Waterbalsemientjes

In een documentaire over Indonesië en Nederland die morgenavond op de televisie is te zien, wordt gebruik gemaakt van een paar 'schoolplaten'. Ze zijn nog wel te koop in antiquariaten, op het Waterlooplein en andere rommelmarkten. Daar wordt er een paar honderd gulden voor gevraagd. De schoolplaten of wandplaten zijn prachtig gedrukte kleurenreprodukties van aquarellen, de meeste gemaakt door J.H. Isings (1884-1977). Ik beschouw hem als een groot kunstenaar, in het bijzonder voor kinderen, en dit om zijn vlijmscherpe nauwkeurigheid. Kinderen hebben met richtingen, opvattingen en scholen in de beeldende kunst en met wat er in de kunstenaarsziel omgaat, niets te maken. Ze willen weten wat iets voorstelt, wat daar gebeurt, en dan gaan ze controleren of het waar is; of ze gaan het nadoen om het waar te laten zijn. Een katapult zien is een katapult maken. Bij het werk van Isings kun je bij wijze van spreken met je vergrootglas de contouren volgen. Uit de manier waarop hij het beleg van het kasteel van Zweeder van Voorst in beeld heeft gebracht, valt te leren hoe je een kasteel moet belegeren, met slingerwerktuigen, aanvalstorens en blijdes. Zijn wandplaten waren een dwingende aansporing tot zelfwerkzaamheid.

De wandplaten werden uitgegeven door Wolters Noordhoff, Groningen Batavia. Later is dit Batavia verdwenen. In deze film, De blinde kaart, wordt verklaard hoe dat in zijn werk is gegaan. Daarbij wordt onder andere gebruik gemaakt van een plaat waarop te zien is hoe de Koninklijke Marechaussee een Lombokse rampokker klein krijgt, en een waarop een lieve Javaan de afgewaaide hoed van een Nederlands meisje uit de kali vist. De platen hoorden tot de opvoeding van alle generaties die in de jaren dertig of eerder op de lagere school zijn geweest. De makers van deze film zijn van mening dat de 'dekolonisatie' van Indonesië niet tot in de finesse kan worden begrepen als men niet enige summiere kennis heeft van de wereld der wandplaten zoals die door Wolters Noordhoff, Groningen Batavia werd verspreid.

Ten behoeve van de pers was een voorvertoning van de film gearrangeerd. Iemand van een jaar of 28 vroeg na afloop of er niet teveel kennis bij het publiek werd verondersteld. Het was meer een opmerking, een kritische kanttekening die welwillend in een vraag was ondergebracht. Het was ook meer dan een opmerking, namelijk een terloops gegeven bewijs dat er een afgrond gaapt tussen het Nederland dat zich tot plusminus 1962 heeft weten te handhaven en alles wat binnen de landsgrenzen daarna ervoor in de plaats is gekomen. De stemmen en beelden uit de jaren dertig, als de registratietechniek al een betrouwbare mate van natuurgetrouwheid heeft bereikt, komen niettemin 'van gene zijde'. Ik zet de uitdrukking tussen aanhalingstekens om duidelijk te maken dat het is alsof de hele natie uit die tijd in een peilloze diepte is gezakt, in de buurt van het Nederland van koning Willem I. Wat daar is gebeurd valt door degenen die de lagere school van voor de oorlog hebben gemist, niet meer te herbeleven. Het is even ver weg als bij wijze van spreken Isings' voorstelling van Het Behouden Huis op Nova Zembla.

Toch is er een wezenlijk verschil. Daarbij gaat het er niet om of de wandplaten zo dicht mogelijk in de buurt komen van de werkelijkheid die ze moeten voorstellen. Ze vertegenwoordigen nog een andere werkelijkheid: die van de opvoeding. Als zo'n krijgstafereel uit de Oost nu aan de muur van het klaslokaal zou hangen, zou daar een ander verhaal bij worden verteld dan driekwart eeuw geleden, maar welk verhaal? De onderwijzer kan kiezen. Hier jongens en meisjes, zou hij kunnen zeggen, is te zien hoe wreedaardig jullie overgrootvaders de Indonesiërs konden behandelen. Of: hier zien jullie met wat voor soort virtual reality je opa's en oma's de wereld ingingen. De onderwijzer hoeft overigens niet te kiezen: hij zou ook beide verhalen kunnen vertellen.

Voor kinderen die boffen met degene die voor de klas staat, zijn de lessen in vaderlandse geschiedenis op de lagere school spanning, avontuur, drama. Hoe dramatischer het in de verhalen toegaat, hoe grondiger de kinderen de hersens worden gespoeld. Dat kan niet anders. Onvriendelijk uitgedrukt is iedere opvoeding een hersenspoeling, voor de bestwil van de kinderen, en een andere mogelijkheid is er niet. Hoe gaat dat, in het bijzonder in de vaderlandse geschiedenis, nu in zijn werk? Dat vraag ik me af. Wat hangt er tegenwoordig in de klaslokalen aan de muren? Met welke associaties voor het leven worden de kinderen beladen, nu Isings naar het Waterlooplein en de antiquaar is verhuisd?

Ondanks de heilige martelaren van Gorcum beschouw ik diep in mijn ziel Lumey en Blois van Treslong nog altijd als helden, misschien wel op dezelfde manier die de tienjarigen van nu voor Marco van Basten en Patrick Kluivert reserveren. De poort van Den Briel werd gerammeid. Ook een woord dat je nooit meer hoort: rammeien. De onderwijzeres die voor mij de werkelijkheid van 1572 deed herleven, kweekte in de vensterbank van het lokaal waterbalsemientjes. Lumey, de poort van Den Briel en de waterbalsemientjes: dat is mijn drie-eenheid van 1572.

Ik stel me voor dat nu of in ieder geval binnenkort de lessen in vaderlandse geschiedenis nog nauwkeuriger zullen verlopen dan toen de nauwkeurigheid en de verbeeldingskracht van Isings de kinderen ten dienste stonden. Virtual reality, van de Hunebedbouwers en hoe de edelen Der Keerlen God vermoordden, tot de pacificatie van Lombok door Van Heutz en de Soevereiniteitsoverdracht. Nauwkeuriger zal het niet kunnen, maar toch is het altijd weer de vraag die tot in lengte van jaren in het onderwijs zal worden gesteld: Wat blijft ervan hangen?