Schuld

“In elk geval schiet een visie op het Derde Rijk uit de ivoren toren der morele zelfgenoegzaamheid te kort.”, aldus H.W. von der Dunk (boekenbijlage 18/11/1995).

Boven “onze verklaringsdrift uit een behoefte aan morele oordeelvellingen” (die voor hem blijkbaar gepaard gaat met zelfgenoegzaamheid) verkiest Von der Dunk een andere theorie; één die “ons weten-achteraf even uitschakelt”. Dit is “op zichzelf een voor de historicus vrij vanzelfsprekende, want echt historische methode”, zo verzekert Von der Dunk. (De cursivering is van FBSD.) In die methode ben ik niet opgeleid. Maar wel in taalkunde en tekstanalyse. In dat kader valt heel wat over het artikel op te merken. De vakhistoricus betreurt dat het “ten aanzien van het nazisme die vakkundige benadering altijd ietwat werd geblokkeerd door de morele verbijstering en de angst dat 'begrijpen' op 'verontschuldigen' neerkomt, ja dat iets dermate infaams (bedoeld zijn de nazi-gruwelen, FBSD) elke verstaander besmet. Bij de ruime ervaring met terreur en massamoord in vele staten is er evenwel vandaag geen reden voor die verkramptheid waar het om het Derde Rijk gaat.” Morele verbijstering is kennelijk niet echt methodisch historisch verantwoord, zij maakt de historisch onderzoeker verkrampt en vertroebelt zijn blik op de geschiedenis van het Derde Rijk. Gezien evenwel de ruime ervaring met hedendaagse naburige terreur en massamoord is dat nu niet meer nodig. Zegt de historicus. Vreemd is dat. Je verwacht eerder het omgekeerde, namelijk dat Von der Dunk en zijn generatiegenoten, met de nazi-terreur nog vers in het geheugen, eens te méér verbijsterd geraken door de jongste gruweldaden. Maar nee, veel mensen, waaronder deze vakhistoricus, tonen inderdaad een verbluffend ontspannen houding ten opzichte van de hedendaagse genocide. Trouwens, sommige elementen in de systematisch methodische nazi-terreur schijnen, methodisch historisch gezien, óók best mee te vallen.

Zo corrigeert Von der Dunk het gebruikelijke beeld van de Führer en de zijnen: “Direct na de oorlog ging men, zoals bekend, met name in het kamp van de Geallieerden, allereerst ervan uit dat de nazi-leiders psychopatische criminelen moesten zijn, om al snel daaroverheen de these van de collectieve schuld van het Duitse volk te poneren...”. (cursivering van FBSD.) Door de 'psychopatisch-criminele' kwestie in één adem te noemen met de veel gecompliceerdere vraag naar zoiets als collectieve Duitse schuld, suggereert Von der Dunk dat Hitler en de zijnen misschien wel géén psychopatische criminelen waren. Dat zij dat wèl waren bevestigt Von der Dunk zelf, expliciet, in zijn eigen artikel. Hij schrijft: “...waarmee niet is ontkend dat de nazi-leiders deels spontaan en natuurlijk, deels zeer geraffineerd en slim, en vooral niet gehinderd door enige morele rem, inspeelden op diep gelegen verlangens”. (Cursivering van FBSD.) Dit portret heeft als karakterisering de zeer duidelijke instemming van Von der Dunk. Het is ten voeten uit het portret van een criminele psychopaat, met z'n “sinistere zinspelingen op onbarmhartig geweld”. Over het antisemitisme in het Derde Rijk moeten we van deze historicus ook wat genuanceerder dan tot nog gebeurt, oordelen: “Illustratief is een opmerking uit joodse hoek: als Hitler geen antisemiet was, zouden we hem toch alleen maar verwelkomen!”

Nadere bronvermelding dan 'uit joodse hoek' laat de auteur achterwege. Zonder toelichting maakt de uit die hoek afkomstige uitspraak nog het meest de indruk van een keiharde 'jüdische Witz'.

Het artikel van Von der Dunk mag dan niet bedoeld zijn als verontschuldiging, het heeft wel een soortgelijk effect. Het predikt verwerping van zelfgenoegzaam moraliseren en bepleit geschiedschrijving die niet wordt gehinderd door een 'weten-achteraf'. Zou hij het weten van de overlevenden daar ook toe rekenen?

Het artikel is één-en al terechtwijzing, onder de dekmantel van een genuanceerde methodische wetenschappelijke benadering van Nazi-Duitsland. Een gecamoufleerde vorm van moraliseren vanuit de ivoren toren van de echte historicus. Het wachten is op een andere echte historicus, die ons, krantelezers, kan inlichten over het waarheidsgehalte van de opvallendste volzin in het artikel van Von der Dunk: “Voor de tijdgenoot was Auschwitz onbekend”. Die zin is immers nauw verwant met 'Wir haben es nicht gewuszt.'

Naschrift:

F. Balk-Smit Duyzentkunst gaat voorbij aan wat ik expliciet de kernvraag noemde van heel de geschiedschrijving over het Derde Rijk, namelijk: 'Hoe was dit mogelijk?' Dat die kernvraag in niets anders wortelt dan in morele verbijstering leek me evident, maar blijkbaar kan het vanzelfsprekende voor sommigen niet genoeg worden herhaald en dient elk stuk over het nazisme te beginnen met de confessie dat men heus massamoorden verfoeit. Morele verbijstering is voor ons inzicht in de aard van de menselijke natuur en samenleving en de werking van een modern dictatoriaal systeem echter nu eenmaal niet voldoende. Hoe sceptisch we ook mogen staan ten aanzien van de mogelijkheid om 'lessen' uit het verleden te leren, de behoefte om verklaringen te zoeken voor rampzalige ontwikkelingen en zo misschien minder weerloos te staan tegenover funeste krachten ook in ons zelf, is een onblusbare impuls bij onze omgang met het verleden. Het opplakken van etiketten als 'psychopatische criminelen' lost vandaag niets meer op. Zeker niet als het gaat om de vraag waarom miljoenen achter een bepaalde vlag aanliepen. En het zijn o.a. juist de andere massamoorden die het kwestieus maken om wat in het Derde Rijk gebeurde à priori met een heel specifieke morele 'cordon sanitaire' van afgrijzen te omheinen; ook als dat voor ons in Nederland de enige directe ontmoeting met gruwelen was. Vandaar mijn formulering van de 'ivoren toren der morele zelfgenoegzaamheid'.

De 'bron' van mijn opmerking dat ook joden in 1933 pro-Hitler hadden gestemd als hij geen antisemiet was geweest, is mijn eigen herinnering. En dat 'Auschwitz' pas na 1945 een begrip werd en in de jaren '30 nog onbekend was, wil ik hier alvast herhalen; al wil Balk het liever van 'een andere vakhistoricus' horen. Onze kennis en wijsheid achteraf kunnen nu eenmaal een danig obstakel zijn om de reacties van de tijdgenoten te begrijpen. Toen Jenninger dat in de Duitse bondsdag probeerde, viel prompt alles over hem heen omdat men uit louter opwinding zijn zeer juiste weergave met zijn persoonlijke standplaats verwisselde. Balk-Smit Duyzentkunst voelt zich kennelijk door mijn betoog 'terechtgewezen'. Het zij zo. Wellicht dat zij daarom insinuerende opmerkingen maakt over de houding van 'deze vakhistoricus' ten aanzien van hedendaagse genocide en dat de nazi-terreur 'historisch-methodisch' gezien volgens mij best meeviel. Dit soort emotionele diffamering heeft in elk geval weinig met taalwetenschap en tekst-analyse te maken.

H.W. von der Dunk, Bilthoven