Van Beuningen verkocht Koenigs-collectie vrijwillig en met winst aan de nazi's; Oorlogstrofeeën in de aanbieding

Al vóór de Duitse inval was de uitgelezen kunstcollectie van de Duitse bankier en verzamelaar Franz Koenigs onderwerp van speculatie. Met behulp van directeur Hannema van museum Boymans kon de reder Van Beuningen honderden tekeningen en enkele schilderijen kopen voor een fractie van de waarde en met winst aan de nazi's doorverkopen. Met een tentoonstelling in Moskou probeert Nederland zijn claim te versterken.

Alleen wie goed tuurt kan in de lijntjes vormen ontdekken: de kop van een leeuw, de poort van een stad, de glans van een opbollende wang. De dertig tekeningen van oude meesters die de Rijksdienst Beeldende Kunst nu in samenwerking met museum Boymans-van Beuningen in Moskou tentoonstelt, hangen in een klein en moeizaam verlicht zaaltje van de Bibliotheek voor Buitenlandse Literatuur. Van iedere tekening bestaat er maar één op de wereld. De Duitse bankier en verzamelaar Franz Koenigs kocht ze in de jaren twintig en dertig van deze eeuw.

Officieel beschrijft de Nederlandse overheid de tentoonstelling als een neutrale kunsthistorische 'aanvulling' op de grotere Russische expositie met 307 tekeningen uit de Koenigs-collectie die ook op dit moment in het Moskouse Poesjkinmuseum te zien is. Maar achter de schermen bedrijft de Rijksdienst Beeldende Kunst vinnige politiek: deze tentoonstelling van dertig tekeningen moet de Russen duidelijk maken dat de 307 tekeningen in het Poesjkinmuseum thuis horen in Nederland. Zij maken deel uit van de 'ondeelbare' Koenigs-collectie van in totaal 2671 tekeningen, waarvan Museum Boymans-van Beuningen in Rotterdam er een kleine 2000 bezit en het Poesjkinmuseum 307.

Die 307 werden met nog 219 Koenigs-tekeningen in de oorlog verkocht door de Rotterdamse havenbaron D.G. van Beuningen aan de Duitse bezetters. Dezen namen de 526 bladen mee naar Duitsland, waar ze na de oorlog verdwenen. Lange tijd ontkenden de Sovjet-autoriteiten geruchten dat het Rode Leger de collectie in de naoorlogse chaos als compensatie voor geleden verliezen mee terug naar de Sovjet-Unie had genomen. Tot in 1992. Toen gaven ze toe enorme geheime 'Trofeeëndepots' in hun musea te hebben, waar onder andere ook de 526 vermiste tekeningen uit de Koenigs-collectie waren opgeslagen.

De Nederlandse regering eist deze tekeningen terug. Zij baseert zich daarbij op een door de Geallieerde Strijdkrachten in 1943 opgesteld decreet, dat alle transacties tussen personen uit bezette gebieden met de vijand ongeldig verklaart. Ook stelt de regering dat ondanks het feit dat de reder Van Beuningen de tekeningen verkocht aan de Duitsers, van een vrijwillige verkoop geen sprake kan zijn: wilde Van Beuningen zichzelf en zijn firma, de Steenkolen Handelsvereeniging (SHV), niet in problemen brengen, dan had hij zich maar te voegen naar de wensen van de bezetters.

Archieven

Uit correspondentie en andere documenten, gevonden in onder andere archieven van de ministeries van Financiën en Justitie in Den Haag en Rijswijk, in het Rotterdams Gemeentearchief en het Rijks Instituut voor Oorlogsdocumentatie in Amsterdam, blijkt echter dat Van Beuningen de Koenigs-collectie wél geheel vrijwillig verkocht. Hij bood de collectie zélf aan de Duitsers aan, en werd door niemand onder druk gezet. Hij verdiende met de verkoop van eenvijfde deel van de collectie anderhalf keer het bedrag dat hij slechts een paar maanden eerder voor de hele collectie aan een joodse bank had betaald. Het resterende deel - op een paar belangrijke schilderijen en tekeningen na - schonk hij 'genereus' aan museum Boymans.

Van Beuningen wordt bijgestaan in zijn transacties door de toenmalige directeur van museum Boymans, Dirk Hannema, die - zoals zal blijken - voor hem de aankoopprijs van de collectie bij een joods bankiershuis omlaag drijft en de verkoopprijs bij de bezetter omhoog stuwt. Hannema's compagnon is Lukas Peterich, Van Beuningens schoonzoon, die de eerste contacten met Hitlers kunstkopers legt. Hij is het ook die het verkochte deel van de collectie persoonlijk in Duitsland aflevert.

Een reconstructie van de aankoop van de Koenigs-collectie door Van Beuningen in april 1940 en de verkoop door hem aan de Duitsers in december 1940 stelt het Nederlandse standpunt van 'verkoop onder dwang' in een heel ander daglicht. Dat is pijnlijk voor museum Boymans, dat in 1958 het achtervoegsel 'Van Beuningen' aan zijn naam toevoegde. Dat was een herinnering aan een van de grootste maecenassen uit de geschiedenis van het museum - maar ook de voorwaarde van Van Beuningens erven, van wie het museum de collectie in 1958 kocht.

Van Beuningen (1877-1955), die samen met zijn SHV-compagnon Fentener Van Vlissingen al lang voor de Duitse inval het monopolie op het steenkolentransport uit het Ruhrgebied had verworven, onderhield nauwe handelsbetrekkingen met Duitsland. Na de inval benaderde Mussert hem voor een nieuw te vormen Nederlandse regering onder Hitlers gezag. Van Beuningen weigerde, maar verhulde zijn sympathie voor Mussert c.s. in zijn dagboek niet. Hij was bevriend met Rijkscommissaris SS-Obengruppenführer Arthur Seyss-Inquart en maakte samen met hem boottochtjes door de haven. Of hij nu handelde in kolen of in kunst, en met wie, maakte hem bar weinig uit.

Oorlogsdreiging

Het verhaal begint met angst, angst voor de naderende oorlog. Hitlers troepen hebben Oostenrijk en heel Tsjechoslowakije in hun bezit, en vallen op 1 september 1939 Polen binnen. Twee dagen later verklaren Engeland en Frankrijk Duitsland de oorlog. Nederland blijft 'neutraal', maar de joodse bevolking is bang. Wie rijk is, verkoopt z'n bezittingen en neemt de benen naar Engeland of de Verenigde Staten.

Zo ook de joodse eigenaren van de Amsterdamse bank Lisser & Rosencranz. Sinds 1933 hebben zij de collectie van circa 2600 tekeningen en 42 schilderijen van de Duitse bankier Franz Koenigs (1881-1941) in onderpand voor grote leningen die Koenigs bij hen afsluit om een faillissement tegen te gaan. In 1935 geeft de bank Koenigs' verzameling in bruikleen aan Hannema's museum Boymans. Maar nu de Duitsers Nederlands grenzen bedreigen en er zelfs geruchten gaan dat Duitsland ieder ogenblik kan binnenvallen, wil de bank weg uit Nederland, via Lissabon naar de Verenigde Staten. In augustus 1939 stellen zij Koenigs voor de keuze: of hij zoekt een koper voor de collectie, of de bank neemt de collectie mee op zijn vlucht. Koenigs licht Hannema in, die belooft op zoek te gaan naar een koper.

Maar er gebeurt niets. In museum Boymans is Hannema druk bezig met de voorbereidingen van zijn traditionele 'Kersttentoonstelling' en met een Rubens-tentoonstelling die naar Brussel zal reizen. Een groot deel van de geëxposeerde tekeningen en schilderijen is afkomstig uit de Koenigs-collectie.

De eerste brief waaruit blijkt dat Hannema actie onderneemt, dateert pas van 13 maart 1940. Hij heeft begin maart de collectie Koenigs laten taxeren en stuurt dit rapport naar Willem van der Vorm, een grote Rotterdamse havenmagnaat, kunstverzamelaar en voorzitter van het stichtingsbestuur van museum Boymans. Aan Van der Vorm schrijft Hannema dat de hele collectie over veertien dagen naar Lissabon getransporteerd zal worden. Langer uitstel is niet meer mogelijk, zegt Hannema. “Zoals u bekend,” schrijft hij aan Van der Vorm, “was de collectie in 1935 voor ƒ 4,5 miljoen verzekerd, zijnde ongeveer het bedrag dat de heer Koenigs in de loop der jaren ervoor heeft uitgegeven. Zij wordt thans voor ƒ 2,2 miljoen aangeboden. (.) Mijn taxatie kan laag genoemd worden.”

Inmiddels is Polen bezet en hebben Frankrijk en Engeland Hitler de oorlog verklaard. In het Westen staan twee parate legers tegenover elkaar. Op dinsdag 2 april is Koenigs' geduld op. In plaats van aan Hannema schrijft hij nu een formele brief aan de directie van museum Boymans, waarin hij stelt zijn handen volledig van zijn collectie af te trekken. “Aangezien ik met betrekking tot de verzameling tekeningen welke ik u destijds in bruikleen heb gegeven, niets meer van u mocht vernemen, heb ik mij genoodzaakt gezien deze tekeningen aan (-) Bankierskantoor Lisser & Rosencranz (-) in betaling te geven, waardoor deze tekeningen in volle en vrije eigendom van genoemde zijn overgegaan.”

Nu reageert Hannema wél. Hij nodigt Koenigs op zijn kantoor uit op vrijdag 5 april. Van Beuningen doet intussen een bod aan de bank van ƒ 1 miljoen. Drieëneenhalf miljoen minder dan waarvoor de collectie in 1935 verzekerd was en anderhalf miljoen minder dan het 'lage' taxatierapport van Hannema uit maart 1940. De bank weigert op Van Beuningens bod in te gaan. Het onderhoud met Koenigs vrijdag loopt op niets uit. Maar de collectie ligt nog steeds 'veilig' binnen de muren van het museum.

Doorverkoop

Maandag, 8 april, stuurt Hannema onder het motto 'Persoonlijk' (“voordat u wederom met de tegenpartij in contact komt”) een brief naar Van Beuningen. Hij kan 'gerust' zo'n twintig schilderijen uit de Koenigs-collectie doorverkopen, vindt Hannema, als hij maar de tekeningen en de belangrijkste (en hoogst getaxeerde) doeken houdt. Dat zijn vier schilderijen van Jeroen Bosch en een aantal van Rubens. “Vasthoudend aan uw bod van 1 miljoen, zit er dus nog speling in de schilderijen.” Uit deze brief blijkt dat Hannema al vóór de Duitse inval speculeerde over doorverkoop van delen van de Koenigs-collectie.

De volgende dag, 9 april 1940, doet Van Beuningen het joodse bankiershuis opnieuw een bod van één miljoen, nu voor alle tekeningen maar slechts elf schilderijen. Het is voor de bank een beter bod, maar ze moet wel vóór tien uur 's avonds beslissen. Hannema dringt er bij de bank op aan, het bod te accepteren, dat volgens hem “in de gegeven omstandigheden meer dan goed te noemen” is. “Ik ben ervan overtuigd dat u elders niet licht een beter bod zou krijgen.” Hannema herinnert de bank er verder aan, dat indien de collectie Koenigs Nederland verlaat, zijn museum “als geschenk beloofd is de keuze van één der schilderijen”. Hannema 'dubieert', zo stelt hij, tussen de Heilige Christophorus van Jeroen Bosch en een Landschap van Peter Paul Rubens - de duurste schilderijen uit de collectie.

Diezelfde maandag slaat Hitler zijn eerste grote slag in het westen. Hij bezet Denemarken en valt Noorwegen binnen. Koning Haakon van Noorwegen ontsnapt ternauwernood naar Engeland. Het wordt de joodse bank in Amsterdam te heet onder de voeten en ze gaat akkoord met het aanbod van Van Beuningen. De koop wordt gesloten, op voorwaarde dat Koenigs' naam altijd aan de collectie verbonden blijft. Van Beuningen belooft dit, en ook Hannema herhaalt later deze belofte nog eens tegenover Koenigs.

Voor één miljoen gulden, een 'koopje', komt Van Beuningen in het bezit van meer dan 2600 tekeningen van meesters als Dürer, Grünewaldt, Rembrandt, Tiepolo, Watteau en Tintoretto. Ook verwerft hij voor dit geld elf schilderijen, waaronder vier van Jeroen Bosch en vijf olieverfschetsen van Rubens.

Iedereen is blij. Hannema is blij dat hij de collectie tekeningen “na harde onderhandelingen” voor Nederland heeft bewaard. Koenigs is blij dat zijn collectie door een Nederlander is aangekocht en schenkt museum Boymans spontaan twee tekeningen van Carpaccio als dank. En Van Beuningen is blij dat hij voor een klein bedrag een unieke kunstverzameling op de kop heeft getikt. Alleen de joodse bank zal zich het vel over de oren gehaald voelen. En Van der Vorm, de voorzitter van het stichtingsbestuur van het museum, voelt zich gepasseerd. Hij had graag gezien dat de stichting de collectie voor het museum had verworven en was daarvoor ook bezig gelden te werven toen, aldus Hannema later in zijn memoires, “Van Beuningen ineens alles voor zichzelf kocht.”

Wie het aankoopgedrag van Van Beuningen door de jaren heen bestudeert, van 1899 tot vlak voor zijn dood in 1954, kan niet anders dan verbaasd zijn over diens plotselinge interesse in tekeningen in 1940. Uit een 'Aankopenboekje' dat in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag ligt en waarin Van Beuningen secuur zijn aan- en verkopen bijhield, blijkt hoe weinig hij om tekeningen gaf. Een paar honderd gulden hooguit per jaar gaf hij eraan uit, en veel jaren kocht hij zelfs geen enkel blad. In contrast daarmee staan zijn aankopen van schilderijen: in 1939 koopt hij voor een kleine viereneenhalve ton, in 1940 koopt hij voor één miljoen aan schilderijen (nog afgezien van die in de Koenigs-collectie), in 1941 koopt hij voor bijna twee miljoen het door Han van Meegeren vervalste Laatste Avondmaal van 'Vermeer' (dat deze week voor 113.000 gulden is geveild). Terwijl zijn schilderijenaankopen tientallen pagina's vullen, beslaan de aankopen van tekeningen tussen 1931 en 1949 slechts een halve pagina.

Op zijn landgoed Noorderheide in Vierhouten leidt Van Beuningen graag bezoekers rond door zijn huis, dat van de vestibule tot aan de slaapkamers vol hangt met schilderijen. Een Goya en een Rafaël naast de kapstok, Vlaamse en Noord-Nederlandse Primitieven van plint tot plafond. Schilderijen dus, en geen tekeningen. Want tekeningen kun je vanwege het licht niet permanent ophangen en aan bezoekers tonen. Tekeningen bewaar je in dozen en laden, en haal je alleen soms tevoorschijn. Met tekeningen kun je niet makkelijk pronken, met schilderijen wel.

Zo wordt het begrijpelijk waarom Van Beuningen al weer snel na de aankoop van de Koenigs-collectie een deel doorverkoopt aan de Duitsers en het resterende deel gul aan museum Boymans afstaat. Maar zo ver is het nog niet, eerst breekt de oorlog uit.

Führermuseum

Al een week na de Nederlandse capitulatie op 15 mei 1940 bezoekt Rijksmaarschalk Hermann Goering de Nederlandse kunsthandelaren. Goering koopt en confisqueert in heel bezet Europa kunst voor zijn landgoed Karinhall in Duitsland. In zijn kielzog komt op 26 juni 1940 ook Hans Posse in Nederland aan. Posse is door Hitler aangesteld als directeur van de Staatliche Gemäldegalerie in Dresden en benoemd tot Sonderbeauftragter voor het toekomstige Führermuseum in Linz. In deze positie heeft hij carte blanche om in bezette gebieden kunst van vooral Duitse meesters te kopen.

Op de mogelijkheid om tekeningen uit de collectie Koenigs te kopen, wordt Posse geattendeerd door Lukas Peterich (1902-1985), de schoonzoon van Van Beuningen die vrijwel alle 'kunstaffaires' van zijn schoonvader regelt. Op 5 augustus 1940 doet Peterich per brief een aanbod aan Posse. Een week later al brengt Posse een bezoek aan Van Beuningen en Peterich in Rotterdam; ruim een maand later is hij weer in Nederland en brengt een weekeinde door met Peterich. 's Avonds noteert hij in zijn dagboek het exacte aantal Duitse tekeningen dat zich in de collectie bevindt. De maandag daarop bezoeken de twee samen Hannema in Rotterdam. Hannema deelt mee, zo schrijft Posse, dat alleen de Duitse tekeningen verkocht zullen worden. “Dus conform onze afspraak,” concludeert Posse.

Wat de vraagprijs is voor de collectie in de herfst van 1940, is onbekend. In het Rotterdams gemeentearchief ligt alleen een in het Duits gesteld, uitvoerig memorandum van Hannema aan Posse, waarin deze uitlegt waarom de aangeboden collectie nu zoveel meer kost dan zes maanden tevoren. Het memorandum dateert van 23 oktober 1940, een maand nadat Hannema als enige museumdirecteur van Nederland lid is geworden van de door Seyss-Inquart in het leven geroepen Nederlandsche Kultuurkring. Vanwege de “tegenwoordige hergroepering in Europa en Holland,” schrijft Hannema, “weet het publiek nog niet precies waar het zijn geld met profijt zeker en veilig kan beleggen. Dit heeft tot gevolg dat de vraag naar waardevolle voorwerpen buitengewoon gestegen is.” Een 'stijging van 35 % op de Vredesprijs' vindt Hannema “dubbel gerechtvaardigd” voor een collectie van zo'n hoge kwaliteit. “Zouden vergelijkbare kostbare stukken zich nu in privé-bezit bevinden, dan zou men alle moeite doen om die vast te houden.” In een P.S. voegt hij daar aan toe: “Alleen op aanraden en wens van de heer Peterich heb ik mij bij de door mij gevraagde prijsverhoging beperkt tot 35 %. Ikzelf zou een verhoging van 50 tot 60 % voor absoluut gerechtvaardigd houden. Anderen, zoals bijvoorbeeld de heer dr. H. Schneider, directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische en Ikonografische Documentatie in Den Haag, houden een verhoging van zelfs 100 % voor redelijk.”

Posse is overtuigd, hij meent zelfs dat hij de tekeningen voor een voordelige prijs krijgt. Voor 1,4 miljoen gulden kiest hij 300 Duitse tekeningen en 226 tekeningen van Italiaanse, Franse, Nederlandse en Vlaamse meesters. De koop van deze 526 'krenten uit de pap' wordt gesloten in december 1940. De rest van de 'pap' - ongeveer tweeduizend tekeningen, vier schilderijen van Jeroen Bosch en vier schilderijen van Rubens - schenkt Van Beuningen aan museum Boymans.

In één klap is daarmee de tekeningencollectie van het museum uitgegroeid tot verreweg de belangrijkste in Nederland. Boymans, in de tijd dat Hannema er directeur werd een klein provinciaal museum, kan nu de concurrentie aan met grote musea in Londen en Parijs. “Uw daad behoort tot de grootste in de geschiedenis van het museum Boymans,” schrijft Hannema dolgelukkig in een felicitatiebrief van 9 december 1940 aan Van Beuningen. Peterich begeleidt het transport van de verkochte kunstschatten naar Dresden, waar op 21 mei 1941 de 526 tekeningen arriveren.

Koenigs maakt de splitsing van zijn collectie niet meer mee. Twee weken daarvoor, op 6 mei, valt hij op het perron in Keulen naast een rijdende trein. Zijn ruggegraat wordt verbrijzeld en hij overlijdt. Direct na het ongeluk al gaan geruchten de ronde dat hij vermoord zou zijn door de nazi's, maar tot op de dag van vandaag zijn daar geen bewijzen voor gevonden.

Duitse claim

Als 'kunsttrofee' van het Rode Leger leiden de tekeningen jarenlang een ondergronds bestaan in de Sovjet-Unie - totdat er in 1992 307 opduiken in het Poesjkin Museum. Irina Antonova, de directrice van het Poesjkinmuseum die jarenlang de Koenigs-tekeningen verborg, is niet van plan ze aan Nederland terug te geven. Onlangs zei ze op de Nederlandse televisie: “Rusland is niemand iets schuldig. Wij hebben al genoeg gecompenseerd.” Aan de 'tegententoonstelling' van de Nederlandse regering in de Bibliotheek voor Buitenlanse Literatuur heeft zij haar medewerking geweigerd.

Ook in Rusland duikt steeds meer onbekend archiefmateriaal op. De Sovjets namen immers niet alleen kunstschatten mee na de val van het Derde Rijk, maar ook complete archieven, waaronder het Linz-archief. In dit archief, dat ligt opgeslagen in het centrum van Buitenlandse Geschiedenis, is volgens de Russische kunsthistoricus Vladimir Tetrjadnikov een voor Van Beuningen en diens schoonzoon Peterich belastende briefwisseling te vinden over hun onderhandelingen met de nazi's. Zijn boek hierover komt binnenkort uit.

Tetrjadnikov, die ook lid is van de Commissie van Expertise die de legale status van oorlogskunst in Rusland regelt, zegt aan de telefoon: “De Koenigs-tekeningen moeten in Rusland blijven.” De Sovjets hebben weliswaar in 1943 samen met de andere Geallieerden hun handtekening gezet onder de Joint Declaration (volgens welke alle transacties met de vijand illegaal worden verklaard), maar dat verplicht de Russische regering niet om de Koenigs-tekeningen terug te geven: “Het Russische parlement heeft de Joint Declaration nooit bekrachtigd.” Tot die tijd heeft president Boris Jeltsin alle export van 'oorlogstrofeeën' uit Rusland naar landen van herkomst verboden. De nieuwe Doema, die morgen wordt gekozen, zal zich over het wetsvoorstel buigen.

In Duitsland zijn soortgelijke geluiden te horen. De Frankfurter Allgemeine Zeitung schreef onlangs: “Hitler-Duitsland heeft de marktprijs voor de tekeningen betaald, en daarmee is de transactie legaal geworden.” Prof. dr. Wolfgang Eichwede, als directeur van de Forschungsstelle Ost-Europa in Bremen verwikkeld in de onderhandelingen met Rusland over teruggave van in de oorlog geroofde kunstschatten, bevestigt dat deze opvatting “nu opgang doet in de Bondsregering”.

Bovendien heeft Duitsland de Joint Declaration van de Geallieerden nooit ondertekend. Duitsland kan de Koenigs-collectie dus als een voormalige Dúitse collectie terug eisen van Rusland. De Nederlandse overheid, die bitter genoeg jaren naar de collectie heeft gespeurd, heeft dan het nakijken.