Voor een jodendom zonder mythen

NORMAN F. CANTOR: The Sacred Chain. A History of the Jews

480 blz., Harper Collins 1995, ƒ 63,-

Norman Cantor is een Canadees van joodse afkomst die nu als hoogleraar in de geschiedenis, sociologie en vergelijkende literatuurwetenschap aan New York University doceert. Hij werd geboren in 1929 en behoort tot de tweede generatie van joodse intellectuelen die, zoals hij in zijn onlangs verschenen The Sacred Chain. A History of the Jews ook vermeldt, na 1945 zelfs tot de vijfentwintig Amerikaanse topuniversiteiten konden doordringen, nadat joden tevoren door discriminatie slechts mondjesmaat en dan alleen als studenten toegelaten waren. In zijn opvallende en tegendraadse boek over de geschiedenis van het jodendom speelt die observatie een niet te verwaarlozen rol.

Hoewel door de positieve discriminatie van zwarten en vrouwen aan de universiteiten althans voor joodse mannen de toestroom weer wat werd afgeremd, wil Cantor de, zelfs soms dominerende positie van de joodse intelligentsia in het Amerikaanse hoger onderwijs zien als een van de tekenen van een hoopvolle toekomst zowel voor het jodendom als voor de Amerikaanse natie in haar geheel. Volgens hem betekent de sociaal-opwaartse mobiliteit van de joden in de Verenigde Staten - ook in de politiek, de kunsten, de rechtspraak en de zakenwereld - een wezenlijk cultureel-maatschappelijke bijdrage tot de Amerikaanse beschaving. Door haar bijzondere gaven en tradities oefent de joodse middenklasse op de Amerikaanse cultuur een heilzame invloed uit, betoogt hij. Die gaven en tradities vormen trouwens de rode draad welke Cantor door zijn geschiedenis van de joden trekt.

Cantor zelf kan in die Amerikaanse academische wereld beschouwd worden als een belangrijk en vooraanstaand historicus. Hij is in elk geval uiterst produktief. Nu al staan er minstens vijftien, vaak dikke boeken op zijn naam en bij leven en welzijn zullen er nog wel vele volgen. Al die boeken - vaak als inleiding, handboek of bundel opgezet - handelen over grootse onderwerpen, zoals de Europese Middeleeuwen of de westerse cultuur in de twintigste eeuw, en ze zijn stuk voor stuk door de originele aanpak en het levendig opiniërend karakter ervan interessant.

Naast zijn studieuze werk heeft Cantor er ook zorg voor gedragen in andere zin op te vallen. Er zullen wel veel sterke verhalen en vrolijke anekdotes in de Amerikaanse academische wereld over hem de ronde doen, en hij vertelt en schrijft graag over zichzelf. Verlegen is hij in ieder geval niet en hij beschikt over een behoorlijke dosis, soms zichzelf relativerend, gevoel voor humor. Cantor doet een beetje denken aan het slimste jongetje van de klas dat altijd zijn vinger opsteekt, dan veel blijkt te weten maar nooit zijn mond kan houden, daarmee zijn klasgenoten vaak op zijn hand krijgt maar ook kan irriteren.

Ook The Sacred Chain, een ambitieuze onderneming die heel de geschiedenis van de joden vooral sociologisch en cultuurtheoretisch wil beschrijven, is een eigenzinnig en zeer persoonlijk werkstuk geworden. Je krijgt de indruk dat het ontstaan is uit collegeteksten die oorspronkelijk mede bedoeld waren voor een leerboek ten behoeve van liberaal-joodse docenten in de synagoges en het volwassenonderwijs in de Verenigde Staten, maar dat het geheel als het ware onder zijn handen uitgroeide tot een wijdreikende cultuurkritische beschouwing bestemd voor een veel ruimer, erudiet publiek - joods en niet-joods.

Aan die spontane werkwijze is het misschien te wijten dat het boek naar inhoud en stijl niet helemaal evenwichtig uitviel. De stijl van schrijven is enigszins springerig, met lange te gemakkelijk uit de pen gevloeide zinnen vol sociologisch en 'culturologisch' jargon, afgewisseld door terzijdes en aanvullingen in alledaags simpel Amerikaans. Als overzicht blijft het wat brokkelig door niet-uitgewerkte opmerkingen en te terloops vermelde gegevens die dan doorbroken worden door uitweidingen over bepaalde, op zichzelf altijd interessante, onderwerpen die, soms door herhalingen, te lang uitvallen. Waarschijnlijk had het boek bij een zorgvuldige eindredactie baat gevonden.

Intellectualisme

Toch is The Sacred Chain een indrukwekkende prestatie. De in chronologische volgorde geplaatste hoofdstukken - dus van de vroege tijden voorafgaand aan het jaar 1000 vóór onze jaartelling tot heden - bevatten veel goede informatie met genoeg data en feiten, namen en stromingen om alles niet in de ijle lucht van een Geistesgeschichte te laten hangen. Bovendien ligt aan het geheel, zoals gezegd, een visie ten grondslag omtrent de uitzonderlijke en typische joodse identiteit, door alle eeuwen heen.

Telkens onderstreept Cantor de 'innate' ('aangeboren') intelligentie van de joden. Hij betoogt dat die door weloverwogen endogamie, eerst om wille van het behoud van het stamverband later van de minderheid in een gastland, “genetisch gehandhaafd en verfijnd” kon worden. Cantor wijst ook op de zegenrijke traditie van geletterdheid, studieusheid en intellectualisme die reeds vroeg bevorderd werd door de monotheïstische religie en de overtuiging van uitverkorenheid. Het zou, volgens Cantor, juist die combinatie van aanleg en traditie zijn die vormen van redelijkheid (rationality) bewerkstelligde waaraan ook de niet-joodse omgeving, zeker in tijden van de economische en culturele bloei voor de joden zelf, zoveel te danken had. A fortiori was dat het geval, volgens Cantor, toen vanaf de achttiende eeuw in West-Europa en Amerika het secularisend modernisme zich doorzette.

Op grond nu van deze door hem gesignaleerde joodse uitzonderlijkheid werkt Cantor zijn geschiedverhaal uit met behulp van het begrippenpaar isolement en openheid. Het isolement dat onder de joden in bepaalde verhoudingen en onder bepaalde omstandigheden werd opgelegd of juist gezocht, staat door de gehele geschiedenis tegenover de openheid, die door de joden soms werd nagestreefd of door de omgeving kon worden aangemoedigd. Dat die tendenties tot isolement of openheid elkaar opvolgden maar ook parallel konden lopen en verknoopt konden zijn, wordt door Cantor helder uiteengezet en toegelicht. Aan de hand daarvan kan hij een geschiedverloop schetsen van voor de joden afwisselende tijden van bloei en verval. Veelal was deze conjunctuur plaatselijk of landelijk afhankelijk van economische en sociale ontwikkelingen bij de niet-joodse omgeving, maar soms ook van een eigen keuze voor isolement of openheid. In Cantors overtuiging was dat isolement, hoe begrijpelijk en onvermijdelijk onder bepaalde omstandigheden ook, voor de joden op den duur een vloek, die openheid, ondanks gevaren van te vergaande aanpassing of culturele verwatering, meestal een zegen.

Zo kan de auteur bijvoorbeeld met vreugde en verve de bloeiperiode tekenen van joodse gemeenschappen die in de Hellenistische tijd (begin van onze jaartelling tot ongeveer het jaar 300) langs de kusten van de Middellandse Zee, in het bijzonder in Alexanderië, gevestigd waren. Daarbij analyseert hij het joodse aandeel bij de vroege verbreiding van het Christendom op genuanceerde wijze. Nadruk krijgt eveneens de relatief gelukkige tijd voor de joden in het vroeg-Middeleeuwse Europa (na 300 tot 1000) evenals die voor de joden in de moslimwereld (900-1150). Uiteraard vestigt Cantor ook de aandacht op latere, vaak regionaal of landelijk beperkte, tijdperken van bloei voor joden, zoals in het zeventiende-eeuwse Amsterdam, in de Duitse landen van de laat-achttiende eeuw af tot voorbij 1900 of in de Verenigde Staten na 1945. Het spreekt voor zich dat in dit boek de tijden van verval en vervolging evenmin onbesproken blijven, zoals die in het laat-middeleeuwse Europa, in tsaristisch Rusland in de loop van de negentiende eeuw of de holocaust van 1940 tot 1945. Nuchter en realistisch wil Cantor daarbij het anti-judaïsme en latere antisemitisme mede, maar dan in tweede instantie, verklaren uit intern-religieuze en sociale verhoudingen en economische omstandigheden bij de joodse gemeenschappen die dan te angstig de schijnveiligheid zochten van het isolement en daarna zelfs ten opzichte van elkaar in solidariteit tekort konden schieten.

Interessant zijn Cantors beschouwingen over de groei van het antisemitisme sedert de laatste decennia van de negentiende eeuw, die hij niet uitsluitend als een Russische, Franse of Duitse aangelegenheid ziet, maar ook analyseert in samenhang met het rooms-katholicisme, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, met alle spanningen tussen de roomse Kerk en het toenemend liberale secularisme onder de joden van dien.

Onbeschroomd

Het mag duidelijk zijn dat Cantor in The Sacred Chain zijn eigen oordeel en kritiek nooit onder stoelen of banken steekt en een eigen stem (plechtig wetenschappelijk of alledaags) bij alles laat klinken. Hij is hierin ten volle en onbeschroomd de Amerikaanse bijna-geassimileerde jood die elke vergaande acculturatie tussen een joodse minderheid en niet-joodse minderheid toejuicht. Daartoe trekt hij ook graag ten strijde tegen hetgeen hij over dat verleden aan ongewenste historische mythen bij de joden meent aan te treffen. Met de oudtestamentische verhalen over de geschiedenis van de joden in Palestijns Israël heeft hij weinig op. Het zijn volgens hem bedenksels achteraf die in andere bronnen of archeologische vondsten geschiedwetenschappelijk gezien geen enkele ondersteuning vinden en slechts dienden als ideologisch-religieuze rechtvaardiging van het bestaan en voortbestaan van de joodse gemeenschappen.

Dat streven naar ontmythologisering houdt hij in het boek tot het einde toe vol, ook ten aanzien van het joodse leven in het negentiende-eeuws Rusland, het ontstaan en behoud van de staat Israël of de verhouding tussen joden en niet-joden in de Verenigde Staten in de loop van deze eeuw. Voor de voorstelling van een innig-vrome en intiem-hartelijk joods leven in tsaristisch Rusland heeft Cantor bijvoorbeeld weinig goede woorden over. De romans van I.B. Singer of de musical 'The Fiddler on the roof' vindt hij niets anders dan een bedrieglijke sentimentalisering van een daarvan geheel afwijkende realiteit.

Het oordeel van Cantor is hier hard en duidelijk. Voor degenen die de moed opbrachten te emigreren of zich in een radicale opstandigheid verschansten, heeft hij alle waardering, maar aan de Russische joden, rabbijnen en volk, die in hun benauwende dorpsgemeenschappen of stadsgetto's achterbleven, wil hij slechts de strenge karakterisering geven van achterlijkheid en joods-orthodox conservatisme die de bestaande armoede en ellende continueerden. Met een zo mogelijk nog scherpere en dan soms ruwe pen analyseert de auteur op deze wijze ook de geschiedenis van de staat Israël. Hij is daarin, hoewel de strijd om het behoud van de staat bewonderend, over het algemeen kritisch-afwijzend. Fel pakt hij uit tegen het, wat hij zo wil noemen, 'parasiteren' van de jonge staat op de Amerikaanse financiële steun. Ook gaat hij tekeer tegen de propagandistische verhalen over de zo harmonisch-welvarende samenleving die daar zou zijn ontstaan. Hij kan niet anders dan voorspellen dat Israël binnen afzienbare tijd in de kring van zijn omringende volken en landen zal arabiseren en het joodse erfgoed zal prijsgeven. Hij acht dat onvermijdelijk, omdat de geldstroom uit het buitenland zal opdrogen, een vrede met de buurvolken gedeeltelijk op hun voorwaarden noodzakelijk is en de Israëlische maatschappij zelf zich voortgaand zal moeten seculariseren en moderniseren.

Wat daarentegen Cantor meent te kunnen vertellen over het Amerikaanse jodendom is heel wat zonniger. Hij koestert hoop en verwachting dat in de Verenigde Staten het joodse erfgoed behouden zal kunnen worden. De joden in Amerika gaan een goede toekomst tegemoet, indien zij althans na de ongewoon grote bloeitijd voor hen na 1945 die sedert de jaren tachtig lijkt ten einde te lopen, de tekenen des tijds begrijpen en zich in liberaal-joodse openheid ten dienste van de Amerikaanse samenleving zullen blijven ontplooien. Men kan overigens wel zeggen dat Cantor hierbij vervalt in een pep-talk die nogal gratuit blijft.

Het is te verwachten dat deze geschiedenis van de joden niet overal in goede aarde zal vallen. In Times Literary Supplement (24 november 1995) gaf daarvan een Israëlische recensent duidelijk en op honende toon blijk, en Cantors protest daartegen in een ingezonden stuk (8 december) klinkt voor zijn doen wat tam en lam. Het is misschien waar dat Cantor in The Sacred Chain teveel een 'enfant terrible' is die er soms te ondoordacht en ongeduldig veel uitflapt. Maar dat neemt niet weg dat hij met zijn duidelijk en consequent vastgehouden visie en sterk subjectivisme tot nader overdenken uitdaagt, niet zelden de vinger op de wonde legt, en heel wat beschrijft en analyseert wat ter zake lijkt te zijn. Uitdagen kan ergeren maar lokt ook debat uit, en daar is het bij de 'discussie zonder einde' in de geschiedschrijving uiteindelijk om te doen.