Transfersysteem al jaren betwist

ROTTERDAM, 16 DEC. Het transfersysteem is “de uit juridisch oogpunt meest karakteristieke feature van het voetbal” genoemd. Daar is nu resoluut een eind aan gemaakt door het Hof van justitie van de Europese Gemeenschappen in de zaak-Bosman. Dit verklaarde de door de sportverenigingen vastgestelde regels over spelers die van dienstverband wisselen, in strijd met het EG-verdrag. Het Hof is de hoogste rechterlijke instantie van de gemeenschappen en zijn uitspraken zijn bindend voor de vijftien lidstaten.

Het vrije verkeer van werknemers vormt een van de pijlers van het Europese recht. In 1976 verklaarde het Hof al dat dit beginsel opgaat voor professionele sportlieden. De juridische kritiek op het transfersysteem is ook niet nieuw; in 1972 werd in een publicatie van de Nederlandse Vereniging voor rechtsvergelijking gewaarschuwd dat het nauwelijks een juridische basis heeft.

De Nederlandse voetballer Arnold Mühren klaagde echter vergeefs het transfersysteem bij diverse rechterlijke instanties aan als een vorm van dwangarbeid. Hij was in 1978 wel verplicht naar de Engelse club Ipswich te gaan in plaats van naar Ajax, de club die zijn voorkeur had. De hoogte van de transfersom die zijn club FC Twente vroeg gaf de doorslag. Het beviel hem overigens best bij Ipswich.

De uitspraak van het Hof van justitie heeft alleen betrekking op transfers tussen EG-landen en laten puur nationale transfersystemen ongemoeid. Dat past bij eerdere uitspraken over produkten (het Reinheitsgebot voor Duits bier) en diensten (het Nederlandse verbod van de omroep TV10), zegt de Utrechtse hoogleraar mr. K.J.M.Mortelmans. De Europese transfervrijheid zal echter in de interne nationale verhoudingen als een breekijzer werken. Landen als Frankrijk en Spanje hebben het transfersysteem al danig afgezwakt. In Engeland is beroep op een tribunaal voorzien.

Het Hof erkent het grote maatschappelijke belang van de sport in het algemeen en van het voetbal in het bijzonder. Maar het oordeelt dat geen van de argumenten die ter verdediging van het transfersysteem zijn aangevoerd de inbreuk op het beginsel van het vrij verkeer van werknemers rechtvaardigen.

De rechters wijzen met name het argument af dat de transferregels nodig zijn om het evenwicht op het gebied van geldmiddelen en sportprestaties in betaald voetbal te handhaven. Deze regels beletten immers niet dat de rijkste clubs de beste op de markt aanwezige spelers in dienst nemen.

Het transfersysteem is volgens de uitspraak evenmin geschikt om het opleiden van jonge spelers door met name de kleinere clubs aan te moedigen en te financieren. Daarvoor is het vooruitzicht een vergoeding te ontvangen te onzeker. Bovendien staat het bedrag van die vergoedingen tot op grote hoogte los van de daadwerkelijk gemaakte kosten.

Om deze doelstellingen te verwezenlijken staan volgens het hof andere middelen dan het transfersysteem ter beschikking, die het vrij verkeer van werknemers niet belemmeren. Zo verbinden piloten in opleiding bij een luchtvaartmaatschappij zich een bepaalde periode in dienst te blijven of bij voortijdig vertrek de kosten terug te betalen, al dan niet op rekening van de nieuwe werkgever.

Langlopende contracten in combinatie met een afkoopsom voor nieuw talent zijn in het Franse voetbal heel gewoon. Als zo'n contract erg onbillijk uitpakt is er wel de kans dat de rechter het op verzoek van de speler voortijdig ontbindt.

Langlopende contracten kunnen echter ook in het voordeel van de speler zijn (als verzekering tegen ernstige blessures) en dus minder aantrekkelijk voor de clubs. De uitspraak van het Europese hof zou volgens Mortelmans wel eens de stoot kunnen geven tot een brede herbezinning op de sociale positie van beroepssporters.

Het Europese Hof heeft in de zaak-Bosman ook de zogeheten vreemdelingenclausules onderuit gehaald. Het verbod meer dan slechts enkele spelers uit andere EG-landen op te stellen is al in het begin van de jaren zeventig door de Commissie van de EG bekritiseerd.

Het verbod werd toen overigens verdedigd door de huidige Europarlementariër mr.J.L.Janssen van Raay, die zich nu heeft geschaard aan de zijde van Bosman. In 1971 betoogde de CDA-politicus: “Het publiek betaalt niet in de eerste plaats om mooi voetbal te zien, maar om een elftal te zien winnen”.

Maar het Hof zegt in de zaak-Bosman dat dergelijke beperkingen alleen aanvaardbaar zijn voor wedstrijden tussen nationale ploegen om redenen die uitsluitend verband houden met de sport als zodanig.