Voor Europese economie is de 'euro' broodnodig

De regeringsleiders willen een Europese munt invoeren, maar de maatschappelijke steun daarvoor is de laatste tijd in hoog tempo aan het afkalven. Dat komt volgens Roel Janssen omdat de motieven voor de invoering ingewikkeld zijn, maar ook omdat er door de tegenstanders zoveel onzin over het 'euro-dingetje' wordt verkocht. Dat is nergens goed voor.

Het verzet neemt met de dag toe. Op de barricades in Frankrijk, in het politieke discours van links en rechts, in spraakmakende kringen en bij de stem van de straat, overal staat de Europese munt, het sluitstuk van de Economische en Monetaire Unie (EMU), steeds feller ter discussie. De introductie van het “euro-dingetje”, zoals het door financiële sceptici in de Londense City is genoemd, zou vandaag op de top in Madrid door de regeringsleiders van de Europese Unie worden bekrachtigd. Maar wie wil nog een Europese munt? Haalt de euro 1999?

Over de gemeenschappelijke munt wordt oeverloze onzin verkocht als diepzinnige wijsheid. Het resultaat is dat de maatschappelijke steun voor een gemeenschappelijke munt in steeds meer landen afkalft en dat het project, met de voltooiing in zicht, dreigt te stranden. Dat is nergens goed voor.

De EMU is geen idee dat pas kort geleden is opgekomen. De huidige plannen voor een Europese monetaire unie dateren uit 1988, toen op de top in Hannover op Frans en Duits initiatief werd besloten de mogelijkheid van een gemeenschappelijke munt te onderzoeken. Begin 1989 kwam een commissie onder leiding van Jacques Delors met aanbevelingen, het project werd het onderwerp van de Intergouvernementele conferentie die in december 1991 uitmondde in de verdragswijzigingen die werden aanvaard op de top in Maastricht. Daarna volgde een moeizaam proces van parlementaire ratificatie en referenda.

Ondertussen vonden twee speculatieve aanvallen plaats op het Europese Monetaire Stelsel (EMS), het stelsel van stabiele maar aanpasbare wisselkoersen dat voor het grootste deel van de Europese Unie sinds 1979 van kracht is. Als monetair uitvloeisel van de spanningen die werden opgeroepen door de Duitse vereniging kwam het EMS in september 1992 en augustus 1993 onder enorme druk te staan. De verwachting dat het min of meer vanzelf zou uitgroeien tot een monetaire unie, spatte uit elkaar. Bovendien ging Europa begin jaren negentig gebukt onder een recessie en waren politici toen niet bereid tot bezuinigingen ter voorbereiding van een monetaire unie.

Eén van de redenen waardoor de discussie zo vertroebeld wordt, is dat voorstanders van een gemeenschappelijke munt uiteenlopende - en vaak tegenstrijdige - motieven hebben. Om te beginnen: de monetaire unie is bovenal een politiek project. De monetaire en financiële autoriteiten zagen er aanvankelijk weinig in, maar toen het politieke besluit eenmaal gevallen was, hebben ze zich op de voorbereidingen geworpen met het doel om deze ongewisse operatie technisch gezien goed te laten verlopen. De obstakels die vervolgens zijn opgeworpen, zijn vooral van politieke aard.

De monetaire unie is ingegeven door hetzelfde beginsel dat aan de oprichting van de Europese Gemeenschap in 1957 ten grondslag lag: de historische Frans-Duitse verzoening na drie verwoestende oorlogen in minder dan honderd jaar. Na de Duitse vereniging van 1990 en de ineenstorting van de Sovjet-Unie in 1991 heeft dat beginsel alleen maar aan belang gewonnen. Duitsland, de grootste, sterkste en monetair machtigste economie, zoekt een Europese inbedding. Beducht voor politieke en economische verzwakking probeert Frankrijk zijn invloed veilig te stellen via 'Europa'. De rol van Groot-Brittannië, op sommige terreinen de bondgenoot van Frankrijk en op andere van Duitsland, is die van sceptische pragmaticus. Het langdurige verlies aan Engelse economische grootheid en tegelijkertijd de positie van de City als financieel machtscentrum accentueren de Britse tweespalt.

Andere overwegingen spelen ook een rol. Europarlementariërs pleiten voor snelle invoering van een gemeenschappelijke munt omdat ze meer invloed van hun machteloze parlement nastreven en ze op deze manier het 'momentum' van de Europese eenwording hopen te behouden. Het is de theorie van de fiets, die omvalt als er geen beweging in zit. De EMU is voor voorstanders van Europese integratie als oplossing voor grensoverschrijdende problemen op het ogenblik het enige programma dat perspectief biedt. Als het zou mislukken, komt een gedesillusioneerde Europese Unie op een groot aantal terreinen onherroepelijk in moeilijkheden.

Bovendien zijn Europarlementariërs - en zij niet alleen - wars van de financiële speculanten die in 1992 en 1993 het EMS uit elkaar speelden. Een dirigistisch en tegen de macht van de financiële markten gericht sentiment verbindt een deel van de voorstanders van de EMU en verklaart voor een belangrijk deel ook de felle afkeer van de City tegen het EMU-project.

Voor sommige landen speelt een rol dat ze een anker willen om hun monetaire beleid aan te koppelen. Dat anker is nu de D-mark, maar een 'euro' kan die rol ook vervullen, zeker in de constructie die is uitgewerkt voor de Europese Centrale Bank. Deze is in opzet nog strenger dan de Duitse Bundesbank en komt volkomen los te staan van de bestaande Europese instituties. De ECB heeft slechts één taak: handhaving van de prijsstabiliteit.

Een muntunie vereist een minimum aan 'convergentie', macro-economische afstemming van de deelnemende landen. Deze convergentie-criteria zijn vastgelegd in het verdrag van Maastricht en ze vormen de toegangssluis tot deelname aan de gemeenschappelijke munt. Het doel is tweeledig: aan de ene kant moeten via een hoge toegangsdrempel de zwakke munten buiten de kerngroep gehouden kunnen worden. Dit leidde in de zomer en herfst van 1991 al tot spanningen. De mogelijkheid van een tweedeling werd vastgelegd op een ingelaste bijeenkomst van de ministers van financiën in Scheveningen, enkele weken vòòr de top in Maastricht.

Aan de andere kant gebruiken de financiële en monetaire autoriteiten de twee begrotingscriteria (een financieringstekort van maximaal drie procent en een staatsschuld van maximaal zestig procent of voldoende beweging in die richting) om lang gekoesterde wensen voor sanering van de overheidsfinanciën en aanpassingen in de sociale zekerheid door te drukken. De EMU-normen dienen als stok achter de deur om de verzorgingsstaat en de overheidstekorten die vanaf de jaren zeventig ononderbroken in Europa zijn opgebouwd, te keren.

De EMU is, zo bezien, een beschermingswapen tegen de politieke minachting voor gezonde overheidsfinanciën. Daarbij speelt de EMU de disciplinerende rol die anders door de financiële markten zou worden uitgeoefend. Speculatieve aanvallen op munten worden immers uitgelokt door tekortkomingen in het beheer van de overheidsfinanciën of door gebrek aan vertrouwen in het monetaire beleid.

Als de wisselkoersen vastliggen, is grotere flexibiliteit van de economie op andere gebieden, vooral van de arbeidsmarkt, vereist. Dit verklaart de vastberadenheid van de Franse stakers tegen aantasting van hun verworven arbeidsrechten; voor anderen is dit juist een reden om de EMU als breekijzer voor de verstarde Europese arbeidsverhoudingen en de hoge werkloosheid te gebruiken.

Ten slotte is er een historische parallel. De tijdperken van de gouden standaard vòòr de Eerste wereldoorlog en van het goud-dollarstelsel van Bretton Woods na 1945 werden gekenmerkt door de combinatie van monetaire stabiliteit en economische bloei. Monetaire stabiliteit in Europa, is de gedachte, zal tot welvaartsgroei leiden. Met het vrije verkeer van goederen en diensten, de 'interne markt' van het project 1992, is Europese wisselkoersstabiliteit van buitengewoon belang. De klachten van Nederlandse ondernemingen over de concurrentie die ze wordt aangedaan door de 'Club Med', de zwakke-muntlanden van Zuid-Europa, zijn wat dit betreft gegrond. Een open markt vraagt om een gelijk speelveld en schommelingen in de prijs van de munt vormen één van de grootste obstakels.

Als er zoveel verschillende redenen zijn om een sterke, gemeenschappelijke Europese munt in te voeren, waarom bestaat er dan zo'n aanzwellende golf van verzet tegen? Dat heeft niet alleen te maken met angst voor verandering, verzet tegen sociale onttakeling, vrees voor aantasting van de nationale identiteit, afkeer van centralisatie van de monetaire politiek of verlies aan economische soevereiniteit. Het komt vooral door het gebrek aan een allesomvattend motief voor een gemeenschappelijke munt dat iedereen aanspreekt. Er is ook niet één, allesomvattend doel.

Dat schept onzekerheid en geeft ruimte voor het ontstaan van onwaarschijnlijke coalities tegen een gemeenschappelijke munt van ultra-liberale free marketeers en het gestaalde vakbondskader, van nostalgische nationalisten en utopische socialisten. De euro is in de ogen van deze tegenstanders een technocratisch onding, de nieuwe gestalte van de macht van het geld en hij vormt zowel het bewijs dat de financiële markten niet deugen als dat deze markten door een monetaire bureaucratie aan banden zullen worden gelegd.

Het zijn spookbeelden. De financiële markten zullen blijven bestaan en, net als in het dollargebied, de beschikking krijgen over een veel grotere euro-markt. Nationale eigenaardigheden in het sociaal-economische beleid zullen niet door een gemeenschappelijke munt worden weggedrukt, maar eerder een grotere accentuering krijgen. Niet de EMU maar de internationale economische betrekkingen dwingen de Europese landen tot sanering van hun overheidsuitgaven en van de welvaartsstaat. De EMU vormt daarbij een welkome reddingsboei waaraan de EU-lidstaten zich ter legitimering kunnen vastklampen.

Ten slotte vormt een gemeenschappelijke munt van een kerngroep van EU-lidstaten een monetair anker in de woelige wereld- economie. Daarvan hebben niet-deelnemende zuidelijke en midden-Europese landen profijt omdat ze zich kunnen optrekken aan de monetaire stabiliteit van het euro-gebied. De euro-landen kunnen zich sterker opstellen ten opzichte van de twee andere grote valutablokken in de wereld, die van de Amerikaanse dollar en de Oostaziatische yen. Aan de vooravond van de eeuwwisseling, met alle economische onzekerheid die op ons afkomt, is dit waarachtig geen slecht idee. Stabiele valutastelsels hebben door de eeuwen heen welvaart gebracht.