Wijsbegeerte om naar te kijken

JAN BOR, ERRIT PETERSMA, JELLE KINGMA (red.): De verbeelding van het denken. Geïllustreerde geschiedenis van de westerse en oosterse filosofie

400 blz., Contact 1995, ƒ 69,90

De intellectuele minachting voor het beeld heeft haar beste tijd gehad. Lang is er neergekeken op televisie, en strips verhielden zich in de ogen van een geletterde cultuur tot echte boeken als snoep tot fruit. Bij filosofen ging dit nog verder. Eén illustratie ontnam een werk reeds elke diepgang - twee illustraties maakten van een filosofisch betoog een comic book.

Maar de tijden veranderen: steeds meer filosofen komen met hun hoofd in beeld. Het taboe op illustraties wankelt. Vorig jaar verscheen bij Oxford University Press een serieuze, geïllustreerde geschiedenis van de filosofie. Onlangs kwam in Nederland een minstens even ambitieus historisch overzicht uit, ook vervaardigd door verschillende specialisten en voorzien van honderden afbeeldingen.

De verbeelding van het denken kan de vergelijking met zijn Britse evenknie glansrijk doorstaan. Het is helder geschreven en zodanig geredigeerd dat het inleidend is zonder oppervlakkig te worden. Bovendien is het minder provinciaal dan het monument uit Oxford, dat de geschiedenis van het werelddenken liet eindigen in Cambridge en Oxford. De verbeelding van het denken getuigt van een verfrissend eigentijds pluralisme, dat zelfs zo ver gaat dat eenderde van het boek gewijd is aan oosterse filosofie.

Misschien is dat wat veel en schurkt het werk een beetje aan tegen de zure regen van New Age waar ons klimaat zo onder lijdt, maar informatief is het wel. Bovendien loopt deze geschiedenis van de filosofie tot vandaag. Als we de overzichten van de laatste decennia mogen geloven, hield de geschiedenis van de filosofie omstreeks 1950 op met Sartre en Wittgenstein. In het slothoofdstuk van dit boek komen echter de Frankfurter Schule aan bod, de recente wetenschapsfilosofie, en denkers als Foucault, Lyotard, Derrida en Rorty.

De hamvraag bij een boek als dit is in hoeverre de illustraties iets toevoegen aan de woorden waaruit filosofie bestaat. Het werk uit Oxford was in dit opzicht een blamage; soms bleek uit het bijschrift dat men niet eens naar het plaatje gekeken had, laat staan erover had nagedacht. De samenstellers van De verbeelding van het denken wekken in hun inleiding meer verwachtingen. De gekozen illustraties, schrijven ze, “zijn geen plaatje bij een praatje”.

Was het dat maar wel geweest, schoot echter geregeld door me heen bij het lezen en kijken in dit boek, want de verbeelding van het abstracte denken, door middel van kunstwerken uit hetzelfde tijdsgewricht, heeft me volstrekt niet overtuigd. Zo wordt het laatste deel over de twintigste eeuw ingeleid met een enorme afbeelding van een van de laatste Mondriaans. Begin deze eeuw, luidt het bijschrift, is het klassieke, statische wereldbeeld verdrongen door dat van de moderne fysica. De samenstellers zien een parallel in het werk van Mondriaan, want ook hij wilde de ruimte vernietigen en de tijd uitschakelen. Zulke onzin komen we vaker tegen. Seurat brengt “onweerstaanbaar de sfeer, de rust en het evenwicht van het bijna-fin de siècle over”, heet het. Bijna-fin de siècle? Met rust en evenwicht? “Voor het postmodernisme liet René Magritte al zien dat betekenissen niet vastliggen.” Welke kunstenaar heeft dat de laatste eeuwen niet gedaan?

Het probleem is dat veel filosofen niet doorhebben wat je allemaal met een beeld kunt doen, omdat ze het nog altijd onderschatten. Dat is een fascinerende paradox voor een onderneming die juist prat gaat op haar illustraties. De keren dat de tekst in dit boek gebruik maakt van een afbeelding, zijn op de hoofden van één lijf te tellen. Die ene keer is de effectieve karakterisering door Cornelis Verhoeven van het gangbare onderscheid tussen het denken van Plato en Aristoteles.

Het gaat hier om Rafaëls fresco De Atheense school. Weliswaar is dat een van de meest voorkomende illustraties bij filosofische teksten, maar Verhoeven gebruikt het beeld doeltreffend. Hij laat zien hoe Plato in zijn ene hand de Timaeus vasthoudt en met de andere naar boven wijst, daarmee het belang van een hogere wereld, die van de ideeën accentuerend. Naast Plato schrijdt Aristoteles, die zijn Ethica draagt en de andere hand horizontaal naar voren strekt, alsof hij het bij het aardse wil houden. “Plato denkt zich de realiteit daar, in hogere sferen,” aldus Verhoeven, “Aristoteles doet dat in de dingen zelf.” Wie nog niet veel van Plato en Aristotles weet, kan veel begrip ontlenen aan dit beeld.

Hoewel de tekst zich verder niets van de honderden illustraties aantrekt, heeft een aantal plaatjes gelukkig nog wel met de tekst te maken. Fraai is een tekening van de op een buffel gezeten Laozi (toen Beijing nog Peking was, kenden we hem als Lao Tse), die de landelijke eenvoud van het taoïstische leven symboliseert. Of een zestiende-eeuwse wereldkaart van Ortelius. Daarop lezen we terra austris nondum cognita, zuidelijk gebied dus, dat 'nog niet' bekend is. Dat nondum toont kernachtig iets van de wetenschappelijke revolutie die dan begint. Mooi vond ik verder een (wel heel klein afgedrukt) kiekje van Alfred Tarski en Kurt Gödel op straat in Wenen. Prachtig is een schetsje uit Darwins aantekenschriften, waarop we een boomdiagram zien met losse aantekeningen en daarboven aarzelend, maar met een haast poëtische zeggingskracht geschreven 'I think'.

Willekeurig

Zulke afbeeldingen tonen dat het niet onmogelijk is er iets van te maken. Je komt een heel eind met goed gekozen portretten, met landkaarten en handschriften, met gebouwen en boekillustraties. En vooral ook met schema's, die in dit boek nauwelijks voorkomen terwijl ze toch de meest geijkte en succesvolle manier zijn om gedachten te hulp te schieten.

In plaats daarvan wordt de lezer meestentijds opgescheept met klaarblijkelijk willekeurig bijeengegaarde, los van de tekst staande plaatjes. Van een 'jade beeld van voorouder' bij de Chinese filosofie, de Toren van Babel bij 'de joodse filosofie', een paar ridders bij de middeleeuwen, een vijftiende-eeuwse wijzerplaat van Ucello die de opvattingen over tijd van de twintigste-eeuwer Bergson moet illustreren, wat wolkenkrabbers die de moderne tijd goed uitdrukken.

Dit alles meestal zonder vermelding van maker, jaartal, afmeting of materiaal. (Uit de Verantwoording blijkt dat bijna alle illustraties afkomstig zijn uit de Universiteitsbibliotheek Groningen; is dat wellicht een verklaring?)

Soms wordt het materiaal wel vermeld, zoals bij een fragment van Ghiberti's bronzen reliëfs op de kerkdeur van het Baptisterium, de beroemdste bezienswaardigheid van Florence. Dit fragment heet hier 'een houtsnede'. Albrecht Dürers allegorische voorstelling van de Filosofie wordt volgens de redactie geflankeerd door Plato en Aristoteles, terwijl toch duidelijk links Plato als vertegenwoordiger van het Griekse denken verschijnt, en aan de rechterkant Albertus namens de Duitse geleerden.

Onzinnige beweringen die stellen “dat de belangrijkste ontwikkelingen binnen de filosofie van deze [de twintigste, M.D.] eeuw gedurende de beginperiode hebben plaatsgevonden” doen bijna vergeten dat het hier al met al toch om een mooie, overzichtelijke geschiedenis gaat.

Wie een paar zinnen voor Erasmus en geen enkele voor Thomas More onrechtvaardig vindt, kan zich troosten met het relaas over Savonarola als humanistisch vernieuwer, waar deze boetprediker gewoonlijk als dweperig fundamentalist wordt voorgesteld. Dat de Leidse hoogleraar Philipse meent dat Voltaires Candide een toneelstuk is, doet weinig af aan zijn heldere overzicht van de zeventiende en de achttiende eeuw. De passage over het Duitse Idealisme is uitstekend en vergoedt het zwakke betoog over de twintigste-eeuwse wetenschapsfilosofie. Dat Bergson twee keer zoveel ruimte als Schopenhauer krijgt, moet maar even worden vergeten.

De verbeelding van het denken is binnen wat er op dit gebied bestaat een aanwinst. De op twee na laatste afbeelding is niet ongeestig. Het is een illustratie uit Alice in Wonderland, met daarbij het citaat: “'Wat heeft een boek zonder plaatjes voor zin?' dacht Alice.” Het zette me ernstig aan het denken, en dat is precies wat een filosofieboek moet doen.