de helft uit memoires bestaat) heeft hij naar eigen zeggen alleen maar persoonlijke herinneringen verwerkt omdat zijn uitgever daarop aandrong. Deze schaarse ontboezemingen over zijn privéleven zijn echter allemaal al eens gepubliceerd in de vorm van interviews met of portretten van Hiltermann, het uitvoerigst in Rare jaren (Amsterdam, 1993), het boek van John Jansen van Galen en Hendrik Spiering over de geschiedenis van Haagse Post. Hiltermanns eigen boek is vooral een apologie, bedoeld om aantijgingen over zijn gedrag in de oorlog te ontzenuwen en het verwijt dat hij begrip zou hebben gehad voor de apartheid in Zuid-Afrika te weerleggen.

In 1934 kwam Hiltermann als twintigjarige student terecht op de nachtredactie van De Telegraaf. Al op zijn zestiende was hij economie gaan studeren in Amsterdam, waar hij onder andere colleges volgde van de scherpzinnige marxist Sam de Wolff en de latere Nobelprijswinnaar Jan Tinbergen. Om voor zijn scriptie over de planeconomie een studiereis naar de Sovjet-Unie te financieren nam hij het nachtelijke baantje op de krant aan. Zijn economiestudie voltooide hij niet. Wel bleef hij hangen bij De Telegraaf. Pas in mei 1942, geruime tijd nadat de Nederlandse pers gelijkgeschakeld was en de joodse redacteuren de laan waren uitgestuurd, stapte hij op. De aanleiding was dat de Duitse bezetter de krant het bevel gaf een artikel op te nemen met antisemitische strekking, waar niet bij mocht worden vermeld dat het een bijdrage van buitenaf betrof.

Tot dat tijdstip was er volgens Hiltermann blijkens zijn boek weinig verontrustends voorgevallen. De bezetters waren 'niet onredelijker dan van bezetters verwacht kon worden. Er moest rekening worden gehouden met enkele aanwijzingen en verboden. Ze waren niet onereus”. Volgens Hiltermann staakten de joodse buitenlandredacteuren hun werk “onvrijwillig, maar niet tegen hun zin”. Van hen kon immers niet worden gevergd “het jubelende communiqué van het OKW, het Oberkommando der Wehrmacht persklaar te maken”, schrijft Hiltermann, in het midden latend of dit van de niet-joodse redacteuren wel mocht worden verwacht. Na zijn vertrek bij De Telegraaf in 1942 voltooide Hiltermann zijn studies rechten en indologie en zorgde voor onderdak aan joodse onderduikers, een activiteit waarover hij met prettige en oprechte bescheidenheid spreekt. Door een toevalligheid - eigenlijk had hij advocaat willen worden - bleef hij na de oorlog journalist. Tijdens de bezetting werd hij benaderd door J.P. Klautz van uitgeverij Elsevier voor het opzetten van het na de oorlog te verschijnen Elseviers Weekblad. Nog voor dat dit blad het licht zag, raakte het al in opspraak doordat de illegale linkse pers citaten publiceerde uit een aan Hiltermann toegeschreven ontwerpschets waarin het blad Das Reich van Joseph Goebbels aan het toekomstige Elseviers Weekblad ten voorbeeld werd gesteld.

Deze 'lasterpraat' weerlegt Hiltermann in zijn boek nauwelijks, maar ook verzwijgt hij de generositeit die hem kennelijk typeert. Zo vermeldt hij niet dat hij de jeugdige journalist Joop van Tijn die deze geschiedenis met Das Reich weer oprakelde, als redacteur in dienst nam bij de Haagse Post. Na een succesvolle episode bij Elseviers Weekblad kocht Hiltermann de HP in 1952. Onder zijn hoofdredacteurschap werd het weekblad in de praktijk geleid door zijn vrouw die het dankzij een gewaagd benoemingsbeleid een avantgardistisch aureool wist te geven. Tijdens een lunch ten huize van Hiltermann stelde ze de nieuwe redacteur als volgt aan haar echtgenoot-hoofdredacteur voor: “Zeg Guus, dit is nou meneertje Van Tijn, die schreef dat jij een SS'er bent”.

Sinds GBJ, een roepnaam die Sylvia naar het voorbeeld van Kennedy (JFK), voor hem verzon, radio- en later tv-optredens voor de AVRO ging verzorgen, werd hij een nationale beroemdheid. Maar de bewondering van het grote publiek stond niet in verhouding tot de waardering onder vakgenoten. Hoewel hij aanzienlijk meer publikaties op zijn naam heeft staan dan menig collega en op 58-jarige leeftijd promoveerde op een historisch proefschrift over Oost-Europa en de Duitse deling kreeg hij nogal eens een populistisch etiket opgeplakt. Wellicht omdat hij na zijn HP-tijd die tot 1967 duurde, voornamelijk in Accent en De Telegraaf heeft gepubliceerd. Zijn talloze boeken waaronder een biografie van De Gaulle en een trilogie over de wereldoorlogen heeft hij grotendeels in eigen beheer uitgegeven. Zij zijn, zoals hijzelf zegt, “vooral voor eigen parochie (van Avro-luisteraars en Telegraaf-lezers) geschreven”.

Hiltermann zegt over zichzelf dat hij louter commentator is, geen zedenprediker of moralist, maar iemand die boven de partijen staat en noch conservatief noch progressief is. Dit zelfbeeld is echter voor nuancering vatbaar. Tijdens de Greet Hofmans-affaire in 1956 toen de troon van koningin Juliana even wankelde, betoonde hij zich als hoofdredacteur van de HP een 'loyalist', zoals Jansen van Galen en Spiering schrijven. Over de manier waarop hij toen heeft geopereerd, waren al aardige staaltjes bekend uit H.J.A. Hoflands boek Tegels Lichten, maar die worden overtroffen door wat Hiltermann er in zijn recente boek zelf over opmerkt. Hoogstpersoonlijk wilde hij Soestdijk waarschuwen tegen ophanden zijnde onthullingen over de perikelen aan het Nederlandse hof in de buitenlandse pers. Dus snelde hij naar het koninklijke paleis om daar zijn zorgen kenbaar te maken. Nog altijd kan Hiltermann het billijken “dat de Nederlandse pers het toen heeft laten afweten en niets heeft onderzocht”. Dat was niet omdat de pers “lui of serviel” was, maar “omdat land en volk er niet bij gebaat zijn als onthullingen het beeld van de constitutionele vorst ontluisteren”. Ook over de Lockheed-affaire in 1976 merkt Hiltermann op dat hij niet geïnteresseerd is in onthullingen want “tot onderzoekende journalistiek heb ik mij nooit aangetrokken gevoeld”. Met nog meer afschuw spreekt hij over 'engagement', hoewel zijn journalistiek in dienst van het landsbelang wel degelijk als een vorm van engagement kan worden beschouwd. Collega-commentator Hofland, die hem “een zeer onderlegd en uitstekend journalist” noemt, vermoedt dat Hiltermann eigenlijk minister had willen worden. Inderdaad ging zijn betrokkenheid zo ver dat hij, zij het op aandringen van zijn vrouw, ooit geopteerd heeft voor een functie in D66. Toch vindt Hiltermann niet dat hij zijn politieke roeping gemist heeft. “Van een commentator zeggen dat hij eigenlijk minister had willen worden is hetzelfde als aan een recensent vragen waarom hij zelf geen boek schrijft en aan een dirigent of hij zijn roeping als componist heeft gemist”, luidt zijn reactie.

Een zeker activisme is de journalist Hiltermann niet vreemd. Zo beschuldigde hij in 1969 De Volkskrant van 'antisemitisme', een uitspraak die hij op last van de rechter moest terugnemen. Hij pleegt zich op te stellen als dienaar van het landbelang. In 1974 betichtte hij bijvoorbeeld Radio Monte Carlo ervan in uitzendingen naar de Arabische Wereld anti-propaganda voor Nederland en de Nederlandse olieconcerns te maken. Toen de Parijse correspondent van NRC Handelsblad constateerde dat deze beschuldiging nergens op was gebaseerd, richtte Hiltermann zich in zijn radiocommentaar tot de “nog enkelen van de laatsten der Mohikanen die nog het NRC Handelsblad lezen” om hen te waarschuwen tegen de gekleurde berichtgeving. Passie en betrokkenheid kunnen mr. G.B.J dus niet ontzegd worden, eigenschappen die een nieuwe generatie luisteraars feilloos blijkt aan te voelen. Simon Klees (de achttienjarige zoon van AVRO-redacteur Klees) en Pepijn Egels (21) hebben een rap-CD gemaakt met stereotiepe zinswendingen uit opnamen van Hiltermanns radiopraatjes. Het ritmische 'dunkt, dunkt, dunkt mij' en het staccato uitgesproken 'smeer-smeer-smeerlapperij' hebben een verrassend effect. De artiest zelf is verheugd met dit opzwepende debuut als zanger: 'Ik wist niet dat ik zo goed maat kon houden”. Volgens De Telegraaf is “GBJ weer helemaal in”. Met de Hiltermann-house CD kan het eindelijk weer zondag worden.